Posts tonen met het label Sturtewagen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sturtewagen. Alle posts tonen

01 december 2015

Staat Parijs haaks op confederalisme?


MEDIA EN POLITIEK ANDERS GELEZEN

‘Parijse bom onder N-VA-model’, schrijft Bart Sturtewagen in De Standaard (27/11). Zijn conclusie: ‘Onze buurlanden geloven niet meer dat de verwaseming van België onschadelijk is.’
Met als subtitel ‘BOEIENDE TIJDEN - IN PARIJS HEEFT HET CONFEDERALISME EEN KLAP GEKREGEN’ maakt Bart Sturtewagen zijn boodschap meteen heel duidelijk. Bart De Wever kan maar best zijn confederale dromen opbergen. Wanneer een hoofdredacteur zoiets schrijft mag men veronderstellen dat hij daar goede argumenten voor heeft. Tijd voor een inhoudelijke commentaar.
Een opiniërend hoofdredacteur
Er is iets contradictorisch aan het gebruik van de titel ‘opiniërend hoofdredacteur’. Van een hoofdredacteur (van een ‘kwaliteitskrant’) mogen we verwachten dat hij de journalistieke deontologie ter harte neemt en zorgt voor deugdelijke informatie, onderbouwd en zonder voorrang te geven aan de eigen mening. Een opinie daarentegen is niets anders dan de expressie van de eigen mening. Dat een hoofdredacteur die geacht wordt de kwaliteit te bewaken tegelijk zijn eigen mening kond doet, is eigenlijk not done. Wanneer hij dan toch zijn titel van ‘hoofdredacteur’ gebruikt, dan legt hij de reputatie van zijn krant in de weegschaal.
Geloof als argument
In de inleiding staat te lezen: Onze buurlanden geloven niet meer dat de verwaseming van België onschadelijk is. De law-and-orderpartij N-VA krijgt het daardoor moeilijker om haar staatsmodel te verkopen’ zegt Bart Sturtewagen.’
De vraag die ik mij dan stel: wie zijn die gelovigen die niet meer geloven in de onschadelijkheid van de ‘verwaseming’ – hiermee verwijzend naar een oude expliciete uitspraak van N-VA voorzitter De Wever? Zijn er onderzoeken gedaan die dat bewijzen of kletst Sturtewagen uit zijn nek? Misschien bedoelde hij met ‘onze buurlanden’ alleen maar de journalisten die uitpakten met populistische titels die België een ‘failed state’ noemen. Mochten deze uitspraken van weldenkende Vlamingen komen, dan zou hun conclusie net het tegenovergestelde zijn van wat Sturtewagen hier wil bewijzen. Voor hem hebben de aanslagen in Parijs bewezen dat een confederale versnippering van de centrale macht fout is. Er moet integendeel méér centrale macht komen.
Confederalisme staat geen sterk centraal gezag in de weg
Sturtewagen: ‘De Vlaamse politieke wereld weet zich gesteund door elke afstandelijke waarnemer in het buitenland als het gaat over de hopeloze versnippering van de macht in Brussel, de hoofdstad van Europa. Maar het argument tegen negentien gemeenten en tegen zes politiezones voor 1,1 miljoen Brusselaars kan en zal ook gebruikt worden tegen zes parallelle regeringen voor 11 miljoen Belgen. Als het ene gevaarlijk inefficiënt is, dan ook het andere, zal het argument zijn. Wie brengt daar nog iets overtuigends tegenin?’
De gehaaste oppervlakkige lezer zal heel waarschijnlijk niet zien waarom het laatste deel van Sturtewagens redenering fout is.
Goed begrepen confederalisme betekent dat we enkel datgene (vrijwillig) samen doen waarover we ‘eenzelfde visie hebben en waarbij de grootteschaal een invloed heeft op de efficiëntie’.
Wat fout loopt in België is dat in veel ‘staatszaken’ er geen gemeenschappelijke visie bestaat. Of denkt hij dat de splitsing van de unitaire politieke partijen geen reden had? De versnippering van de macht werd juist georganiseerd door de Belgischgezinde partijen. Ze deden dat op een catastrofale manier, waarbij er geen enkel beleidsdomein netjes verdeeld werd tussen de centrale macht en de gewesten en gemeenschappen.
