Posts tonen met het label Defensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Defensie. Alle posts tonen

05 maart 2016

Defensieminister zoekt steun voor F35

PIERRE THERIE – Het Algemeen Nederlands Verbond organiseerde samen met de Vlaamse vredesbeweging een conferentie met als thema: Veiligheid en defensie in tijden van terreur, een gedeelde bekommernis van de Nederlanden. Een analyse.

Inleiding

De conferentie over veiligheid en defensie die doorging in het prachtig kader van de Brabantse Golf te Steenokkerzeel op zaterdag 27 februari, mocht rekenen op de aanwezigheid van minister van Defensie Steven Vandeput en had als ‘key note’-spreker de Nederlandse professor aan de Militaire Academie, Frans Osinga, uitgenodigd. In een tweede deel werd de mening gevraagd aan panelleden[1] over specifieke onderwerpen. De klemtoon lag vooral op de vraag of een samenwerking met Nederland ook betekent dat wij moeten kiezen voor hetzelfde materieel. Zeer concreet ging het dus over de vraag of België ook moet kiezen voor de JSF/F-35A voor de vervanging van de F16 omdat Nederland in 2002 koos voor het JSF project. België weigerde toen mee te doen.
 
De visie van minister Steven Vandeput
De minister nam uitgebreid de tijd om zijn visie toe te lichten. Hij baseerde zich voor de toekomstvisie van onze defensie op de actuele bedreigingen voor Europa; samengevat: (1) De instabiliteit aan onze zuidergrens. De Noord-Afrikaanse landen én het Afrikaanse binnenland waarbij ook de dreiging uitgaande van massamigraties door de klimaatveranderingen. (2) Het Midden Oosten waar de burgeroorlogen zorgen voor de grote vluchtelingenstroom richting Europa en vooral de rijkere landen zoals de Nederlanden. (3) De toegenomen Russische agressiviteit aan onze Oostgrens die vooral gevoeld wordt in  Oekraïne, de Baltische staten en Polen. (4) De Noordergrens die door de opwarming van de aarde zorgt voor een toegenomen belangstelling voor de nieuwe economische mogelijkheden en spanningen veroorzaakt tussen de grensstaten, Rusland, Canada en de VS, en Noordelijk Europa. Zijn besluit: onze veiligheid en de solidariteit met onze internationale partners, EU en NAVO, vereist een bijkomende inspanning voor Defensie.
Voor de keuze van de geplande investeringen was de dominerende factor duidelijk de samenwerking met Nederland, meer bepaald een verdere uitbouw van de samenwerking, door van onderen uit (bottom up) nieuwe synergiën mogelijk te maken. De minister herhaalde dat hij geen voorkeur had voor een bepaalde opvolger, maar wees uitgebreid op de voordelen om voor hetzelfde vliegtuig te kiezen. Hij zocht duidelijk steun voor deze keuze door volgende vraag te richten tot het panel:
En dan komt de vraag voor het panel: Vindt u dergelijk doorgedreven integratie met Nederland voldoende belangrijk om hier in Vlaanderen een voortrekkersrol te spelen in functie van een aankoop van de F-35?
Na veel onderzoek in de afgelopen jaren heeft het panel unisono op uw vraag geantwoord als volgt: wij zijn een samenwerking met Nederland zeer genegen, maar wij willen niet dat u daarom uw imago van goed bestuurder zou overboord gooien.

Haast en spoed is zelden goed
Hoewel het panel jammer genoeg niet de voorziene spreektijd kreeg om alle argumenten te kunnen delen met het publiek, was hun conclusie inzake dit dossier éénduidig en niet mis te verstaan: de F35A is momenteel nog niet rijp genoeg. Ten vroegste vanaf 2020, zullen we hopelijk meer weten en een eventuele keuze voor dit vliegtuig zal pas dan kunnen overwogen worden. Meer over het aankoopdossier volgt in een afzonderlijk bericht.

Het is niet de bedoeling om hierbij alle argumenten aan te halen die leidden tot deze conclusie. Daarvoor verwijzen we u onder meer naar het dossier dat De Bron samenstelde en nog volgende berichten.
Maar naast deze argumenten zijn er andere elementen die meespelen bij de beoordeling. In de eerste plaats de politieke keuze voor een Leger van de Lage Landen, dat inderdaad zou gediend zijn met eenzelfde keuze. Er is ook de angst – zoals die verwoord werd door een gewezen kolonel van de Luchtmacht - dat de keuze uitstellen wel eens het einde van de Luchtmacht zou kunnen betekenen. Dat het corporatisme binnen defensie nog altijd heel erg leeft zal insiders niet verbazen.

Daar tegenover staat de kritiek, hier beperkt tot enkele voorbeelden:

-      Onze concrete vragen aan Lockheed Martin die ook na aandringen en zonder enige uitleg, niet beantwoord worden.

-      De dalende orders, waaronder deze door Nederland dat oorspronkelijk tachtig exemplaren zou kopen maar er uiteindelijk niet meer dan zevenendertig bestelde. Hiermee flirten ze met de noodzakelijke kritische massa en vooral Nederland zou wel eens heel veel operationeel én industrieel voordeel kunnen halen uit onze (dure) keuze voor de F35. Want ook voor hen zijn de operationele capaciteiten niet het enige argument.

-      De sterke aanwijzingen dat zelfs de Amerikaanse Luchtmacht (USAF) niet meer voluit kiest voor één enkel vliegtuigtype (F35) voor alle opdrachten.

Wat er ook van zij, voorzichtigheid is geboden. Daarenboven heeft de minister méér dan gelijk wanneer hij zegt dat het niet noodzakelijk is dat wij voor hetzelfde vliegtuig kiezen. Binnen de NAVO worden permanent gemeenschappelijke operaties uitgevoerd met verschillende vliegtuigtypes, en dat tot eenieders voldoening.
Daarenboven is het voor een ‘Leger van de Lage Landen’ belangrijk om over twee verschillende types te beschikken die mekaar kunnen ondersteunen. Immers, enkel zo krijgen we een grotere autonomie en zijn we minder afhankelijk van de VS. Niet onbelangrijk is dat voor de uitvoering van een belangrijke opdracht, de veiligheid van ons luchtruim, de inzet van een F35A véél te duur is. Kortom, de argumenten om te kunnen beschikken over méér dan één type en niet alle eieren in één mand te leggen, winnen voortdurend aan geloofwaardigheid en belang.

Er is vanzelfsprekend het regeerakkoord en de schrik van N-VA dat het uitstellen van een beslissing over de keuze van het vliegtuig de geloofwaardigheid zou aantasten. Men kan echter deze bekommernis ook omdraaien en stellen dat het de geloofwaardigheid inzake goed bestuur zal aantasten wanneer men beslist om een vliegtuig te kiezen dat nog niet eens operationeel is. Een kat in een zak kopen, alleen maar omdat het in het regeerakkoord staat, is geen goed idee. Welke ondernemer zou in dit stadium dergelijk groot investeringsrisico uit eigen zak durven financieren?
Blijft het gevaar dat een uitstel van beslissing ertoe zou leiden dat de volgende regering een ander besluit zou nemen. Welnu, indien de noodzaak voor de vervanging van de F16 niet eens een regeringswissel overleeft, dan is daar maar één verklaring voor: dat België een onland is dat niet eens verdient om over een degelijke defensie te beschikken. Ik blijf echter tot nader order overtuigd dat dit niet het geval zal zijn en dat bij deze bekommernis andere motieven spelen. Overigens is de vervanging van de F16 niet zo dringend als men ons wil doen geloven. Een uitstel van hooguit vier-vijf jaar is perfect mogelijk zonder risico’s te nemen. Hierover meer in een afzonderlijk bericht over het aankoopdossier.

De strategische rol van de Luchtmacht 
Professor Osinga ging uitgebreid in op de rol van het luchtwapen in een toekomstig conflict. Als gewezen piloot was het echter duidelijk dat hij hierbij vooral de positieve aspecten van het luchtwapen benadrukte.

Het klopt dat de technologische evolutie leidde tot meer effectiviteit, maar ook de prijs steeg navenant. De precisie die momenteel bereikt wordt met (geleide) precisiewapens is opmerkelijk en dat ongeacht of ze afgevuurd worden vanaf een luchtplatform, de marine of op land gestationeerde wapensystemen. Dat heeft ook te maken met de informatie die satellieten ons bezorgen. Tijdens een bezoek van het ‘Nato Defense College’ (NDC) aan het (Noord-Amerikaanse luchtverdediging) NORAD-hoofdkwartier in het Cheyenne Mountain Complex, toonde men ons een bout van ongeveer 15 cm lang en een foto van die bout genomen vanuit de ruimte. Indrukwekkend!
Over de F35 wees Osinga vooral op het belang van de combinatie ‘zien zonder gezien te worden’. En ja, zelfs als de stealth capaciteit niet elke ontdekking voorkomt en in de toekomst nog minder garanties biedt dan nu, blijft het moeilijker te ontdekken en dus een voordeel. Hij bevestigde daarmee echter ook wat andere specialisten reeds verklaarden: dat dergelijke stealth-vliegtuigen ontworpen zijn voor offensieve operaties diep in vijandelijk gebied. Welnu, ik zou graag de passage vinden in de visietekst voor defensie waarin deze opdracht vermeld staat.

