19 augustus 2015

Ambtenaren, over het kind en het badwater



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


Recentelijk sprak ik met enkele professoren en politici over de vervanging van vast benoemde ambtenaren door tijdelijke. Dat een vaste benoeming de efficiëntie in de weg staat, kon echter niemand bewijzen. Een analyse.

Vooraf


Twee ideologische visies bepalen hoe men een staat organiseert. De keuze voor een sterke staat (etatisme) waarbij de staat heel veel opdrachten toebedeeld krijgt en waarvoor een omvangrijke en sterke administratie nodig is. Een sprekend voorbeeld hiervan is Frankrijk. Voor de kwaliteit van de administratie staan de afgestudeerden van de ‘Grandes Ecoles’ borg en samen met een sterk politiek (presidentieel) systeem dat minder last heeft van het NIMBY-syndroom, delen alle Franse politieke partijen, liberalen evengoed als socialisten, deze visie. Daar tegenover is er de visie die de staat wil terugdringen tot een beperkt aantal kerntaken, veiligheid, justitie, … en daarvoor zo weinig mogelijk middelen wil inzetten. Het zijn vooral, maar niet alleen, de adepten van deze laatste visie die het moeilijk hebben met vast benoemde ambtenaren.
Waar we het hier niet over zullen hebben is de specifieke complexiteit van de Belgische staatstructuur. Geen verdeling van homogene bevoegdheden tussen de bestuursniveaus maakt het voor de uitvoerende diensten niet gemakkelijker. Wie meer efficiëntie verwacht van de ambtenaren hoeft dus niet lang te zoeken: kuis de Belgische koterij op.
Confederalisme wordt dan een oefening in efficiëntie.

Wat loopt er fout


De roep om het ambtenarenstatuut af te schaffen is niet nieuw. Toenmalig staatssecretaris voor ambtenarenzaken, Hendrik Bogaert, CD&V, lanceerde dit idee reeds in 2013. Daarover schreef ik een bijdrage met als titel ‘Een modern ambtenarenbeleid’. Citaat: ‘een modern personeelsbeleid vraagt veel meer dan de aanpassing van het sanctiebeleid en de invoering van tijdelijke medewerkers. Een globale visie begint met de erkenning van alle bestaande pijnpunten.’
Hieronder de belangrijkste pijnpunten die elke ernstige kans op een efficiënt ambtenarenapparaat bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken.
(1)  Wellicht het belangrijkste pijnpunt is de politisering van de topfuncties in de ambtenarij én de druk vanuit politieke partijen met een sterke vakbondsvleugel, om zoveel mogelijk ‘partijsoldaten’ aan te werven. Het enige argument voor de veralgemeende politisering van de topambtenaren is dat politici - helaas soms ook terecht - ervan uitgaan dat niet-partijgebonden ambtenaren onvoldoende betrouwbaar zijn om het beleid van ‘hun’ regering correct uit te voeren. 
(2)  Vakbonden willen vooral zoveel mogelijk personeel en zo weinig mogelijk afremmende ‘autoriteit’. Onder het motto van ‘hoe meer leden’ hoe meer invloed, werken ze elke modernisering tegen die het aantal leden zou kunnen verminderen. De dominantie van de vakbonden zorgt er ook voor dat de evaluaties van de medewerkers niet naar behoren werkt. Defensie, waar de invloed van de vakbonden minimaal is, slaagt er wel in om alle medewerkers op een ernstige manier te beoordelen en desgevallend te sanctioneren. Het is ook het departement met de minste politieke inmenging. 
(3)  Corporatisme zorgt eveneens voor een krakkemikkig ambtenarenbeleid. Elke administratie heeft vanuit een corporatistische reflex een metershoge muur opgetrokken rond de eigen administratie. Flexibiliteit is een idee dat volgens de vakbonden en andere conservatieve krachten met de grootste kracht moet bestreden worden. Terwijl flexibiliteit juist een deel van de oplossing kan zijn. 
(4)  Politici die onvoldoende ondersteund worden en daardoor bij gebrek aan kennis en ervaring, beslissingen (wetten, decreten, …) goedkeuren die problemen veroorzaken bij de uitvoering. Daarenboven leidt de regelneverij van de staat, zowel federaal als op Vlaams niveau, tot een oerwoud aan wetten. Soms onuitvoerbaar of in tegenspraak met bestaande wetgeving. ‘Ad hoc’ wetgeving verplicht dan tot nieuwe ‘reparatiewetgeving’. Wellicht het dikste boek ter wereld: het Belgisch staatsblad.
(5)  Ambtenaren die misbruik maken van hun autoriteit om zelf wetten en richtlijnen te interpreteren (dikwijls vanuit een partijpolitieke inspiratie) of nog erger, deloyaal zijn aan hun opdrachtgever, de uitvoerende macht. Een flagrant voorbeeld van een gebrek aan loyaliteit gaf Vlaams topambtenaar, Dirk Van Melkebeke (van socialistische signatuur). Hij wil vervroegd op pensioen wegens niet akkoord met het gevoerde beleid. Dat noem ik een (impliciete) eenzijdige contractbreuk, een ‘civil servant’ onwaardig.