Tegenover het communautaire geknoei van de laatste drie decennia zou echt confederalisme een ware verademing zijn én een versterking betekenen voor elk beleidsniveau, ook het centrale gezag. Alleen zou dat centrale gezag zich met veel minder beleidsdomeinen bezig houden en zouden de deelstaten zelf moeten leren hun eigen potje koken. Precies door het confederalisme zou men eindelijk de versnippering binnen de beleidsdomeinen kunnen doorbreken. Dan zouden de beveiliging tegen externe bedreigingen én terrorismebestrijding perfect kunnen georganiseerd worden op één enkel niveau: het centrale niveau.
Maar de patstelling waarin België verkeert heeft niet alleen te maken met een gebrek aan duidelijkheid bij de splitsing van de bevoegdheden. De dieperliggende reden is dat over veel concrete dossiers er gewoon geen gemeenschappelijke visie bestaat. Dat maakt een efficiënte samenwerking quasi onmogelijk. De Belgische compromissen hebben vooral gezorgd voor een verwatering van de macht binnen elk domein en een groot gebrek aan efficiëntie, die door de bevolking moet betaald worden.
Nochtans zou een gemeenschappelijke visie in enkele domeinen wel mogelijk zijn mocht daar niet de ultieme hinderpaal zijn: Wallonië heeft gewoon niet de financiële middelen om voldoende bij te dragen voor een goed georganiseerd centraal gezag. En de Vlamingen zijn het beu om meer dan hun ‘fair share’ te moeten betalen en als puntje bij paaltje komt dan nog in het buitenland onder de noemer België onterechte kritiek over zich heen te krijgen.
Vilvoorde mag dan op één centimeter van Brussel liggen zoals Sturtewagen opmerkt, tussen de aanpak van de extremisten door een Vlaamse socialist in Vilvoorde en een Brusselse socialist in BHG gaapt een kloof die nog dieper is dan de Grand Canyon. Eén centimeter maar een totaal andere visie, dat zou ook Sturtewagen niet mogen ontgaan zijn.
Hij is blijkbaar ook vergeten dat de huidige structuur van Brussel een exponent is van het belgicisme. Vlaamsgezinde partijen waren altijd al tegen dit onleefbaar wangedrocht, maar de Belgisch gezinde partijen slikten ‘om de lieve vrede’  hun kritiek in. Het verkeerd functioneren van Brussel als een argument tegen confederalisme/separatisme zien, is gewoon een verdraaiing van de feiten.
Maar misschien heeft Sturtewagen wel een punt en volstaat ook confederalisme niet om van België een efficiënte staat te maken.
Een heel ander geluid in De Tijd en Knack online
In De Tijd (27/11) pleit de Nederlandse minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem voor een harde kern van vijf EU-landen die onderling hun grenzen openhouden maar hun buitengrenzen weer bewaken. … 'Er zijn een paar landen die in de asielcrisis de zwaarste lasten dragen, omdat bij hen de meeste vluchtelingen opvang krijgen. Het gaat om Zweden, Duitsland, Oostenrijk, België en Nederland. We zitten in dezelfde situatie en proberen zo nauw mogelijk samen te werken.' Het is een drastisch plan, en de sociaaldemocraat Dijsselbloem legt uit waarom het volgens hem nodig is: 'We moeten wel. Zo niet krijgen we een 'race to the bottom', waarbij ieder land zijn buurland probeert te overtroeven in het ontmoedigen of afstoten van asielzoekers. En dus aan de asielzoekers zou zeggen: ga maar hiernaast, daar is de huisvesting beter.'
Knack online, Ewald Pironet gaat verder op deze uitspraak en schrijft het volgende: ‘Wat is de context? Al lang woedt er in Europa een discussie: is een Europese Unie met 28 landen en een eurogroep van 19 landen houdbaar? Lopen de ontwikkeling op sociaal-economisch-financieel vlak niet te wijd uit elkaar om één beleid te voeren?
Daarom is er bijvoorbeeld al ooit geopperd om de euro op te splitsen in een zeuro en een neuro: in het economisch zwakkere Zuid-Europa zou de zeuro worden ingevoerd, die zich op de wisselmarkten onafhankelijk zou gedragen van de neuro, de munt van de economisch sterkere Noord-Europese landen. Vraag is dan natuurlijk: welke landen krijgen de neuro als munt en welke de zeuro? Waar loopt de grens tussen de zeuro-zone en de neuro-zone?
Misschien loopt die wel dwars door ons land: Wallonië zou misschien meer gebaat zijn bij de zeuro, Vlaanderen bij de neuro.’
Hiermee zegt Pironet onmiskenbaar waarom België het aan zichzelf verplicht is om een confederatie te worden.
Pjotr