Wat niet uit de toespraak van Osinga kon afgeleid worden, is dat het stealth-concept een negatieve invloed heeft op andere karakteristieken van het vliegtuig: De fuselage, de beschikbare bewapening en de aerodynamica. Een alleskunner, kan soms heel veel, maar excelleert meestal niet in elke omstandigheid en voor elke opdracht.
Zero Body Bags

Laten we even afstand nemen van de militair-technische aspecten en deze evolutie in een politiek kader plaatsen. In feite ligt het trauma van de Vietnamoorlog, met de enorme Amerikaanse verliezen, aan de basis van de ontwikkeling van een nieuwe strategie, die we best kunnen duiden met de slogan ‘Zero Body Bags’.
Wanneer vandaag de Luchtmacht, samen met andere stand-off wapensystemen zo ‘in trek’ zijn, dan heeft dat alles te maken met deze dwingende opgave: zo weinig mogelijk slachtoffers onder de eigen troepen. Maar is het wel realistisch om ook maar te denken dat er zoiets bestaat als een oorlog zonder doden? Dat willen de voorstanders van een sterke luchtmacht (inclusief ruimtewapens) ons doen geloven. Maar bewijzen aan de hand van voorbeelden kan men niet. In tegendeel, elke militaire interventie die zich beperkte tot dergelijke ‘veilige (luchtmacht) opdrachten’ bracht geen oplossing, wel meer chaos.

Maar er is meer: sinds de Vietnam oorlog zijn de VS en hun rijke partners nog nooit verwikkeld geweest in een oorlog met een serieuze tegenstander. Het bewijs: sinds dan zijn er slechts twee gevechtsvliegtuigen neergehaald door afweersystemen. Een ervan was dan nog een USAF ‘onzichtbare’ F117 Nighthawk die in Bosnië-Herzegovina ontdekt werd door een verouderd radarsysteem en vervolgens neergehaald werd met een grond-luchtraket.
Een ander aspect aan deze ‘fantastische’ evolutie heeft een ethische grondslag. Dat de rijke landen zich nu wapensystemen kunnen aanschaffen waartegen arme landen geen enkel verweer hebben, zorgde ervoor dat de kloof tussen de arme en rijke landen ook militair steeds groter werd. De toenemende frustraties en haat ten aanzien van deze ‘onoverwinnelijke vijanden’ duwde hen in de richting van wapens die ze zich wel kunnen permitteren: terroristen. Dat fenomeen is overigens niet nieuw. Een Australische vriend die indertijd dienst deed in Vietnam vertelde mij dat hijzelf een incident beleefde waarbij een kindje tot bij een politieagent ging en daar ‘aan een koordje trok’.

Het resultaat van deze evolutie is dat onze hoogtechnologische defensie nauwelijks nog doden veroorzaakt onder de militairen (België telde minder doden tijdens deze recente buitenlandse operaties dan er doden vielen tijdens grootscheepse maneuvers in Duitsland ten tijde van de Koude Oorlog). In elk geval zijn er veel minder militaire slachtoffers dan burgers die in een ‘Body Bag’ belandden na de aanslagen in New York, Londen, Madrid en Parijs. Om niet te spreken over de ontelbare burgerdoden in de hele onstabiele gordel die zich uitstrekt over Afrika, het Midden Oosten tot in het Verre Oosten. Het is een utopie te denken dat er zoiets als onoverwinnelijkheid zou kunnen bestaan. Gelukkig maar.

Ben ik dan een duif geworden? Neen, helemaal niet. Defensie heeft nood aan meer middelen. Maar het mag geen modernisering zijn waarbij het evenwicht tussen de behoefte aan ‘boots on the ground’ en ‘blingbling’ hightech-wapens scheefgetrokken wordt. Zonder morele herbewapening, inclusief het voorzien in een operationele reserve – waarmee ik voor alle duidelijkheid bedoel een vorm van verplichting voor niet-militairen om deel te nemen aan deze inspanning - is elke modernisering vooral een geschenk voor de wapenindustrie, niet voor de veiligheid en de vrede.

Tot zover mijn commentaar bij de toespraken van minister Vandeput en professor Osinga. 

Mag ik, zoals de minister tijdens zijn toespraak deed, ook een knuppel in het hoenderhok gooien en de minister volgende vraag stellen, ditmaal niet over geld maar over mensen: Vermits het leger veel jonge Vlamingen nodig heeft, waarom dan de kazernes in West- en Oost-Vlaanderen sluiten en alles concentreren in de provincie Limburg. Defensie is toch een heel-Vlaamse aangelegenheid?

Opmerkelijke standpunten van het Panel
De teksten van de panelleden zullen te lezen zijn op de webstek van het ANV. Hierna volgen enkel de meest uitgesproken verklaringen:

Professor Tom Sauer, vertegenwoordigde de Vlaamse vredesbeweging, en pleitte vooral voor de beëindiging van de Belgische deelname aan de nucleaire politiek van de NAVO. Opmerkelijk was toch wel dat hij eveneens de nood inzag van een verhoging van de middelen voor een conventionele krijgsmacht.
Generaal-majoor vlieger Karel Vervoort, steunde Sauer in zijn afwijzing van de nucleaire politiek van de VS. Hij putte daarvoor uit zijn rijke ervaring tijdens NAVO oefeningen waarbij de toenmalige Amerikaanse Opperbevelhebber voor een ‘selective release’, een 'beperkte nucleaire aanval' zijn akkoord gaf voor meer dan tweehonderd (!) nucleaire bommen. Als verklaring kreeg Vervoort alleen te horen dat het toch maar om een spelletje ging, een oefening. Tja. Voorts wees Vervoort op een aspect waar hijzelf heel veel ervaring mee heeft: humanitaire operaties in Afrika. Dat deze blijkbaar minder belangrijk geworden zijn vindt hij spijtig, want het voorkwam dat mensen hun streek ontvluchtten en de problemen zich verspreiden over nog meer landen en volkeren. Het publiek zag maar al te goed de link met de huidige situatie.

Ook wetenschapper Gerard De Beuckelaar sloot zich aan bij de afwijzing van de nucleaire politiek en hoewel hij voorstander is voor een hoger defensiebudget wees hij ook op de nood aan meer morele en culturele weerbaarheid. Zonder dat, hield hij het publiek voor, bewijst de geschiedenis dat culturen verdwijnen en dat zal ook het geval zijn met de ingedommelde Europese cultuur.
Daarna volgde nog een gesprek over het dossier ‘vervanging F16’. Omdat dit een complex dossier is, wordt dit deel van het panelgesprek opgenomen in een afzonderlijke bijdrage. We onthouden voorlopig dat zowel Vervoort als De Beuckelaer pleitten voor een uitstel en om pas een keuze voor de opvolger te maken in 2020 wanneer de F35A (en de allernieuwste update van de Gripen E/F) voldoende geëvolueerd is en we ten minste weten in welke mate de beloofde capaciteiten van de F35A ook gehaald zullen worden.

Tenslotte, danken de panelleden organisator Guido Naets, voorzitter ANV-Vlaanderen voor deze organisatie. Gemeten aan de reacties van de aanwezigen was het een succes.
Pierre Therie, moderator
Kolonel Stafbrevethouder o.r.
Gewezen defensieattatché

Pjotr, dwarwligger

   




[1] De panel leden waren: Gerard De Beuckelaer, gewezen senior-vice-president BASF, fysicus en docent aan MIT (Cambridge) en TU München. Tom Sauer, professor Internationale politiek UAntwerpen. Generaal-majoor vlieger Karel Vervoort, gewezen topman FLAG. Moderator, Pierre Therie, kolonel stafbrevethouder, gewezen defensieattaché.

02 februari 2016

Het investeringsplan van Defensie


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN

Op basis van de bekend geworden aankopen, vroegen we ons af of deze wel beantwoorden aan militaire behoeften dan wel aan politieke doelstellingen, en of deze keuzes wel zorgen voor de grootst mogelijk operationele capaciteitswinst.

Spreiding of concentratie der middelen

Er is een gulden regel, namelijk dat men de schaarse financiële middelen beter kan concentreren dan ze te versnipperen over meerdere behoeften/capaciteiten. In een vorige bijdrage over ‘De toekomst van de Krijgsmacht’ gingen we voor het bepalen van de ambities uit van drie mogelijke niveaus: (1) met het huidig budget defensie beperken tot humanitaire operaties, (2) met een budget van 1,5 % BBP kan defensie kiezen voor specialisatie. Tenslotte, (3) met een budget dat minstens 2% BBP bedraagt, kan men een autonome krijgsmacht uitbouwen.