Een efficiënte administratie


Kwaliteit van de dienstverlening en kostprijs zijn de twee parameters die voorop moeten staan bij de evaluatie van de efficiëntie. Als de hierboven vermelde pijnpunten iets aantonen, dan is het enerzijds een schrijnend gebrek aan een politieke wil om hieraan (de kwaliteit) iets te doen en anderzijds een bescherming van de individuele ambtenaar die voorrang krijgt op de efficiëntie van de dienstverlening.
In België, meer nog dan in andere Europese landen, wordt de ambtenarij al te veel gezien als een hefboom voor de tewerkstelling. Het is mede oorzaak van de hoge overheidsbestedingen, en verklaart deels waarom de belastingen hoger liggen dan in andere landen. In dergelijke omstandigheden is het niet verwonderlijk dat de maatschappij niet hoog oploopt met de prestaties van de administraties.
De realiteit van een dure en inefficiënte overheid wegwerken, zou een van de belangrijkste prioriteiten moeten zijn van elke regering. Maar de tegenkrachten zijn zo sterk dat zelfs nieuwkomers, zoals de N-VA, er niet in slagen om de wantoestanden weg te werken. Deels omwille van de weerstand van de traditionele partijen die hun ‘partijsoldaten’ willen beschermen, maar ook omwille van een gebrek aan durf om ‘nieuwe visies’ op tafel te leggen.
Maar dat  het statuut van de ambtenaren de oorzaak zou zijn van een gebrek aan efficiëntie werd nog door niemand bewezen.
Er is trouwens iets zeer onduidelijk aan het statuut van tijdelijke contractuelen: namelijk de tijdelijkheid. Ik zou niet graag de tijdelijke ambtenaren eten geven die hun ganse leven in de administratie blijven en zelfs in het vooruitzicht van hun pensioen overgeheveld worden naar het vast benoemd kader. 

Argumenten pro afschaffing


Het voornaamste aangehaalde argument voor de afschaffing, is dat dit statuut geen flexibiliteit toelaat en de staat opzadelt met meer mensen dan nodig is. Tijdelijke krachten kunnen na hun kortlopend contract afgedankt worden en bieden de overheid meer soepelheid om in te spelen op de wijzigende personeelsbehoeften. Dit nadeel is niet in elke administratie even voelbaar. Administraties waar er veel belastend werk (operationele opdrachten door militairen, politie en andere veiligheidspersoneel, …) moet geleverd worden, zullen sneller met een overschot aan ongeschikt vast benoemd personeel zitten, dan administraties met minder zware vereisten.
En dan zijn er uiteraard de hiervoor aangehaalde pijnpunten, kwalen waaronder de administraties lijden. Politisering, overdreven bescherming van het personeel, een conservatief en corporatistisch personeelsbeleid, … belemmeren dat de administraties efficiënter worden.

Argumenten contra afschaffing


Stabiliteit en continuïteit zijn belangrijke factor voor de efficiëntie van een bestuur. De opbouw en het behoud van kennis en ervaring wordt ook in elke privébedrijf gewaardeerd. Door de toenemende complexiteit – denk maar aan de stortvloed aan nieuwe wetgeving – kan een efficiënt beleid niet zonder deze gespecialiseerde kennis en permanente bijscholing. Denken dat men dezelfde kennis en efficiëntie kan bereiken met tijdelijk personeel (en het inherent groter verloop van medewerkers) is fout. Wie pleit voor tijdelijk personeel zal minder belang hechten aan de kwaliteit van de dienstverlening en zoekt vooral besparingen.
Het is evenmin denkbeeldig dat door de afschaffing van de werkzekerheid de politieke bescherming van de ambtenaar door (en zijn afhankelijkheid van) politieke partijen nog zal toenemen.