 

 

05 oktober 2015

De Wever in Gent, fatalist of realist?



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

De ene Bart is de andere niet. Wanneer mensen de werkelijkheid negeren, wordt de waarheid moeilijk om dragen. Dan valt zelfs het masker af bij hoofredacteur Bart Sturtewagen van DS en veegt hij doemdenker Bart De Wever de mantel uit.

Professor Carl Devos nodigt De Wever uit


Sturtewagen zal wellicht heel veel kranten lezen, maar blijkbaar weinig over de werkelijkheid die zich afspeelt aan de grenzen van Europa. Ook Europa getuigt van kortzichtigheid wanneer het denkt dat het vluchtelingenprobleem kan aangepakt worden eenmaal de migranten en vluchtelingen binnen de Schengengrenzen aangekomen zijn. Centralisering van de registratie in de frontlijnstaten is geen voldoende oplossing en voorkomt de lucratieve mensenhandel niet, integendeel! Wie bijdragen leest die buiten de bandbreedte vallen van de politiek correcte media, zal Bart De Wever geen fatalist vinden, maar eerder een realist. Naar aanleiding van het college dat hij als N-VA voorzitter gaf aan de studenten van de Gentse universiteit wijdde Sturtewagen, opiniërend hoofdredacteur, hieraan een commentaar in De Standaard.
Sturtewagen: Waarom stelt hij (De Wever) het zo fatalistisch voor alsof we gedoemd zijn de fouten bij de integratie van vorige migratiegolven te herhalen? Alsof het onmogelijk is dat we daarover de voorbije decennia iets zouden hebben bijgeleerd.