Nu blijkt dat defensie in de toekomst zal mogen rekenen op ongeveer 1,3% BBP, inclusief investeringen, is het duidelijk dat dit te weinig is voor een autonome krijgsmacht en zelfs de specialisatie zal beperkt zijn. Dat is politiek gezien niet de gemakkelijkste situatie, want er moeten onderdelen van defensie afgebouwd of helemaal geschrapt worden.

Afgaande op de globale investeringsruimte van 9,2 miljard euro over 15 jaar, en een nogal gelijkmatige verdeling over de drie machten, Landmacht, Luchtmacht en Marine heeft men niet gekozen voor concentratie maar voor een spreiding over alle operationele componenten. Dat is wellicht de belangrijkste bemerking inzake het investeringsdossier. Immers, iedere specialist weet dat het onmogelijk is om binnen het voorziene budget volwaardige capaciteiten uit te bouwen te land, in de lucht en ter zee. Daarbij komt dan nog een investering van ongeveer 600 miljoen euro voor de deels nieuwe opdracht inzake cyber-beveiliging.

Hoewel geen voldoende alternatief voor de versnippering op het hoogste niveau, kan het helpen om ten minste binnen de drie operationele componenten een concentratie van de schaarse middelen na te streven. Daarom een analyse van de vooropgestelde investeringskeuzes per krijgsmachtdeel.
De juiste militaire keuze?

Grondstrijdkrachten

Voor de grondstrijdkrachten zijn er enkele aankopen waarbij bedenkingen kunnen gemaakt worden:
(1)  mobiele 155mm-precisie-artillerie met een radar om vijandelijke vuren te lokaliseren en
(2)  de mogelijkheid om ook een raketafweersysteem (PATRIOT) aan te kopen mits een verschuiving binnen het toegekende budget.
(3)  Mobiele brugslagmiddelen
Dat er geïnvesteerd wordt in communicatiesystemen te velde is zonder meer positief.

De aankoop van nieuwe houwitsers zal echter enige militaire specialist verbazen. Zelfs al worden ze veel nauwkeuriger dan de al lang afgedankte houwitser 155 mm, dan nog blijft het een wapensysteem dat inzake concept voorbijgestreefd is en enkel nog dienstig kan zijn in een klassieke langdurige grondoorlog. Een oorlog waarvoor we onvoldoende grondtroepen hebben en al helemaal geen operationele reserve. Het moderne alternatief dat zich ongetwijfeld zeer snel zal aanbieden zijn gewapende drones, die trouwens ook op het aankooplijstje staan, maar in eerste instantie dienen voor het opsporen van informatie. Deze aankoop lijkt mij daarom niet te beantwoorden aan de ‘juiste middelen’ en is wellicht bedoeld om de artillerie, met als basis Brasschaat, overeind te houden.  
De eventuele aankoop van een antiraketsysteem PATRIOT past wel in de opdracht voor de verdediging van het nationaal luchtruim en is door de mobiliteit van het systeem ook inzetbaar in andere operatiezones. Gewezen topdiplomaat Mark Geleyn pleit in een artikel op deredactie.be voor dergelijke capaciteit, waarbij hij specifieert dat het gaat om een statisch en dus zuiver defensief systeem voor de verdediging van het eigen grondgebied en de bevolking. Het is natuurlijk zeer de vraag of België gezien zijn geografische ligging in de ‘eerste vuurlijn’ ligt van een raketbedreiging. Het lijkt mij dus vooral nodig om een aanvullend systeem te hebben dat autonoom kan functioneren en tussenkomen wanneer de NAVO-eerstelijnsafweer doorbroken werd.

De keuze voor een weliswaar beproefd maar toch verouderd PATRIOT-systeem lijkt dus niet de ‘juiste keuze’ te zijn. Voor een aankoop die gepland is de toekomst (10 à 15 jaar) lijkt een betere keuze een moderner systeem, bij voorbeeld het Israëlische systeem, en geen tweedehandse PATRIOT waar eventueel de Nederlanders beter van zouden worden (tweedehandsaankoop van een van hun systemen).
De mobiele brugslagmiddelen waren ooit een belangrijk onderdeel van de gevechtsgenie. Belangrijk om gevechtstroepen die hetzij voor de aanval of een georganiseerde terugtocht over bressen (al of niet gevuld met water) moesten die niet te nemen waren zonder hulpmiddelen. Maar net zoals de houwitsers 155 mm zijn dit systemen die passen in een klassieke grondoorlog. En dus herhalen we hier ook dezelfde bemerking: Een oorlog waarvoor we onvoldoende grondtroepen hebben en al helemaal geen operationele reserve. De vraag is dus of de mobiliteitssteun inderdaad zo belangrijk is, en of de prioriteit niet beter zou gaan naar méér gevechtseenheden.
 
Verder zijn er nog vier (4) reeds aangekochte helikopters NH90 waarvan we ons moeten afvragen of dit aantal niet onder de kritische massa ligt en in elk geval nauwelijks bijkomende operationele capaciteit produceert.
De vermelding van een ‘Homeguard’ die moet helpen bij binnenlandse calamiteiten (rampen en bewaking) is nog weinig zeggend en zal wellicht pas veel later uitgewerkt worden. Als er nog centen over zijn.
De conclusie voor de grondstrijdkrachten lijkt dan ook dat er niet gekozen werd voor een concentratie van de schaarse middelen maar dat deze versnipperd werden over verschillende capaciteiten, behalve de belangrijkste: het aantal ‘boots on the ground’.

Luchtstrijdkrachten

Voor de luchtstrijdkrachten speelt de erfenis uit het verleden een belangrijke beperkende rol. Er is de openstaande factuur voor de zeer dure Airbus A400M die oorspronkelijk bedoeld was als vervanger voor de C130, hét werkpaard voor tactische luchttransport. Maar de A400M heeft helemaal niet dezelfde tactische capaciteiten, al kan hij wel meer vracht verder vervoeren. Het inzetten van dit type voor ‘air-to-air-refueling’ is zonder meer een zeer positieve aanwending die bijdraagt tot een hogere capaciteit van de gevechtsvliegtuigen, en waaraan in de NAVO een tekort is. 
In tegenstelling tot de landmacht worden de middelen voor de luchtmacht wel heel sterk geconcentreerd, ook door het opgeven van andere niet-operationele capaciteiten.
De grote onbekende blijft echter de keuze van de opvolger van de F-16. En opnieuw  speelt het verleden hierbij een niet onbelangrijke rol. Dat de F-16 ooit moeten vervangen worden is evident. Maar hoe dringend deze vervanging is kon niemand tot nog toe op basis van militair-technische argumenten aantonen.
Wanneer we kijken naar de voorgeschiedenis dan was de belangrijkste beslissing indertijd om niet mee te doen aan de ontwikkeling van een totaal nieuw vliegtuig, de JSF/F-35 van Lockheed Martin. Daardoor heeft België, in tegenstelling met de landen die wel mee deden waaronder Nederland, nog een keuzemogelijkheid. Maar reeds tijdens de vorige legislatuur met Pieter De Crem (CD&V) als defensieminister werden de eerste stappen gezet in de procedure voor de vervanging van de F-16 en het is een publiek geheim dat zowel de Luchtmachtstaf als de minister persoonlijk voorstander waren van de F-35A.
Wie de interne keuken van defensie een beetje kent weet dat dergelijke dure  aankoopdossiers ook intern heel kritisch worden bekeken. Het is dus heel belangrijk dat op het moment dat zo’n dossier ‘rijp’ is om op tafel te leggen, de luchtmacht baas is. We herinneren ons de discussie tussen De Crem en de toenmalige Chef van de defensiestaf (CHOD), Landmachtgeneraal Charles Henri Delcourt, die uiteindelijk leidde tot zijn ontslag begin 2012. Waarom het niet boterde zal wel meer dan één reden hebben, en ja, Delcourt was inderdaad niet de ‘soepelste’ onder de generaals. Maar integer was hij wel en hij zou nooit meegegaan zijn in een besluitvorming - waarvoor hij als CHOD mee verantwoordelijkheid draagt – die niet goed zou zijn voor de Krijgsmacht. Wat er ook van zij, De Crem benutte (ondanks het lange partijpolitieke gekibbel) deze gelegenheid om Luchtmachtgeneraal Gerard Van Caelenberge te benoemen tot nieuwe CHOD voor de duur van vier jaar, dus tot midden 2016. Is dat een reden waarom de vervanging van de F-16 nog dit jaar moet geregeld worden?