Alternatieve oplossingen


Het omvormen van de administraties is geen werk van korte adem. Het is een complex probleem dat best niet besmet wordt door populistische prietpraat over ‘ambetantenaren’.
Uit de voorgaande overwegingen en argumenten kunnen we toch iets leren. Namelijk dat efficiënte administraties slechts mogelijk zijn wanneer  men de pijnpunten durft aan te pakken. Dat kan door onder meer een goede mixt van vast benoemd personeel (dat de ruggengraat vormt) en tijdelijk personeel (dat de schommelingen inzake personeelsbehoeften moet opvangen) in te zetten. Maar er is meer nodig en mogelijk.
Mijn pleidooi voor meer flexibiliteit in ruil voor stabiliteit (vaste benoeming) heb ik reeds uitvoerig toegelicht in een bijdrage over defensie. Daarin pleit ik voor flexibiliteit door de muren tussen de administraties te slopen en het aanwerven van vast benoemde ambtenaren te koppelen aan de verplichting om beschikbaar te zijn voor meerdere publieke diensten. Mits deze vereiste contractueel te voorzien stelt deze oplossing geen enkel juridisch probleem. Wel is het nodig dat deze flexibiliteit geldt voor alle vast benoemde ambtenaren van hetzelfde niveau en bij voorkeur voor alle niveaus.
Bij wijze van voorbeeld zou defensie gemakkelijk duizenden goed opgeleide (maar te oude) militairen kunnen missen zonder dat de operationele capaciteiten aangetast worden. In tegendeel, door minder oud personeel te moeten betalen komt er meer budgettaire ruimte om jonger personeel aan te werven. En via dergelijke flexibiliteit kan dit ouder, maar daarom nog niet onbekwaam, personeel ingezet worden in andere administraties.
Mogen we hoopvol zijn, nu N-VA, de partij die pleit voor minder staat en meer efficiëntie, de minister levert die bevoegd is voor het ambtenarenbeleid?
Pjotr

12 augustus 2015

Het leed van rolstoelgebruikers



 

MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

Voor gehandicapten die effectief minder mobiel zijn of rolstoelgebruikers, is het een steeds weerkerende frustratie: volzette parkeerplaatsen. Hoog tijd voor een ingrijpende ommekeer in het parkeerbeleid voor gehandicapten.
Voor een goed begrip

Toen het Nederlandse dagblad De Telegraaf een artikel publiceerde met als titel “Belgen sjoemelen met invalide parkeerkaarten” kregen onze weinig kritische media opeens belangstelling voor dit al jarenlang aanslepend probleem. Stel u voor, sommigen – dat zijn er zo’n 200.000 - gebruiken parkeerkaarten van overledenen. Mentaal gehandicapten, inderdaad.
Maar even verder denken zat er ook bij onze politici niet in. Vincent Van Quickenborne, burgemeester van Kortrijk (Open Vld), had al direct een oplossing gevonden. Een waarvan vooral de leveranciers van dure scanners rijk zullen worden. Dat had ook de bevoegde staatssecretaris Elke Sleurs (N-VA) niet onmiddellijk door, want ze zou zijn voorstel meenemen in haar op stapel staande wijziging van haar beleid ter zake. Dat stemt mij als dagdagelijkse mantelzorger voor een rolstoelpatiënt helemaal niet hoopvol.
Parkeerplaatsen voor minder mobiele mensen zijn nodig om aan hun speciale behoeften te voldoen. De afstand tussen parkeerplaats en bestemming (openbare gebouwen, winkels, instellingen, …) beperken én de gehandicapte de mogelijkheid bieden om gemakkelijk in en uit te stappen. Vandaar dat deze parkeerplaatsen veel breder zijn dan de gewone plaatsen. Wanneer men deze kenmerken in aanmerking neemt, dan is het duidelijk dat de ‘bevoorrechte personen’ in eerste instantie mensen zijn die hun rolstoel naast de wagen moeten kunnen plaatsen. De werkelijkheid is echter dat de overgrote meerderheid van de ‘bevoorrechten’ deze brede parkeerplaatsen helemaal niet nodig hebben. En in de meeste gevallen zijn de ander parkeerplaatsen niet of hooguit enkele meters verder gelegen.

De oorzaken van het falend beleid


Wie een coherente oplossing wil voor het probleem van de parkeerkaarten moet alle problemen in kaart brengen. En dat is veel meer dan het misbruik van valide parkeerkaarten van overledenen.

Te weinig parkeerplaatsen voor gehandicapten
Sommige winkels voorzien op hun parking te weinig plaatsen al moet gezegd worden dat er een vooruitgang merkbaar is. Maar ook de overheid faalt soms door te weinig parkeerplaatsen voor gehandicapten te voorzien op publieke parkings aan winkelcentra. Eén parkeerplaats voor een Aldi (Middelkerke) is absoluut onvoldoende. Voor een Delhaize (Denderleeuw) zijn twee parkeerplaatsen al even onvoldoende. Men beseft wellicht nog niet dat recentelijk gehandicapten weggedrongen worden door de haastige klanten tijdens de piekuren en daarom meestal tijdens de daluren gaan winkelen. De daluren worden voor gehandicapten piekuren.
Is hiervoor een strengere regelgeving nodig? Neen, een beetje gezond verstand van de lokale autoriteiten en het (aanporren van het) eigenbelang van winkeliers zou moeten volstaan.
Even terzijde, het is een beetje vreemd dat in sommige steden parkeerplaatsen voor gehandicapten gratis zijn en in andere niet. Of steden zoals Aalst waar parkeren met een gehandicaptenkaart gratis is op elke plaats (behalve in afgesloten parkings).