Ooggetuigen weten beter


De Bretoense economist-politicoloog Patrick Guiol, gewezen professor aan de Universiteit van Rennes vaart sinds april rond in de Griekse kustwateren en observeert er dagelijks het wel en wee van de vluchtelingen in deze regio. Zijn verhalen bundelde hij in zijn ‘Chronique Grecque’ waarbij hij een heel ander beeld ophangt van de vluchtelingen. Wie hij zoal tegenkwam? Algerijnen wier visa voor Frankrijk geweigerd werd en nu als vluchteling een nieuwe poging deden.
Zijn conclusie (vanuit een Franse invalshoek): “Het wordt hoog tijd dat de EU meer doet dan quota af te spreken. Het wordt hoog tijd dat men niet enkel spreekt over aantallen maar ook over de ‘kwaliteit’ van de vluchtelingen. Zo niet zal Mevrouw Merkel kunnen kiezen tot groot jolijt van het Duitse patronaat.”  
In ‘tempore non suspecto’ wees een hooggeplaatste magistraat mij reeds op de aantrekkelijkheid van (vooral Brussel) ons land voor ongeschoolde immigranten die absoluut geen versterking betekenden voor onze economie maar wel afkwamen op onze genereuze sociale zekerheid. De Wever is dus niet de eerste (en de laatste) die deze in bepaalde kringen onwelkome waarheid verkondigt. 
Een gewezen Belgische topadviseur van het IMF las deze bijdragen van Patrick Guiol eveneens en schreef volgende commentaar (tekst in ons bezit): “Het roept veel vragen op en de toestand is inderdaad verontrustend. Deze massale volksverhuizing zou kunnen de meest ernstige bedreiging van Europa vormen sinds de tweede wereldoorlog met ontrafeling/uitholling van de EU. Het is duidelijk dat er grenzen zijn aan de absorptiecapaciteit van de EU. Het meest karakteristieke is de drijfveer van alle betrokkenen naar het zoeken van het eigen belang en voordeel. Het nieuwe element voor mij zijn de acties aan Turkse zijde, overheid en privé commercieel belang. Ik herinner me niet meer hoe precies de burgeroorlog in Syrië begonnen is, maar de familie Assad is gekend om de macht met niemand te willen delen. De troebelen in Irak zijn het gevolg van de weerwraak van de huidige sjiitische machthebbers voor de geleden onderdrukking door de sunnieten onder Saddam Hussein. Een belangrijk aspect ook is dat naast de vluchtelingen een groot deel van de toestromende massa bestaat uit migranten komende uit verscheidene landen zoals Indië, Pakistan, Afghanistan en Noord Afrika. Wat de EU betreft, het lijkt me onvermijdelijk dat indien de buitengrenzen van het Schengen gebied niet kunnen beveiligd worden dat dan de leden terug hun nationale grenzen moeten bewaken. (…) Wat de stroom uit Syrië betreft wordt nu vermeld dat de bombardementen (met nagels en dergelijke) uitgevoerd door Assad verantwoordelijk zijn voor meer vluchtelingen dan de bedreiging van ISIS. Als dit juist is, dan zal de actieve Russische steun en interventie de exodus nog versterken. En dit zou dan ook bijdragen tot de destabilisering van de EU, een van de objectieven van Rusland. De acties van de Turkse autoriteiten gaan in dezelfde zin en kunnen deels ingegeven zijn door hun ontstemming niet toegelaten te worden tot de EU.  Wat ook opvalt is dat geen vluchtelingen/migranten naar Rusland trekken. Interessant is ook Patrick Guiol’s analyse van de positie van Duitsland, voor wie  omwille van zijn demografische positie en structuur van zijn economie de nieuwkomers een positieve bijdrage zouden leveren, en dat Duitsland bij machte zou zijn om voorkeur te kunnen geven aan de meest geschoolde.”
Sturtewagen is hardleers
Maar laten we de cirkel sluiten en terugkeren naar de geciteerde uitspraak van Sturtewagen. Wie heel even blijft stilstaan bij zijn boodschap kan niet anders dan vaststellen dat hij inderdaad hardleers is.
 
In zijn commentaar verwijst hij onder meer naar het succes waarmee De Wever en zijn N-VA het Vlaams Belang de voorbije verkiezingen versloeg. Hij schrijft daarover: “Terugkeer van de verpletterde adder (…) Onheilspellend is de vaststelling dat de verslagen vijand de kop weer opsteekt. Zonder er zelf iets voor te doen, klimt Vlaams Belang weer op de kaart. Terecht ergert Bart De Wever zich aan het gebrek aan erkenning dat hij kreeg voor het verpletteren van de adder.”
De gebruikte terminologie - zijn de kinderen van het Vlaams Belang dan echt addergebroed, zoals hij hier onverbloemd schrijft? – bewijst alvast dat hij niets heeft geleerd van de verkiezingen op ‘Zwarte zondag’, 24 november 1991. Ook in de aanloop naar die verkiezingen werden de gegronde zorgen van de bevolking genegeerd door onder meer zijn krant en werd deze boodschap die door het Vlaams Blok wel werd opgepikt, dood gezwegen. Maar de kiezers wisten beter dan de politiek-correcte elite en dat resulteerde in een klinkende overwinning van het Vlaams Blok.
Mocht iemand nog twijfelen aan het belang van het ‘Volksempfinden’ dan kan men best eens kijken naar Oostenrijk waar ook een rechts-populistische partij (de Freiheitliche Partei Österreichs, FPÖ, van Jorg Haider zaliger, nu onder leiding van Heinz-Christian Strache) de ene zege na de andere boekt. De FPÖ doet het bijna 4 procent beter en de twee traditionele partijen, socialisten en christendemocraten, verliezen vier procent. Een verschil van 8 % van de stemmen is niet niks. En met bange vooruitzichten op een ware volksverhuizing zonder einde is dat meer dan een onprettig accidentje dat voorbij zal waaien.
Bij de regionale verkiezingen doet de FPÖ het nog beter. Ze wordt zelfs de grootste partij in de provincie Steyermark (Stiermarken). Terug van nooit helemaal weggeweest. Dat bewijst alvast dat niet enkel de charismatische figuur van Haider aan de basis lag van het succes van de FPÖ.