Bij de keuze van de kandidaten die gemaakt werd vooraleer Steven Vandeput, N-VA, minister werd, is er slechts één opmerkelijke ontbrekende: de nieuwste versie van de F-16. De uitleg hiervoor is dat de productie op zijn einde loopt en omdat andere NAVO-landen ook de F-16 vervangen. We komen hier verder op terug.
In de eerste documenten is er sprake van een ‘dual role’ capaciteit (zowel conventionele als nucleaire bewapening). Ondertussen weten we dat deze vereiste zowel de Rafale (Dassault) als de Jas 39 E/F Gripen (Saab) uitsluit. Anderzijds wil de Luchtmacht (BAF) eigenaar zijn van de IT-source code. Hoewel politiek niet aanvaardbaar is het volgens IT-specialisten maar best dat onze ‘specialisten’ daar met hun vingers van af blijven. In elk geval is de vrijgave van deze code een onverteerbare eis voor de Amerikaanse regering die juridisch als verkoper van de F35A optreedt. Rekening houdend met deze twee beperkingen blijft er momenteel géén enkele kandidaat over, wat nogal vervelend is. Maar we mogen aannemen dat de F18 Super Hornet van Boeing eventueel wel een dual role capaciteit zou kunnen bekomen.

Vergaten we de kandidatuur van de Eurofighter Typhoon van het Duits-Frans-Brits consortium? Neen, want hoewel deze kandidaat op papier uitstekende eigenschappen heeft, hoorden we geen enkele specialist pleiten voor dit toestel. De lage operationele beschikbaarheid van de Duitse Luchtmacht die de Eurofighter gebruikt, zal er niet vreemd aan zijn.

In de bijdrage over het politiek jaar 2016 verwijs ik voor de keuze van de opvolger van de F-16 naar een belangrijke bijkomende moeilijkheid: het risico dat deze regering een premature keuze maakt. Omdat we binnen de eerstkomende tien jaar - dus nog voor of net na de eerste levering – een supersnelle evolutie zullen meemaken voor alle op IT-gebaseerde wapensystemen. Zowel vliegtuigen als raketsystemen, radar en sensor fusion, stealth en anti-stealth technologie, … 
Goed om weten is alvast dat ook luchtmacht specialisten niet langer overtuigd zijn van een langdurige suprematie van dit ‘vijfde generatie’ vliegtuig. Wie hierover meer wil weten kan terecht op De Bron of lees even dit artikel en dit artikel van David Archibald.
Goed om weten is dat Lockheed Martin ondertussen een uitstekende nieuwe versie van de F-16 produceert, die duidelijk veel goedkoper is in aankoop en werking. Maar dat ze deze versie niet graag verkopen omdat het alle hens aan dek is om hun zeer duur paradepaardje, de F35, in voldoende aantallen te kunnen slijten.
Maar wat zal Lockheed doen wanneer generaal Christopher Bogdan, verantwoordelijke  voor het Joint Strike Fighter project, zoals aangekondigd, in december2016, moet rapporteren aan de Amerikaanse regering dat de vooropgestelde capaciteiten niet allemaal gehaald kunnen worden? Dat de systeemprijs wegens tegenvallende verkoopcijfers niet kan dalen waardoor het budget voor de USAF naar omhoog moet of de bestelling naar omlaag. Dat de onderhoudskosten niet meer samendrukbaar zijn waardoor het gebruik zoveel zal kosten dat ‘kleine’ luchtmachten zoals de Nederlandse en de Belgische (zelfs samen) zich daar letterlijk en figuurlijk blauw aan zullen betalen. Dat ze, volgens Nederlandse gewezen gevechtspiloten, wegens de te geringe periodieke beschikbaarheid (momenteel slechts één vlucht om de drie en een halve dag) niet eens in staat kunnen zijn om de piloten en het grondpersoneel voldoende ervaring te laten opdoen. Wie deze onzekerheden durft te negeren speelt hoog spel!
Zijn drones en onbemande vliegtuigen op termijn een alternatief? Wat we alvast weten is dat Boeing nu al naarstig werkt aan een onbemande versie van de F-16, de QF-16 die als sparringpartner voor bemande gevechtsvliegtuigen dient. De stap naar andere opdrachten is niet meer zo groot. Vergeten we vooral de UCAV gevechtsdrones, niet. De Boeing X-45 (eerste vlucht 22 mei 2002) en Northrop-Grumman X-47 Pegasus zijn daar voorbeelden van.

Het grote drama van het JSF project is dat het door de grote vertraging in de ontwikkeling (als gevolg van te hoge eisen, vooral inzake ‘stealth’ en IT) niet enkel moet opboksen tegen de nieuwste versies gevechtsvliegtuigen van de Russen en de Chinezen, maar ook tegen de onvermijdelijke doorbraak van drones én onbemande vliegtuigen, en van technologie die de LO (low observability) compromitteert zoals IRST en L-Band radars op gevechtstoestellen. De kans is reëel dat binnen enkele jaren de ‘stealth’ capaciteit waardeloos zal zijn. Nog voor de F35 in operationele aantallen beschikbaar is.
Hoe raar het vandaag in de oren klinkt, binnen afzienbare tijd zal een vliegtuig besturen, even gemakkelijk zo niet gemakkelijker zijn vanop afstand dan met een piloot in de cockpit. Vandaag rijden er metro’s en treinen zonder bestuurder, morgen hoeft de autobestuurder enkel nog de automatische piloot aan te zetten; het is enkel wachten op de infrastructuuraanpassingen. Zo zal het ook in de militaire vliegtuigwereld evolueren.
De cruciale vraag in het dossier over de vervanging van de F-16 is dus hoeveel tijd we hebben om te beslissen over de opvolging. Maken pakweg vijf jaar later beslissen militair zoveel uit? De limiet van 8.000 vlieguren voor onze F-16, zoals defensie antwoordde op een parlementaire vraag (3april 2015) is na recente testen uitgevoerd door Lockheed Martin op US F-16, verlengd tot minimum 12.000 vlieguren. Na eigen onderzoek konden wij, voor wat betreft de materiaalmoeheid, geen relevante verschillen vaststellen tussen de geteste US F-16 types en de Belgische types, waardoor ook onze F-16 langer luchtwaardig zijn dan het antwoord op de parlementaire vraag als limiet stelt. We zijn dus zeer benieuwd of defensie onze argumenten kan tegenspreken.
Conclusie: rekening houdend met de schrapping van bepaalde activiteiten (witte vliegtuigen) worden voor de luchtmacht de middelen wel geconcentreerd aangewend. Enkel een niet-transparante premature besluitvorming zou zeer controversieel kunnen worden.
De Marine
Voor de Marine dient elke investering geëvalueerd te worden in het kader van de nauwe samenwerking met Nederland. Hoewel ook een zogenaamde BENE-vloot nog geen grote ambities kan hebben wegens het beperkte budget, kan hier voluit gekozen worden voor het fusioneren van alle middelen in één Marine. Dat de Nederlandse defensiechef uitgenodigd werd om in het federaal parlement zijn visie te geven over de samenwerking is dus zinvol. Maar het was wel verbazend dat hij gebruik maakte van deze gelegenheid om, zij het niet expliciet, te pleiten voor de F-35 en aan te dringen op de aankoop van fregatten. Dergelijke betutteling lijkt mij in het kader van een samenwerking ongepast en doet mij eerder denken aan marktkramers die hun eigen centjes aan het tellen zijn.
 Het gros van de investeringsmiddelen voor de Marine gaan naar de aankoop van twee fregatten en zes nieuwe mijnenbestrijdingsschepen (elk één miljard euro). Voor de inzet van de NH90 helikopters op de nieuwe fregatten is zeventig miljoen voorzien. Rest nog zowat dertig miljoen voor territoriale nevenactiviteiten.

Is de opsplitsing van het budget over twee capaciteiten een goede zaak? Geen mens die daar een duidelijk antwoord kan op geven. Maar er is wel één relevante vraag: hoe vooruitziend is de aankoop van fregatten?

Wij begrijpen best dat de Marine ook een ‘blue-water’ (de hoge zee) capaciteit wil hebben om te kunnen meedoen met de grote jongens. Maar zowel te land als in de lucht wordt het platform steeds minder belangrijk naarmate de stand-off bewapening die ze kunnen inzetten niet langer verplicht om te opereren in vijandelijk gebied.
Laat de Marine nu net hét onderdeel zijn met de grootst mogelijke ‘power projection’ capaciteit tegen een lage prijs. Een prijs die dank zij de evolutie van de wapensystemen (drones) zelfs een ‘kleine’ Marine kan betalen. Een goedkoop platform dat waar ook ter wereld kan opereren, met een ‘blue water’-capaciteit en beschikt over een raketinstallatie voor lange afstandsraketten en  een dek heeft dat groot genoeg is voor het lanceren en opvangen van drones (voor verkenning en met bewapening). Zelfs de luchtmacht is niet in staat om op een goedkopere manier zoveel vuurkracht wereldwijd te projecteren. Daarom mijn oproep: mogen we een beetje ambitieuzer zijn? Zou dergelijk schip de BENE-vloot niet veel autonomer én efficiënter maken? Is dat niet veel vooruitziender dan nog maar eens een fregat kopen?
Bij wijze van voorbeeld, stel u voor dat wij beschikten over dergelijk schip in de Middellandse zee tijdens de gevechten in Libië. Dat wij er verkenningsdrones hadden kunnen uitsturen die fungeerden als doelmarkeerders voor bewapende drones, die de gemerkte vijandelijke doelen uitschakelden. Gisteren in Libië, morgen indien nodig elders.
De juiste politieke keuze?