Parkeerkaarten voor gehandicapten die wel nog mobiel zijn
Op basis van mijn dagelijkse ervaringen heb ik de stellige indruk dat er heel veel parkeerkaarten toegekend worden aan gehandicapten die eigenlijk geen speciale parkeerplaats nodig hebben. Waar ik ook kwam, rolstoelpatiënten zijn slechts een minderheid. Nochtans is het vooral voor hen bijzonder nuttig om een brede parkeerplaats te hebben, dicht bij de ingang van een winkel. Immers, het in- en uitstappen en de verplaatsing is voor hen tijdrovend en bij regenweer helemaal vervelend.
Dit probleem dient in elk geval grondig onderzocht te worden. Is er nood aan een verfijning door een rekening te houden met de graad van de beperking inzake mobiliteit?  In elk geval, wanneer men deze parkeerfaciliteiten gemakkelijk toekent moeten er veel meer parkeerplaatsen komen. Plaatsen die tijdens de piekuren ongebruikt blijven. 
Misbruik van geldige parkeerkaarten
Een veel voorkomend misbruik van geldige parkeerkaarten dat ergernis wekt wordt veroorzaakt door mentaal gehandicapten. Mensen die de geldige kaart van een minder mobiel familielid voor zichzelf gebruiken. Om dit moreel verval tegen te gaan volstaan geen controles maar een lik-op-stukbeleid. Het is mij al meermaals overkomen dat ik met vragen in de ogen kijk naar iemand die  gezwind uit de wagen stapt en dan een boze blik terugkrijg met een korzelige reactie ‘ja, ik heb een parkeerkaart’. Het overkwam mij zelfs dat een jong meisje zich parmantig parkeerde aan de ingang van een shopping centrum in Brussel en op mijn vraag waarom ze een parkeerplaats voor gehandicapten bezette, zonder verpinken verklaarde dat ze er werkte en geen tijd had om een gewone parkeerplaats te zoeken. Zelfs dreigen met politie was aan haar niet besteed.   
Maar ook dit probleem is niet altijd eenduidig. Het kan best zijn dat men de gehandicapte eerst afzet (bvb aan de ingang) om vervolgens de auto te parkeren op een parkeerplaats voor gehandicapten in de omgeving. 
Ongeldig gebruik van ‘verlopen’ parkeerkaarten
Het misbruiken van parkeerkaarten van overleden gehandicapten, zoals in De Telegraaf stond, komt ongetwijfeld voor, maar ik durf te betwijfelen of dat het meest voorkomende misbruik is. Emotioneel nieuws dat goed verkoopt, maar werd de omvang van dergelijk misbruik reeds onderzocht? Veel van die parkeerkaarten worden gewoon weggegooid omdat men de moeite niet doet om ze binnen te brengen. Ik kan zelfs, gezien de omstandigheden,  begrip opbrengen voor deze ‘luiheid’, zo lang ze maar niet meer gebruikt worden. Hiervoor de grote hamer boven halen is een al even emotionele reactie en getuigt niet van veel inzicht. Er zijn andere mogelijkheden om deze misbruiken te voorkomen.
Anders is het wanneer men een parkeerkaart gebruikt waarvan de geldigheidsperiode is overschreden. Maar ook dat is geen eenduidig verhaal. Het overkwam mij tijdens een routinecontrole van de politie die vaststelde dat de limietdatum overschreden was. Inderdaad, want hoewel ik een verlenging reeds meer dan zes weken voor de limietdatum had aangevraagd, was de nieuwe kaart nog altijd niet afgeleverd. Vervelend en zelfs pijnlijk voor een gehandicapte waarvan met zekerheid geweten is dat de handicap onomkeerbaar is. Het zou dus fout zijn om alleen maar ‘tijdelijke’ kaarten uit te delen om te vermijden dat er misbruiken zijn met parkeerkaarten van overleden gehandicapten.
 Parkeren zonder parkeerkaart
Voor de haastige, gestresseerde mensen is een lege parkeerplaats voor gehandicapten heel verleidelijk. Er is niemand en ik zal er niet lang gebruik van maken,  volstaat dan als excuus om deze plaats in te palmen. Vooral als de parking al aardig vol staat en men anders honderd meter zal moeten stappen.
Hier moet het beleid dringend maatregelen nemen om het moreel verval tegen te gaan. Uitzonderlijke controles en enkel een geldboete zal niet volstaan om dit maatschappelijk verval om te buigen.