Nood aan een positief Vlaams signaal


Respect voor het gezond verstand van de bevolking is veel belangrijker voor de duurzaamheid van politiek succes dan persoonlijke successen. Vooral daarom is een positief Vlaams verhaal voor een partij als N-VA broodnodig. Was dat niet de vraag waarop professor Carl Devos, en met hem nog veel Vlamingen, graag een antwoord had?
De verkiezingen zijn nog veraf, maar, laten we wel wezen, zonder een positief Vlaamsgezind project zal het in Vlaanderen niet anders zijn dan in Oostenrijk en andere Europese landen, waar de bevolking het gehad heeft met een heersende klasse die enkel denkt aan het eigen overleven, en zo de voedingsbodem van het extremisme – zowel links als rechts - extra vruchtbaar maakt.
Pjotr

 

 

 

 

 

 

 

 

24 februari 2015

Waarom de journalistiek ongeloofwaardig werd



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN



 
Naar aanleiding van het artikel over de falende ‘kwaliteits’-media  vroegen enkele lezers mij waar ze terecht konden met hun klachten. Daarvoor is er toch een Raad voor de Journalistiek, dacht ik.


Twee klachten

Er zijn twee steeds weerkerende klachten over de ‘kwaliteitspers’ en dito televisie (VRT/Canvas): dat sommige informatie onderbelicht blijft of zelfs genegeerd wordt en dat de lezers/kijkers vinden dat de informatie veelal eenzijdig (politiek en maatschappelijk gekleurd) is. Deze twee klachten, die duidelijk leven bij veel lezers en kijkers, blijven onbeantwoord en vertalen zich in een steeds verder dalende geloofwaardigheid van de media. Dat laatste is geweten want gemeten.

Over deze twee klachten kan u meer lezen in een ‘Open brief aan de ombudsman van DS’ en ‘Waarom de kwaliteitspers faalt’ Een recent voorbeeld van selectieve berichtgeving door de Vlaamse media, TV en kranten, was te lezen op Newsmonkey (hier lezen).

Directe aanleiding tot deze analyse was de reactie van een lezeres op de laatste publicatie: ‘Wat u hier aanklaagt, klagen vele mensen al zo lang aan... Vind u het niet vreemd dat er geen enkele officiële instantie bestaat waar we onze klachten kwijt kunnen, terwijl heel veel van die media met ons geld (gedeeltelijk) gefinancierd worden?’

Daarom richtte ik mij tot de Raad voor de Journalistiek (rvdj) die zich online presenteert als een ‘onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media’. De belangrijkste opdracht staat helemaal vooraan: ‘U kan bij ons terecht met vragen en klachten over de journalistieke beroepsethiek.’ Hier ben ik dus aan het juiste adres.


Een ontgoochelende ervaring



De rvdj werd opgericht door de Vlaamse journalistenverenigingen, de uitgevers en de mediahuizen. Zelfregulering dus door een orgaan dat enkel bestaat bij de gratie van de oprichters. Het kan daarom moeilijk anders – ook mijn eigen ervaring  - dat de rvdj niet onafhankelijk genoeg is.