Een eerste antwoord is eenvoudig, politieke keuzes zijn niet te vatten in juist of fout. Waar we wel kunnen naar kijken is hoe de verschillende politieke partijen denken over defensie en of ze een politiek project hebben.
In Vlaanderen wordt een versterking van de defensiecapaciteiten meer gecontesteerd dan in Franstalig België. Dat heeft niet alleen te maken met de Vlaamse vredesbeweging maar vooral met de grotere aanwezigheid van de wapenindustrie in Brussel (hoofdzetels) en Wallonië. Tegenstanders zijn vooral sp.a en Groen. Sp.a houdt trouwens aan defensie een flinke kater over door de Agusta-affaire waarbij België met beschaamde kaken moest toezien hoe sp.a coryfee, Willy Claes, diende op te stappen als secretaris-generaal van de NAVO. Maar ook Open VLD lag tot nog toe dwars wanneer het erop aankwam meer centen uit te geven voor defensie. De partij heeft ook weinig voeling met dit departement gezien de laatste liberale defensieminister François – Xavier De Donnéa (MR) al dateert van 1985-1988. Daarvoor was er Alfred Vreven (VLD), 1981-1985, die wegens de obussenaffaire maar ternauwernood (door verjaring) ontsnapte aan een gerechtelijke vervolging.
CD&V, die veel defensieministers leverde was eigenlijk (maar duidelijk minder) in het zelfde bedje ziek als de PS: defensie was vooral een zaak van tewerkstelling. Met Leo Delcroix (CD&V) werd de legerdienst opgeschort (‘Wetstratees’ voor afgeschaft) en werd meteen ook elke operationele reserve overboord gegooid. Het ‘vredesdivident’ op het einde van de Koude Oorlog heeft niet alleen defensie intern grondig dooreengeschud, de directe band met de bevolking werd doorgeknipt en het (partij)politieke belang van en het budget voor defensie daalde navenant. Er was hooguit nog enige beroering wanneer een of ander schandaal aan het licht kwam. Wat bij defensie echter niet zo dikwijls het geval is.

Met N-VA, een nieuwe rechtse politieke partij die meer wil investeren in veiligheid en erin slaagde om een investeringsbudget van meer dan negen miljard los te peuteren, is er een nieuwe speler aan bod. Maar tegelijk heeft deze partij helemaal geen voeling met dit departement, tenzij lokaal of provinciaal, en kan ze binnen de Krijgsmacht niet op veel sympathie rekenen. Dat vergroot de afhankelijkheid van externe ‘raadgevers’ en bemoeilijkt uiteraard de juiste keuze.
Maar ze heeft wel een politieke visie op defensie en dat is ook een vernieuwing die kan tellen: Het Leger van de Lage Landen, zo staat het duidelijk op de webstek van de partij. Of Wallonië daar nog bij hoort is niet zo duidelijk maar het is wel een Leger waar Vlamingen en Nederlanders hun eigen taal kunnen spreken en de Franstaligen minder macht zullen hebben. Gedaan dus met de invloed van de PS en de politieke inmenging die tot absurde situaties leidde tijdens de periode dat PS-er André Flahaut defensieminister was.
Gezien de huidige defensieminister tot de N-VA behoort, is de visie van deze partij meer dan ooit belangrijk. Centraal staat de samenwerking met Nederland en precies dit element zou wel eens zeer belangrijk kunnen zijn voor de politieke investeringskeuzes. Daarom zullen we in een volgende bijdrage dieper in gaan op hun visie, een Leger van de Lage Landen.

Pierre 'Pjotr' Therie,  Kolonel stafbrevethouder o.r.,  Member NATO Defense College, Gewezen defensieattaché
dwarsligger (om op het rechte spoor te blijven)

25 oktober 2015

Is vervanging F16 dringend?

MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN

PIERRE THERIE -In een opmerkelijke bijdrage pleit professor Herman Matthijs voor een snelle politieke keuze van de opvolger voor de F16. Anders zal het ons duur te staan komen. Hierbij gaat hij echter kort door de bocht.

 


Herman Matthijs, bron: actua.tv

Professor Herman Matthijs (UGent en VUB) is niet de eerste de beste. Op zijn lijstje met specialisaties staan onder meer, politiek VS, begroting, dotaties, Rekenhof, geheime diensten, overheidsadministratie, Verenigde Staten, overheidsbegrotingen en inlichtingendienst.

Een indrukwekkende lijst ‘kennis’ waardoor het niet anders kan dan dat elke minder onderlegde defensieminister met ontzag naar zo iemand luistert. Toch even zijn laatste advies aan de regering, waarin hij aandringt op een spoedige beslissing, analyseren. Want, zo niet dreigt volgens de professor een zware politiek-diplomatieke factuur.

Kopen of niet?

Economisch argument

Zijn eerste argument om de F16 wel te vervangen is dat we bij niet vervanging ook de bijhorende compensaties kwijt zijn en dat is nefast voor de hoog technologische industrie. Hier spreekt duidelijk niet de wetenschapper maar de lobbyist die militair materieel als een economische noodzaak rekent voor enkele Belgische, vooral Franstalige, wapenproducenten.
Nochtans zijn er andere alternatieven. Geert Noels, ondernemer en macro-econoom, pleit (eveneens) als raadgever van de defensieminister voor het overslaan van deze vervanging en stelt voor om de niet uitgegeven budgetten te besteden aan de markt van de toekomst: hoog technologische onbemande vliegtuigen (drones) waar er wel nog heel wat te ontwikkelen valt en de spin-off vele malen groter is, ook voor niet-militair gebruik.

Verdediging luchtruim
Matthijs vraagt zich af wie het Belgisch luchtruim zal verdedigen als we de F16 niet vervangen. En inderdaad het Belgisch luchtruim verdedigen is een essentiële opdracht voor defensie. Maar of dat impliceert dat we daarvoor dringend de F16 moeten vervangen is nog maar de vraag. Er zijn immers niet enkel vliegtuigen die in staat zijn om ons piepklein nationaal luchtruim te beschermen in oorlogstijd. Trouwens de meest voorkomende opdrachten zijn politionele taken: het begeleiden van burgervliegtuigen die meestal per vergissing of wegens het uitvallen van de verbinding zonder toestemming in ons luchtruim vliegen. Is daarvoor een gevechtsvliegtuig van de vijfde generatie nodig?

Welke dringendheid?
Uit het antwoord op een schriftelijke parlementaire vraag over de dringendheid van de vervanging van de F16 gesteld door de voorzitter van de Commissie Defensie, Karolien Grosemans (N-VA), blijkt dat er maar één argument is waarom de F16 moet vervangen worden: de (theoretische) limiet voor de F16 is 8.000 vlieguren, waarna  de luchtwaardigheid niet meer kan gegarandeerd worden.

In het antwoord staat ook dat (1) er geen specifieke technische problemen zijn waardoor de F16 dringend moet vervangen worden en (2) dat er geen studies zijn over het gebruik van de F16 vliegtuigen eenmaal ze de 8.000 vlieguren bereikt hebben. Met andere woorden ook officieel zijn er geen exclusieve argumenten die elk verder gebruik verbieden. De argumenten lijken meer ingegeven door economische dan wel technische argumenten. Voor zover wij weten werden de maximale vluchturen ook al overschreden zonder dat daar brokken van kwamen.
Overigens is de grens van 8.000 vlieguren ook afhankelijk van hoe intensief men de F16 in de nabije toekomst inzet. We stellen vast dat slechts de laatste jaren - heel toevallig? – de F16 gevechtsvliegtuigen actief werden ingezet tijdens buitenlande opdrachten, in Afghanistan, Libië en Irak. Defensie is sinds de periode van minister Pieter De Crem als het ware de hoogdringendheid van de vervanging zelf aan het creëren. Mochten we, rekening houdend met het budgettaire korset waarin defensie zit, wat zuiniger zijn en ons tijdelijk beperken tot de essentiële taak – de beveiliging van ons luchtruim – dan zou de tijdslimiet van zelf verschoven worden. En nieuw zou dergelijke periodieke onthouding niet zijn. Dat was alvast het advies van Jens Franssen, een andere raadgever van de minister.

Mocht er dan toch een probleem ontstaan en een deel van de bestaande vloot F16 dringend moet vervangen worden, is er nog altijd de mogelijkheid om tweedehands F16 van een recentere versie te kopen. De Amerikaanse luchtmacht heeft er in overtal en zal blij zijn deze te kunnen leveren.