Kordaat en maatschappelijk aanvaard beleid 


Staatssecretaris Elke Sleurs (N-VA) die bevoegd is om het falend beleid aan te pakken zal dus meer moeten doen dan enkel ervoor zorgen dat de parkeerkaarten van overleden gehandicapten niet langer kunnen gebruikt worden.
Laten we alvast zelf niet de fout maken om dé oplossing aan te bieden. Maar vanuit mijn dagdagelijkse ervaringen moet het wel mogelijk zijn om de krachtlijnen van een passend beleid aan te duiden. Daarom aandacht voor de achterliggende ideeën en argumenten voor een beleid dat vooral faalt wegens laksheid. Want ook het parkeerbeleid is aangetast door een veralgemeende maatschappelijke laksheid. Een gedogende overheid die de moed niet heeft om moreel verfoeilijk gedrag kordaat aan te pakken, en dan maar via dure technologische oplossingen vooral haar gebrek aan morele standaarden etaleert. Het kan anders. Het moet anders.

Essentiële vragen, eenvoudige oplossingen

Toekenning van de kaarten: de eerste vraag die de staatssecretaris moet beantwoorden, is wie er recht heeft op een parkeerkaart voor gehandicapten.
Hier stelt zich de verantwoordelijkheid van de medici. Blijkbaar onbetrouwbaar en dus voorziet men in een controleorgaan dat soms maanden nodig heeft om de aanvraag goed te keuren. Waarom individuele dokters en de Raad van Geneesheren niet voor hun verantwoordelijkheid stellen? Of tekenen ook zij voor onbetrouwbaar?
Tenslotte en eigenlijk de essentie: zou het niet aangewezen zijn om voorrang te geven aan personen die echt een brede parkeerplaats nodig hebben? Want met de toenemende stijging van de levensduur zal ook het aantal echte behoeftigen die niet zonder rolstoel kunnen, toenemen. Zorg dat zij die het werkelijk nodig hebben er ook gebruik van kunnen maken.
Een tweede vraag is hoe misbruik van parkeerkaarten kunnen voorkomen worden en desnoods voorzien kan worden in afschrikwekkende sancties.
Een eerste gratis maatregel is om de gebruikers te verplichten om de kaart op het dashboard te plaatsen met de foto zichtbaar voor controle. De grijnslach van misbruikers die nu de kaart  zonder zichtbare foto tonen, kan dan onmiddellijk ontmaskerd worden. En het zou getuigen van kordaatheid om hier niet opnieuw toe te geven aan een totaal misplaatste privacy die zich verzet tegen het tonen van een foto. Denk u dat er één werkelijk gehandicapte daar moeite mee heeft, wanneer iedereen zijn/haar handicap toch kan zien bij het uitstappen? Dat argument vind ik alvast totaal misplaatst, want het beschermt enkel de sjoemelaar. Stop dat gedoogbeleid.
Waarom de administratieve molen niet vereenvoudigen door de lokale besturen de middelen te geven om  soepel in te spelen op de echte noden. Stop nu eens met een foto te vragen (ook voor de identiteitskaart). Met een webcam die minder dan 50 euro kost kan elke gemeentebeambte een digitale foto maken die voor alle documenten kan gebruikt worden.
Als er één categorie is die absoluut behoefte heeft aan nabijheid van bestuur en dienstverlening, dan zijn het wel gehandicapten die meestal ook nog met andere problemen te kampen hebben.
En over de technologie kan ik alleen maar vaststellen dat de openbare diensten na decennia geklungel er blijkbaar nog altijd niet in geslaagd zijn om databanken te laten communiceren met elkaar. En dan wil Van Quickenborne scanners gebruiken. Waarom? Misschien kan hij ook eens vertellen hoe hij een kaart zal scannen achter een vuile ruit, met reflectie van het zonlicht en met een barcode die scheef ligt? Zeer dure 3D scanners: de aanbieders wrijven zich reeds in de handen. 
In elk geval is een efficiënt beheer van databanken met individuele informatie noodzakelijk om ook de situatie inzake parkeerkaarten te kunnen opvolgen. Hopelijk zal de inertie in dit domein geen drogreden zijn om enkel wat oppervlakkige correcties aan te brengen, waarvoor opnieuw de gehandicapte en zijn omgeving zal aangesproken worden.
Straffen die men voelt
Wie het moreel verval dat aan de basis ligt van de misbruiken wil tegengaan, zal uit een ander vaatje moeten tappen dan enkel maar geldboetes opleggen. Bij wijze van voorbeeld: Wie onterecht een parkeerplaats voor gehandicapten inneemt, zal het veel meer voelen wanneer hij/zij de auto moet in bewaring geven voor enkele dagen. Af te leveren aan het opgegeven depot en de bewaringskost zelf te betalen bij teruggave.
En voor de vaststelling van misbruiken van de kaart (vervaldatum, geen kaart, …) kan men onder andere de ijverige parkeerwachters gebruiken die nu ook al foto’s nemen, maar enkel voor wie geen parkeergeld betaalde. En ook de winkeliers zouden hierin een ontradende rol kunnen spelen.
Sta ik alleen met mijn overtuiging dat er een maatschappelijk draagvlak is voor kordaat bestuur, mits dat ook duidelijk te communiceren?
Pjotr

03 augustus 2015

Logis de France is onbetrouwbaar




 
Voor rolstoelpatiënten die op reis willen gaan volstaat het niet om in de folder van ‘Logis de France’ te zoeken naar hotels met het logo ‘kamer voor mindervaliden’. Zelfs een telefoontje naar het hotel volstaat niet altijd.