Op mijn schriftelijke vragen kreeg ik als reactie dat men liever mondeling antwoordde, omdat ‘een gesprek meer kans tot nuancering’ geeft. Dat gesprek kwam er, maar wat hij vertelde was blijkbaar enkel bedoeld voor mezelf en mocht ik met niemand delen. Dat dergelijke reactie mijn vertrouwen niet bepaald opkrikte, behoeft geen verder commentaar. Na enkele ongeruste telefoontjes omdat ik de informatie toch wilde verspreiden, kreeg ik te elfder ure nog een schriftelijk antwoord op mijn vragen.   

Vragen aan de raad van de journalistiek (rvdj)



‘De kranten publiceren veel opiniestukken waarvoor ze geen verantwoordelijkheid nemen. Dat is begrijpelijk vermits een opiniestuk goedkoper is en per definitie de mening is van de auteur waarvoor anderen niet verantwoordelijk kunnen gesteld worden. Niettemin heeft de redactie de keuze om een opinie al of niet te publiceren en betekent een publicatie dat men oordeelt dat het opiniestuk kan, ook al voldoet het niet aan de deontologische regels waaraan bijdragen geschreven door journalisten wel moeten voldoen. Daarom heb ik enkele vragen:
 Hoe ziet u de niet-toepassing van deze deontologische regels wanneer een journalist een opiniestuk schrijft?
Is hij op dat moment geen journalist maar enkel een 'opiniemaker' waarvoor deze regels niet gelden?
Schrijft hij deze opinie tegen betaling of maakt deze opinie deel uit van zijn werk waarvoor hij betaald wordt als journalist?
En wat met een hoofdredacteur die zichzelf 'opiniërend hoofdredacteur' noemt (cfr De Standaard)? Ook in dit geval  heb ik dezelfde vragen als hiervoor gesteld.’


De reactie van de rvdj



Hoewel ik uit het mondeling gesprek begrepen had dat er wel een zekere normering was om het onderscheid tussen opinie en analyse duidelijk te maken aan de lezers, bleek uit het schriftelijk antwoord dat de journalistieke code hierover slechts algemene principes bevat: De Raad voor de Journalistiek geeft wel de algemene principes weer, en journalisten en media kunnen bij de toepassing daarvan rekening houden met hun eigen aanpak en specifieke format.” Voorts is er ook geen exclusieve verplichting om opiniestukken (van journalisten) expliciet via een vermelding van ‘opinie’ te onderscheiden van hun analyses, duiding of commentaar. Met ander woorden de krant en de journalisten hebben alle vrijheid om te kiezen hoe ze hun lezers daaromtrent al of niet informeren.

De rvdj is enkel bekommerd om het onderscheid tussen de feiten en het commentaar en niet om het onderscheid tussen de eigen mening (opinie) van een journalist en een waarheidzoekende analyse of afstandelijke duiding: Een voorwaarde is wel dat het onderscheid tussen feitelijke berichtgeving en commentaar of opinie voor het publiek voldoende duidelijk is. Dat onderscheid kunnen media op verschillende manieren duidelijk maken. Het kan door de opiniebijdragen in een aparte rubriek onder te brengen of een specifiek label te geven, zoals bijvoorbeeld standpunt, opinie of column. Maar ook met een ander label of zonder een specifiek label kan het duidelijk zijn dat het gaat om standpunten, opiniebijdragen of columns. Overigens kan een journalist ook binnen één bijdrage zowel feitelijke informatie als een mening geven, als het onderscheid tussen beide maar duidelijk is. Hij kan dat op vele manier duidelijk maken door bijvoorbeeld stijlkenmerken, tussentitels, enz. Of het onderscheid voldoende duidelijk is, moet geval per geval beoordeeld worden.”

De volledige tekst van de journalistieke code kan u hier lezen. Artikel 8 heeft het specifiek over dit onderwerp: “8. – Als auteur van een opiniebijdrage, een column of cartoon geniet de journalist een grotere mate van vrijheid om zijn mening te geven en om conclusies te trekken uit de feiten dan in zijn feitelijke berichtgeving.”