Keuzecriteria

In zijn bijdrage weerhoudt Matthijs volgende criteria: de aankoopprijs, de economische compensaties, wat de industriële knowhow ten goede komt alsook de tewerkstelling, en de werkingskosten.

Welke opdrachten weerhouden worden, het relatieve belang van bepaalde deelcapaciteiten, zoals steun aan grondtroepen (Close Air support, CAS), zijn niet aan de orde. Alleen de nucleaire capaciteit vermeldt hij als ‘een apart vraagstuk’.

Laten we het even over die nucleaire capaciteit hebben. Wanneer we de VS volgen is het eenvoudig; dan blijven er slechts twee  kandidaten in de running, de F18 Super Hornet van Boeiing en de F 35 van Lockheed Martin. Maar is dit wel een zwartwit verhaal zoals het steevast wordt voorgesteld? Ter herinnering, de basisidee om de nucleaire wapens op te slaan in alle lidstaten van de NAVO, was solidariteit. Een solidaire blootstelling aan een eventuele Russische vergelding. Welnu, hier kan ook aan voldaan worden door deze nucleaire wapens hier te laten, maar de inzet ervan – wat volgens experten al sinds de wederzijdse destructieve capaciteit achterhaald is – over te laten aan de eigenaar, de VS, of andere NAVO-leden. Politiek gezien zou deze oplossing zelfs kunnen rekenen op een groter politiek en maatschappelijk draagvlak vermits alle Vlaamse politieke partijen het eens zijn om deze nucleaire capaciteit op termijn te bannen. Alleen ‘wanneer’ zorgt nog voor enige discussie.

Laten we nu even Matthijs zijn financiële analyse bekijken. De aankoopprijs is voor elk van de vliegtuigen niet zo veel verschillend, beweert hij. Dat klopt slechts ten dele. De Rafale is inderdaad ook zeer duur in aanschaf, maar de F18 Super Hornet van Boeiing en de Zweedse Gripen zijn volgens de beschikbare informatie beduidend goedkoper in aankoop en nog veel meer in gebruik en onderhoud. Misschien kan Matthijs als financieel expert eens de juiste cijfers geven om zijn stelling te bewijzen.

Voor de werkingskosten verwijst hij naar het belang van het aantal ‘verkochte’ vliegtuigen, omdat de update-kosten (een deel van de werkingskosten) dalen voor een groter aantal. Dat is een duidelijk pleidooi voor de F35 waarvan het orderboekje volgens Matthijs reeds gevuld is met drieduizend exemplaren, terwijl van de andere vliegtuigtypes slechts een vijfhonderd hooguit zevenhonderd bestaan. Hiermee vergelijkt Matthijs echter operationele vliegtuigen met de verhoopte verkoopcijfers van een vliegtuig in ontwikkeling, en dat is niet erg netjes. De werkelijkheid vandaag is dat er van de F35 ook maar een paar honderd gebouwd werden en er nu reeds diverse updates nodig zijn voor deze vliegtuigen operationeel zullen zijn. Daarenboven, blijft de vraag hoe betrouwbaar deze verkoopcijfers zijn in het licht van de voortdurende daling van de orders, zowel voor de eigen VS klanten als voor partnerlanden waaronder Nederland. En de reden voor deze daling kennen we: de veel hogere aankoopprijs dan initieel beloofd.

Maar erger nog is dat Matthijs niet zegt dat de totale werkingskosten (die veel belangrijker zijn dan de kosten voor de updates)  nog helemaal niet gekend zijn en volgens de laatste berichten van de leidinggevende dienst (Joint Program Office, JPO) er nog veel verbeteringen nodig zijn om deze te doen dalen tot een redelijk niveau. In een eerdere bijdrage verwees ik naar de kost voor tewerkstelling en onderhoud (Operating & Support Cost) in 2010, namelijk meer dan 8 miljoen dollar of ongeveer 7 miljoen euro per jaar per vliegtuig. En dat in de veronderstelling dat de VS het voorziene aantal ook koopt. Wanneer we echter die vliegtuigen alleen maar gebruiken voor het nationaal defilé en de verdediging van ons luchtruim, zal de kost veel lager liggen. Maar net dat zou wel eens kunnen tegenvallen, want in een luchtgevecht (‘dogfight’) zijn ze niet beter dan de vierde-generatie-vliegtuigen.

De kandidaten

In de officiële lijst van weerhouden kandidaten is er geen sprake van de F16 C/D block 50/52 die Matthijs als eerste citeert. Waarom dit type dan citeren? Het wordt helemaal bizar wanneer hij het meteen ook afschrijft wegens niet meer gebouwd na 2020. Weet Matthijs dan niet dat momenteel de meest gesofistikeerde F16 van het type E/F block 60 is waarmee de Verenigde Arabische Emiraten VAE dagelijks missies boven Irak uitvoeren? “De hypermoderne gevechtsjager vliegt aanzienlijk verder, heeft een krachtigere motor, een hypermoderne radar en meer geavanceerde technologie,” is te lezen in de Volkskrant.
Een andere bron verwijst naar een communiqué van Lockheed Martin: “The company completed the maiden flight of its F-16V Viper on Oct. 16, according to an Oct. 21 statement. This marks the first time an F-16 has flown with Northrop Grumman’s advanced APG-83 active electronically scanned array (AESA) radar, which will deliver “a quantum leap in capability” for the plane.” En verder “The Viper’s advanced avionics configuration also includes a new cockpit Center Pedestal Display; a modernized mission computer; a high-capacity Ethernet data bus; and several other mission system enhancements, according to the statement.”  

Het ziet er naar uit dat professor Matthijs (en de defensiestaf) een beetje te snel tot de conclusie kwam dat de recentere F16 versies geen aanvaardbare kandidaten zijn.
De tweede kandidaat, de Zweedse Gripen (Saab) krijgt evenmin veel waardering en, zo merkt hij op, zelfs de buren Noorwegen en Finland kozen niet voor de Gripen. Tja, de Belgische buren kiezen ook niet allemaal voor de F35. Over de keuze van Noorwegen doen er, weliswaar onbevestigde, verhalen van chantage de ronde en lijkt zelfs dat rijke land zijn bestelling naar beneden te willen herzien.

Trouwens het NAVO argument (Zweden is geen lid) kan moeilijk gezien worden als een obstakel vermits er al twee NAVO landen kozen voor de Gripen, Tsjechië en Hongarije, naast Zwitserland, Zuid Afrika en Brazilië. In elk geval is het niet gefundeerd om dit vliegtuig af te serveren op basis van technische criteria. Het heeft zelfs voordelen ten opzichte van de F35, zoals Gerard De Beuckelaer vaststelde in een wetenschappelijk onderbouwde bijdrage.
Over de andere kandidaten, wordt enkel het aantal bestelde - beschikbare toestellen vermeld en de landen die ze in gebruik hebben: de Eurofighter van Airbus, de Rafale van Dassault en de F-18 Super Hornet van Boeing. Zouden dat geen volwaardige kandidaten zijn voor Matthijs? Dat hij niet eens de juiste benaming ervan kent, ‘Rafale’ en niet ‘Rafael’ en ‘Super Hornet’ ipv ‘Hornet’, is geen teken van geloofwaardigheid.

Volgt als laatste, de F-35 van Lockheed Martin, ditmaal zonder vermelding van de bestaande operationele vloot, die gelijk is aan NUL volledig operationele vliegtuigen, enkel het orderboekje. Vergeten is ook het feit dat het aantal orders reeds gedaald is van zo’n vierduizend naar drieduizend exemplaren. Belangrijk steuntje krijgt deze kandidaat wel van Matthijs: “vele NAVO-landen hebben hier al voor gekozen, namelijk: de VS, Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Turkije, Italië en ook Nederland.
Matthijs is niet de enige die zijn voorkeur laat blijken. Uit het antwoord op de hiervoor aangehaalde parlementaire vraag stond er één belangrijk zinnetje dat wellicht weinigen is opgevallen. Onder de argumenten om de F16 snel te vervangen lazen we dat ook “de actuele maturiteit van de vervangingsmarkt” ingeroepen wordt als argument. Voor wie het niet duidelijk is, het énige vliegtuig dat inderdaad nog in ontwikkeling is en althans volgens de vliegtuigbouwer binnenkort ‘matuur’ zal zijn, is de F35. Men moet dus niet van kwade wil zijn om hierin een omfloerste keuze te zien van defensie voor de F35. En vermits parlementaire vragen worden beantwoord door de minister, zou het goed zijn mocht de minister zelf hieromtrent duidelijkheid verschaffen. In afwachting kan het geen kwaad om even het rapport te lezen van de hoorzitting in de Amerikaanse senaat waar de verantwoordelijke van programma Generaal Bogdan (chef Joint Program Office) weinig positief nieuws te melden had. Daarover meer in een afzonderlijk bericht.

Communautaire keuze?