Uit eigen ervaring
Jarenlang gaan we met een groep vrienden op reis, maar de laatste vier jaar dienden we rekening te houden met een rolstoelgebruiker en dus werd het zoeken naar een hotel dat beschikt over kamers voor minder mobielen. Voor de overnachtingen tijdens de reis vonden we telkens geschikte kamers in de Ibis hotels. Een ruimere kamer met een goed aangepaste badkamer, inclusief inloopdouche met zitje. Voor één nacht volstaat dat ruimschoots.

Maar voor een vakantieverblijf is dit soort hotels niet geschikt. Daarvoor zoeken we een rustig gelegen hotel met tuin en zwembad en selecteren we meestal uit het aanbod van ‘Logis de France’. In hun jaarlijkse brochure en online staat bij elke hotel vermeld of het beschikt over kamers voor minder mobielen. Helaas is deze informatie onbetrouwbaar, zoals we uit eigen ervaring konden vaststellen.

Douche italienne
In het dorpje Trigance (Provence, Gorges du Verdon) is er het hotel ‘Le Vieil Amandier’ dat door Logis de France aangeprezen wordt met drie ‘schouwtjes’ (hotel) en drie ‘cocottes’  kookpotjes (restaurant). Gelegen aan de dorpsrand met een mooi panorama en een zwembad is het een prima hotelletje voor een weekje puur natuur. En in de brochure stond dat ze kamers voor mindervaliden hadden. Voor alle zekerheid had ik gebeld met de vraag of de kamer voor mindermobielen voorzien was van een ‘douche italienne’ (dat is de naam in Frankrijk voor een inloopdouche waar men dus met een rolstoel kan inrijden en beschikt over een zitje). Ja, was het antwoord en dus boekten wij de kamers.

Groot was onze ontgoocheling toen bleek dat deze kamer helemaal niet beschikte over een inloopdouche. Het was een gewone douchecel, zonder antislipvloerbekleding, zonder zitje en daarenboven kon de rolstoel niet tot tegen de deur rijden want het toilet stond in de weg. De lavabo? Daar kon de rolstoel onder maar de spiegel kwam niet laag genoeg zodat de rolstoelgebruiker zich diende te wassen zonder zichzelf te kunnen zien. Daarenboven was deze kamer gelegen aan de kant die uitzicht bood op een verticale rotswand. Voor gehandicapten moet dat volstaan?
Op de terugweg reserveerden we in het hotel ‘Le Val Moret’, eveneens drie schouwtjes en drie kookpotjes, te Magnant (regio Troyes). Een mooi hotel met een goed restaurant. Ook ditmaal telefoneerden we vooraf om zeker te zijn dat de kamer wel degelijk over een inloopdouche beschikte. En ook daar was het antwoord bevestigend. Helaas, bij aankomst bleek dat de kamer wel een inloopdouche had maar het toilet de toegang tot de douche versperde voor een rolstoel. Toen ik de hoteleigenares daarop attent maakte, mompelde deze iets als ‘oui, nous devons encore l’aménager’. Ja, maar ondertussen waren wij opnieuw bedrogen door de aankondiging in de Logis de France en door de hotelhouder. Leuk is anders.

Halve waarheden
Eind juli verbleef ik voor een fietsvakantie met vrienden in een hotelletje aan de Loire. Met maar één schouwtje (maar drie kookpotjes) mochten we ons aan niet veel verwachten. De ligging voor ons fietsprogramma was ditmaal doorslaggevend. Zowel op de brochure als op de webstek van ‘Auberge des Potiers’ te Jouy-le-Potier stond vermeld dat wifi gratis beschikbaar was. Ook dat was maar een halve waarheid, want ter plaatste bekende de eigenaar dat de kamers op de verdieping geen toegang hadden tot wifi. Daarvoor dienden ze op de binnenkoer ‘publiek’ in te loggen. Facetimen met de familie terwijl er anderen kunnen meeluisteren is geen leuke ervaring. Op zijn minst onvolledige en dus misleidende reclame met goedkeuring van Logis de France.

Over die drie kookpotjes valt er eveneens een en ander te vertellen. Wie in de brochure leest wat deze betekenen, is de conclusie voor dit hotel heel duidelijk: totaal onterecht.

Conclusie: de informatie van Logis de France is onbetrouwbaar en de eigenaars durven de potentiële klanten zelfs voorliegen.