Er zijn ongetwijfeld goede redenen om ook delen van defensie af te stemmen op de noden van de respectievelijke gewesten, maar zijn voorstel – hopelijk slechts een ballonnetje – om voor Wallonië 25 Franse Rafale vliegtuigen te kopen voor Florennes, en de Vlamingen te laten kiezen voor een ander vliegtuigtype met als basis  Kleine Brogel/Peer is te gek voor woorden. Voor Vlaanderen kan het enkel de F35 zijn, want hij schrijft ook: “Een dergelijke koop bindt de Belgische militaire politiek aan Frankrijk. Dan blazen we ook de bruggen op voor een Benelux-samenwerking.” Samenwerken met Nederland betekent voor hem impliciet hetzelfde vliegtuig kopen. Ook dat is geen absolute vereiste, maar wel opnieuw een politiekgeïnspireerd pleidooi voor de F35. Immers, het gaat niet over de nood aan hetzelfde materieel maar om de interoperabiliteit van verscheidene capaciteiten. Dat is de werkelijke troef en geen hinderpaal zoals alle recente buitenlandse operaties bewezen.

Over aantallen gesproken: blijkbaar beseft niemand hoe belangrijk het aantal vliegtuigen is. Een Nederlandse piloot en voorstander van de F35 gaf toe dat met de 37 bestelde vliegtuigen F35A er slecht VIER vliegtuigen permanent beschikbaar zullen zijn. Reken zelf maar eens uit wat dat betekent voor een versnippering in België. Overigens zou men deze overweging best niet naast zich neerleggen wanneer men in plaats van vijfendertig F35A vliegtuigen zowat zestig Gripen zou kunnen beschikken (alle kosten in overweging genomen).
Over de keuze van Nederland hoeven wij ons geen zorgen te maken. Maar het is wel goed om weten dat ze hun initieel aantal flink hebben moeten verlagen, wegens te duur. Dat Nederland als partnerland economische voordelen geniet klopt, maar het mag ook gezegd worden dat voor deze opdrachten het grootste werk (bekabeling) wordt uitgevoerd in Turkije. Overigens wordt erkend dat het globale pakket aan compensaties nauwelijks meer werk zal genereren. Wat dus betekent dat enkel sommigen in de wapenindustrie er wel bij varen.

Besparingen

Matthijs sluit af met een pleidooi om het budget van defensie te verhogen en verwijst naar andere Europese landen, waaronder Frankrijk (onder de socialistische president Hollande) en Nederland die hun budget ook verhoogden. Het zou inderdaad wijs zijn om eerst te weten over hoeveel geld defensie zal beschikken in de komende decennia, want dan moet de factuur voor de vervanger van de F16 betaald worden.

Verder heeft hij zijn twijfels over het blijvend engagement van de VS: “Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt een belangrijk deel van de Europese veiligheid betaald door de Amerikanen en het is maar de vraag of de 45ste president van de VS daartoe nog bereid zal zijn.” Wanneer mijn geheugen mij niet in de steek laat werd de VS steun telkens in vraag gesteld wanneer er belangrijke aankoopdossiers op de tafel lagen en de VS hun materieel wilden verkopen. Eenmaal van de baan mocht elk land zoals België opnieuw in slaap vallen. Waarom zou het nu anders zijn? Ik meen dus dat de onderdanige houding van professor Matthijs niet terecht is: “Anders zal de politiek-diplomatieke factuur gepresenteerd worden aan het federale koninkrijk België.” Et alors? Misschien ergens een postje minder?

Maar mocht het waar zijn dat Europa minder belangrijk wordt voor de VS, en ze ons zelf laten opdraaien voor onze veiligheid, zou het dan niet verstandig zijn om Europees te kopen? Zeker als men beseft dat wij voor het optimaal gebruik van alle (o.a. sensor fusion) capaciteiten van de F35 volledig afhankelijk blijven van de Amerikaanse luchtmacht.

Conclusie

In tegenstelling tot professor Matthijs pleit ik net voor meer geduld. Vooral wanneer men wil kiezen voor een vliegtuig dat nog steeds onvoldoende matuur  is, misschien nooit ten volle zal worden, maar niettemin veelbelovend is.

PJOTR

28 april 2015

Bart De Wever en Etienne Vermeersch over legerdienst




MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN




Voorafgaande opmerking:
Naar aanleiding van mijn brief aan John Crombez kreeg ik een reactie die ik u niet wil onthouden: Pieter Knapen; baas van de Raad voor de Journalistiek (RvdJ) liet mij weten dat ik in mijn brief aan John Crombez ons gesprek over de geloofwaardigheid van de media verkeerd weergaf. Ik schreef : "dat de RvdJ zeer bekommerd is over de geringe geloofwaardigheid van de media." Volgens Knapen zou hij dat niet gezegd hebben maar wel "dat de Raad voor de Journalistiek en ikzelf uiteraard groot belang hechten aan de geloofwaardigheid van de media." 

Hiermee toont meneer Knapen opnieuw aan dat de RvdJ heel gevoelig is voor mogelijke kritiek vanwege zijn opdrachtgevers die uiteraard niet willen geweten hebben dat de media weinig betrouwbaar zijn. Een onwelkome waarheid.

________________________________
 
 Het hoogstaand debat over nationaliteitsbeleving tussen Bart De Wever en Etienne Vermeersch (Canvas) leerde veel over de noodzaak aan burgerschap/burgerzin. Ik vroeg hen of een legerdienst daar ook bij hoort.
 
Wat Bart De Wever en Etienne Vermeersch denken over de legerdienst is vooral interessant wanneer we hun mening kaderen in een globale analyse. Daarom deze poging om het personeelsbeleid van defensie te beoordelen als een onderdeel van hun gedeelde visie over burgerschap en burgerzin.
 
Defensie is toe aan een grondige evaluatie en minister Vandeput (N-VA) heeft de opdracht om een blauwdruk voor de toekomst te schrijven. Een van de aandachtspunten zal ongetwijfeld de personeelsproblematiek zijn. Het was een gelegenheid om – zij het ongevraagd – via een reeks artikels enkele aanbevelingen te doen; onder meer over het personeel. Deze bijdrage hoort bij deze reeks.

Gemeenschapszin


 

Het debat tussen De Wever en Vermeersch ging uiteraard veel breder dan defensie. Ondanks al die hooggestemde overwegingen kunnen we echter niet anders dan vaststellen dat de gemeenschapszin tegen een hoog tempo afbrokkelt en elke individuele inspanning afgewenteld wordt op ‘de overheid’. Er ontwikkelde zich een geloof in de zaligmakende staat en tegelijk groeide de nood aan een efficiëntere staat, wegens onbetaalbaar. Maar dat is slechts een surrogaat voor de solidariteit die we gelukkig nog wel terugvinden bij de vele vrijwilligers die zich inzetten in diverse organisaties en vrijwillig doen wat politici niet meer durven eisen van iedereen.
 
Wanneer we dus een vraag stellen over de legerdienst, dan staat deze vraag en de antwoorden erop ook voor een veel omvangrijker maatschappelijk fenomeen.

 

Het antwoord van N-VA voorzitter Bart De Wever

 

Hoewel een legerdienst zeker een gemeenschapsvormend aspect in zich draagt, ben ik geen voorstander van een herinvoering van de dienstplicht.
 
Allereerst uit financiële overwegingen. Het Belgische leger heeft de laatste decennia geleden onder een enorme besparingsdrift. Een dergelijke capaciteitsverhoging kan het momenteel niet aan. Bovendien werd de legerdienst toentertijd door Leo Delcroix ook afgeschaft omwille van die budgettaire meerkost. Al speelde het einde van de Koude Oorlog ook een rol.
 
Maar vooral: wij hebben nood aan een professioneel leger dat klein en wendbaar is, maar zeer goed uitgerust en onmiddellijk inzetbaar. Willen wij onze internationale slagkracht verhogen en de binnenlandse veiligheid garanderen, hebben wij nood aan gemotiveerde, professionele militairen die hun vak kennen en een bijzondere expertise hebben.

 

Het antwoord van professor Em. Vermeersch

 

In een wereld waar zinvolle wensen werkelijkheid worden, zou ik het heel positief vinden mochten alle jonge mensen m/v opgeroepen worden om gedurende een bepaalde periode, van een half tot een geheel jaar een burgerdienst te verrichten. Een gedeelte van dat contingent zou een militaire opleiding kunnen krijgen en een ander gedeelte (o.m. de ‘gewetensbezwaarden’) een andere dienst op het vlak van gezondheidszorg en andere zinvolle bijdragen tot het maatschappelijk leven.
 
Ik zeg ‘in een ideale wereld’ omdat ik vrees dat een dergelijk project in de huidige context niet meer politiek (zeg maar ‘electoraal’) haalbaar is. Ikzelf heb 15 maanden legerdienst gedaan als brancardier en tijdelijk verpleger in het militair hospitaal. Ik heb daar heel veel geleerd. Ik denk dat de meeste jonge mensen dat niet meer zien zitten.
 