Het kan gelukkig ook anders

Vanzelfsprekend zijn er heel wat hotels die wel correcte faciliteiten voor mindervaliden hebben. Zo waren we in hotel Robinson*** te Beaucaire (Provence), zeer tevreden met de ruime kamer met grote badkamer inclusief inloopdouche, aangepaste lavabo en met een steun voor het toilet. Dank zij de lift die groot genoeg was voor een rolstoel ook gemakkelijk bereikbaar op de eerste verdieping.
Nog beter was het in hotel ‘Auberge Bienvenue’ te Doué-la-Fontaine (Loirestreek). Een ruime prachtige kamer waar alles goed bereikbaar was voor een rolstoelpatiënt en een badkamer met aangepaste lavabo, toilet en douche. Daarenboven konden we in dit hotel vanuit de kamer via een brede deur rechtstreeks in de mooie tuin met half open zwembad, inclusief jetstream voor wie wil zwemmen zonder te moeten draaien in het kleine zwembad.

Net zoals het hotel in Jouy heeft het restaurant drie kookpotjes maar daarvoor kregen we wel een uitgebreid ontbijtbuffet in plaats van het klassieke Frans ontbijt. Het diner net zoals de aankleding van het restaurant en de bediening stond mijlenver boven het aanbod in Jouy-le-Potier. De ‘cocottes’ waren zeer terecht toegekend.
En om dit hotel helemaal aanbevelenswaardig te maken: de prijs half pension voor één persoon in een tweepersoonskamer met rechtstreekse toegang tot de tuin kostte 84 euro of nauwelijks zes euro meer dan in het spartaans hotel Auberge des Potiers.

Maar het hotel dat voor een rolstoelpatiënt de perfectie benadert vonden we in Utrecht. Hotel Mitland**** dat in het WE scherpe prijzen aanrekent is al aanbevelenswaardig wegens zijn ligging in een mooi park met grote waterplas. De badkamer was een juweeltje. Niet alleen aangepast voor rolstoelgebruikers, maar zowel de lavabo, de toiletsteunen, het toilet en het zitje in de inloopdouche waren regelbaar in hoogte zodat zowel kleine als grote gasten deze perfect konden gebruiken. Dat verdient een pluim en heel veel navolging!

Hallo Logis de France
Blijkbaar wil Logis de France niet veel investeren in de behandeling van klachten, want op mijn klachten kreeg ik nooit een reactie. Wellicht is ‘Logis’ enkel meertalig om klanten te lokken, niet om klachten te beantwoorden.

De fout is nochtans duidelijk: Logis de France doet onvoldoende inspanningen om de aangeboden faciliteiten te controleren.
En de hotels die kamers voor gehandicapten aanbieden zouden moeten verplicht worden om op hun webstek ook een duidelijke foto van deze faciliteit te publiceren. Vooral de inrichting van de badkamer is essentieel voor een rolstoelgebruiker.

Wie daar iets kan aan doen zal veel rolstoelgebruikers gelukkig maken.
Pierre 'Pjotr' Therie

 

05 juli 2015

Solidariteit geen medicijn tegen wanbeleid

MEDIA EN POLITIEK ANDERS GELEZEN
Sta ik alleen met de vaststelling dat de meningsverschillen tussen de EU-instellingen en de lidstaten stilaan onbeheersbaar worden? Een van de oorzaken is dat de echte bazen wel aan de knoppen draaien maar niet aan de tafel zitten.

Europese competitie verenigt niet



Dat de Europese droom bedoeld was om een interne oorlog onmogelijk te maken zal na WOII wel een wervende boodschap geweest zijn, maar in werkelijkheid ging het om economisch projecten. Dat moest zorgen voor welvaart maar ook voor competitie waarvan alleen de financiers en de ‘captains of industry’ profiteren.

Het begon met de EGKS (economische gemeenschap voor kolen en staal opgericht in 1952), die de economische heropbouw van Europa na de tweede wereldoorlog moest ondersteunen. Dan volgden andere organisaties. In 1958 werden EURATOM (Europese gemeenschap voor atoomenergie) en de EEG (Europese economische gemeenschap) opgericht. Deze laatste zou dan vervellen tot de EG (Europese gemeenschap en uiteindelijk in 2009 tot de huidige ‘Europese Unie’.

Uit deze feitelijke ontwikkeling blijkt duidelijk dat de breedgedragen vredesgedachte niets meer was dan een dekmantel voor de economische spelers. Zij die de echte macht bezitten. En hoewel dat helemaal niet tegenstrijdig hoefde te zijn, werd de Europese sociale dimensie veronachtzaamd. Meer zelfs, toen het nodig bleek om hun financiële belangen veilig te stellen verplichtten ze hun zetbazen (de Europese mandarijnen) om de sociale programma’s van de Natiestaten af te bouwen. Sommige lidstaten deden dat, anderen verhoogden enkel hun staatsschuld of vervalsten zoals Griekenland de boeken. Tot ook dat niet langer houdbaar was. Het schisma tussen de Europese macht en de democratie was een feit.

Dat had ook een ander gevolg: de lidstaten zagen in de EU instellingen een indringer die de eigen macht fnuikte. Zo werd het gemakkelijk voor de ‘machteloze’ lidstaten om de schuld op ‘Brussel’ te steken. Erger, de nationale sport in sommige landen om  zo weinig mogelijk belastingen te betalen en zo veel mogelijk te profiteren van de ‘anderen’ werd een Europese sport. En de Brusselse Sinterklazen deden niet liever dan geld rondstrooien. Zo ontstond de waanzinnige overtuiging dat schulden niet belangrijk zijn. Solidariteit werd de medicijn voor slecht bestuur. Tenslotte, mochten er ooit problemen zijn, was er nog altijd de EU om de problemen op te lossen. Zoals de aanpak van de actuele problemen maar al te duidelijk illustreren

Megalomane verblinding



De uitbreiding van de EU is een voorbeeld van hoe het niet moet. Europa zou één grote economische ruimte worden. Opnieuw dus enkel economie. Maar dat liep anders. De megalomane dromen van plattelandspolitici die zonder zich te bezondigen aan enige inzichten in de socio-economische verschillen binnen ons continent droomden van een Verenigde Staten van Europa. Een wereldmacht die aan de touwtjes van de wereldpolitiek zit en zich kon meten met andere grootmachten.

Daarom wilde men ook één munt. Als symbool van hun (politieke) macht en vooral het bewijs dat ze weigerden te zien hoe verschillend het economisch, fiscaal en sociaal weefsel was in de landen die ze tot de eurozone toelieten. Dat mocht allemaal geen probleem zijn voor hun droom. En ook vandaag  nog negeert men deze verschillen.

In hun zog creëerden de mandarijnen een zwaar betaalde Europese nomenclatura – politieke structuren – die zorgden dat ook politici en hun administraties gulzig konden mee profiteren van de ‘weldaden’ van de Europese instellingen. Al deze instellingen zorgen ervoor dat Europa, net zoals sommige lidstaten, een graaiton werd voor politici. Hiermee was de cirkel rond, want wanneer Europa zoveel politici aantrekt die op de terugweg zij en nog gauw gauw even willen grabbelen in de ton, zijn zelfs verkiezingen een maat voor niets. En het zijn niet de grote spelers die daarvoor betalen maar de belastingbetalers in de uitgeklede natiestaten.

Economie zonder solidariteit kan Europa niet redden



De EU-instellingen waren onmachtig toen de financiële crisis toesloeg. Maar hoe onvoorstelbaar het ook klinkt, deze crisis veroorzaakt door de geldhonger van de ‘haute finance’, heeft hen niet verzwakt, integendeel. De grootste slachtoffers zijn de gewone burgers, die via publieke gelden de putten moeten dempen. Is er een mooier bewijs voor wie ‘de broek’ draagt in deze wereld? Een regelmatig weerkerende vraag is of Griekenland niet kunstmatig in leven wordt gehouden door de Europese Central Bank omwille van de vele miljarden die EU banken zouden verliezen bij een crash.

De manier waarop de EU – commissievoorzitter Junckers op kop – de Griekse regering als kop van Jut bestempelen, zou kunnen gezien worden als een beschadigingsoperatie van al wie de wensen van de financiële wereld niet genegen is. Trouwens welke geloofwaardigheid heeft een commissievoorzitter die als voormalig premier van een land onder vuur ligt wegens onoorbare fiscale beslissingen? Getuigt het niet van enig misprijzen dat de premier van een land  dat zijn welvaart  voor een belangrijk deel te danken heeft aan fiscale fraude en een totaal gebrek aan solidariteit, door zijn partij aangeduid en verkozen werd tot commissievoorzitter? Wie kan hij en bij uitbreiding zijn partij de les spellen wanneer het gaat om burgerzin en maatschappelijk verantwoord beheer?

Maar de economie kan evenmin Griekenland redden. Daarvoor is de schuld van de Griekse bevolking zelf te groot. Decennialang hebben de Griekse regeringen hun verkiezingen gewonnen door geld uit te delen dat er niet was. Waarom zouden we nu moeten vergeten dat de Griekse bevolking daardoor zelf een grote schuld op zich geladen heeft. Het mag dan zijn dat Griekenland failliet is, er zijn ook heel veel Grieken die een aardig potje hebben opzij gezet en nu luidkeels Europa als hardvochtig bestempelen en een gebrek aan solidariteit verwijten. Je moet maar durven.

Elke vergelijking met België wordt bij deze gelogenstraft.

Pjotr