Denk bv. aan de mensen die niet gaan stemmen en zelfs aan degenen die - eenmaal in hun leven – weigeren te zetelen in een stemlokaal. Niets belet echter die gedachte nu en dan te verspreiden in de hoop dat er ooit een kentering komt.

De omgekeerde wereld


 

Kijkend naar de evolutie van de gewapende conflicten waar ook Belgische militairen aan deelnamen, kunnen we alleen maar vaststellen dat de rol van niet-militairen in deze conflicten crescendo gaat. In bepaalde bloedige conflicten staat de wereld zelfs helemaal op zijn kop: burgers die mekaar met alle mogelijke wapens naar het leven staan en militairen die proberen de gemoederen te bedaren om de vrede al of niet gewapenderhand te herstellen. Militairen die gebonden zijn door de Conventie van Geneve (het oorlogsrecht), maar wel blootgesteld worden aan de niets en niemand ontziende brutale verkrachting van diezelfde regels door gewapende burgers en huurlingenbenden. De genocide in Rwanda waar onze Para’s onmachtig dienden toe te kijken, was zo’n verschrikkelijke ervaring.
 
Tegenover wereldwijd verspreide conflicten waar iedereen soldaat is, staat een moreel ontwapend West-Europa (dat geldt nog niet in dezelfde mate voor de ex-Warchaupact landen) waar niemand nog soldaat wil zijn. Aan de ene kant een leger van jonge vrijwilligers die van heide en verre komen om voor hun godsdienst te vechten. Aan de andere kant ons groot gebrek aan burgerschap/burgerzin waar zowel De Wever als Vermeersch nochtans belang aan hechten.
 
Oh ja, we hebben nog gemotiveerde vrijwilligers om universele waarden te verdedigen: de vrijwilligers van Artsen zonder Grenzen, van het Rode Kruis, van de talrijke niet-gouvernementele organisaties die soms met meer moed dan kennis een rol spelen in bloedige burgeroorlogen. Maar toen de krijgsmacht opdracht kreeg om naar Somalië te trekken had men zelfs moeite om voldoende (beroeps)militaire geneesheren te vinden die ‘wilden meegaan’. Wat dacht u wel: ze konden niet gemist worden in het ziekenhuis waar ze, ondanks hun volle wedde als militair geneesheer, het grootste deel van hun tijd werkten.
 
Maar toegegeven, voor jongeren zoals Bart De Wever, die het soldatenleven niet zelf beleefden, zijn dergelijke overwegingen misschien oubollig. Het klinkt eigentijdser om onze veiligheid uit te besteden aan een gespecialiseerde firma. Zo lang het maar niet te veel kost.
 
We sturen de militairen wel nog naar conflictengebieden, zolang ze onze pret niet bederven op de Kortrijkse Paasfoor, de Antwerpse Sinksenfoor of de Gentse Feesten. ‘Ze’ worden er goed voor betaald en dat mag volstaan. Trouwens, zonder dit manna zou snel blijken dat bij velen ook hun enthousiasme en burgerzin niet volstaan. En dat is terecht, want het zijn tenslotte ‘onze jongens’ niet meer. Misschien zou het nog efficiënter zijn om onze defensie gewoon uit te besteden aan een privéfirma, zodat we zelfs geen bodybags meer hoeven te vrezen, hooguit werkongevallen. En nu we toch aan de toekomst denken, waarom geen resultaatsverbintenis eisen, no cure, no pay? De realiteit kan soms zo cynisch zijn.

 

Strategische keuzes


 

Na de publicatie van een artikel over de keuze tussen legerdienst en ‘civil servants’ - waarin ik opteer voor een oplossing met ‘civil servants’ - kreeg ik enkele reacties die het grote belang van een legerdienst voor de persoonlijke ontwikkeling en het gemeenschapsgevoel benadrukken. Ook in de antwoorden van De Wever en Vermeersch valt het op dat dit aspect niet onbelangrijk is. Maar in de zakelijke aanpak van De Wever weegt dat voordeel duidelijk minder zwaar.
 
Men mag beweren dat de herinvoering van de legerdienst electoraal niet meer haalbaar is, het tegendeel is evenmin bewezen. Tegenover de gelatenheid van Vermeersch staat de dadendrang van De Wever die kiest voor een andere weg en dat ook duidelijk zegt. Over die visie kan en moet het debat gaan. Maar dit valt buiten het bestek van dit artikel. Daarvoor verwijzen we naar het dossier op De Bron
 
Het is evident dat een veralgemeende legerdienst zeer duur is. Het past al helemaal niet in de strategische keuze van het Westen (de VS) die vooral gericht is op minder bodybags. De inspanningen van de wapenindustrie focussen op technologische wapens die direct vijandelijk contact moeten voorkomen; het risico maximaal verminderen. Informatie verzamelen (meestal door eigen of gehuurde burgers) en uitschakelen van de doelwitten van op een veilige afstand, zijn de belangrijkste nagestreefde capaciteiten geworden voor het leger van de toekomst. Tot de potentiële tegenstanders evenwaardige capaciteiten ontwikkeld hebben, waarna de wapenwedloop een volgend rondje kan draaien.

Vrede als streefdoel voor de toekomst van defensie


 

Bij deze evolutie waar ook N-VA voor kiest, zijn echter twee bedenkingen te maken:
 
De dominantie van de partij die zonder zelf gevaar te lopen de tegenstander kan uitschakelen zorgt voor een enorme frustratie en zet aan tot al even ‘lafhartige’ acties: terreur door onherkenbare daders tegen onschuldigen. Daar kan zelfs het best uitgeruste leger niet tegen op. Nochtans zou de VS uit het Vietnam-debacle kunnen geleerd hebben dat een overmacht aan ‘gunpower’ niet volstond om de Vietcong-guerilla klein te krijgen. Daarenboven zit er een contradictie in deze evolutie: terwijl het minder riskant wordt voor militairen neemt het gevaar voor burgerslachtoffers (door terreur) zelfs in eigen land toe.
 
Laat mij een voorbeeld geven van hoe belangrijk een moedig militair optreden kan zijn: Onze Para’s die in het zuiden van Somalië (regio Kismayo) patrouille liepen, droegen bij momenten zelfs geen scherfwerende vest. Uit gesprekken met ‘wise elders’ (gerespecteerde ouderen) bleek dat precies dit moedig gedrag van onze para’s zorgde voor respect en minder agressie. In Mogadishu echter, waar de Amerikanen alom tegenwoordig waren werkte hun zware bewapening en allerhande beschermingsmaatregelen als een rode lap op een stier. De les die ik er leerde: Een overmacht aan wapengekletter schrikt af maar veroorzaakt tegelijk meer agressiviteit. Is het niet die wereldwijde demonstratie van hun absolute militaire dominantie die zorgt voor grote agressiviteit ten aanzien van de VS? Zal de frustratie en de terreur afnemen door deze evolutie of net niet?
 
Eveneens in Somalië stelden de Amerikanen voor om een tot ‘gunship’ omgebouwd C130 vliegtuig in te zetten in onze sector. Na een interne bespreking werd een tegenvoorstel gedaan: in plaats van raids waarna ze terug verdwenen stelden we voor om een detachement permanent ter beschikking te stellen. Einde verhaal.
 
Tijdens een toespraak in het Pentagon voor studenten van het NAVO Defensie College in 1994 verklaarde de toenmalige ‘Voorzitter van de Chef Staven’, Generaal David Shalikashvili dat na de brutale moord op een helikopterbemanning in Mogadishu de VS maar één optie meer hadden: overal de absolute overmacht hebben. Desnoods een compagnie op elk kruispunt.
 
De tweede bedenking is moeilijker te omschrijven. In conflicten zoals we die de laatste tijd kennen moet elke militaire inzet niet noodzakelijk gericht zijn op het behalen van een tactische overwinning, maar afgemeten worden aan het nut voor het bereiken van het uiteindelijk doel: vrede. En dat doel wordt niet noodzakelijk sneller en gemakkelijker bereikt door hypergesofistikeerde wapens en ‘zero bodybags’. Het zou daarom gepast zijn om in het debat over de toekomst van defensie eveneens te discussiëren over vredesopbouwende capaciteiten.
 
Daar is ongetwijfeld een rol weggelegd voor burgers om samen met gewapende militairen datgene te doen wat helaas alle Westerse legers tot op heden al te zeer nalieten te doen. Hun snelle kortstondige interventies met heel veel machtsvertoon maar zonder een exit strategie zorgen meestal alleen voor chaos nadien en in sommige gevallen voor nog meer ellende dan voordien. Kunnen we in een democratisch debat over defensie ook daarover praten? Kunnen deze gecombineerde capaciteiten de vredesactivisten verzoenen met een degelijke militaire organisatie, die het uiteindelijk strategisch streefdoel niet opoffert voor een tactische overwinning? Laat staan voor de grootheidswaan van militaire strategen en de belangen van het militair-industrieel complex.
 
Pjotr