Hieruit kan ik enkel besluiten dat de lezer zelf moet uitmaken of de bijdrage journalistiek werk is of de mening van een opiniemaker. Wanneer de lezer de verkeerde conclusie trekt - dat wil zeggen een andere dan de redactie of de journalist - dan  is dat zijn fout en hoeft hij dus niet naar de rvdj te stappen.


Geloofwaardigheid is ook onze doelstelling



Tijdens het gesprek hadden we het eveneens over de lage geloofwaardigheid van de media. Hij deelde mijn bekommernis en verklaarde dat het verbeteren ervan ook een doel was van de rvdj. Maar uit de ontvangen antwoorden kan ik enkel concluderen dat de rvdj zich niet bevoegd verklaart voor de twee grootste oorzaken van dit gebrek aan geloofwaardigheid. Redacties en individuele journalisten die zelf mogen beslissen waarover ze niet schrijven (zelfcensuur) of zonder enige aanwijzing waarheidzoekende journalistiek ruilen voor het zoveel gemakkelijker eigen commentaar.

Het is treurig om vast te stellen, maar -  als het over het inhoudelijke gaat -  meer dan lippendienst bewijzen aan de oprichters doet de Raad van de Journalistiek niet. Deze instelling is al te zeer onderdeel van het ‘ons-kent-ons’-systeem om geloofwaardig te kunnen zijn.


Maak van kwaliteit de norm



Kwaliteitsjournalistiek kan nochtans een belangrijk verkoopsargument zijn. Dat bewijst onder meer de Neue Zürcher Zeitung dag na dag. Ook sommige journalisten beseffen dat kwaliteit voorop zou moeten staan. Oosterbaan en Wansink, twee Nederlandse beroepsjournalisten, schreven in 2008 hierover een boek ‘De krant moet kiezen’. Daarin houden ze een pleidooi voor meer kwaliteit. Omdat enkel kwaliteit de geloofwaardigheid kan verbeteren. Investeren in kwaliteit kost helaas geld en rendeert slechts op langere termijn. Blijkbaar heeft de pers geen van beide op overschot.   

Het zou alvast getuigen van minder arrogantie mochten de redacties en journalisten zichzelf durven in vraag stellen en geen ombudsman betalen om de lezers te paaien. Hoofdredacteur van DS, Bart Sturtewagen verklaarde ooit (Doorbraak, september 2010) dat hij nooit zou toegeven dat het vroeger beter was. En ook de rvdj is overtuigd dat het nu beter is; dank zij de talrijker commentaren, analyses en opiniebijdragen.

Het was gewezen hoofdredacteur van DS, Peter Vandermeersch, zelf die het probleem kernachtig weergaf (DS 15 okt 2003):

‘Media zijn dus al lang geen neutrale toeschouwer in het maatschappelijk debat (…) Ze zijn daarenboven niet de minste speler. Want ze maken het spel moeilijker en ondoorzichtiger omdat ze, sedert de ontzuiling van de media, niet langer een herkenbaar shirt aan hebben’.

Ik kijk alvast met spanning uit naar controleerbare argumenten die bewijzen dat dank zij de ‘onherkenbare’ journalisten de kwaliteit zou verbeterd zijn. Overigens, hoe onafhankelijk zijn journalisten die aanpappen met politici? Of waarvan een naast familielid aangeworven werd als kabinetsmedewerker van een socialistisch minister? Is het niet mogelijk dat persoonlijke aversies van journalisten ten aanzien van sommige politici of partijen de berichtgeving beïnvloeden? Natuurlijk wel, en waarom zouden ze zich inhouden, want blijkbaar niemand bekommert zich nog terdege om de kwaliteit.

Wanneer kranten opiniemakers aan het woord laten (dat doen ze vooral omdat het goedkoper is dan kwaliteitsjournalistiek) kan de lezer uit de tegenstellingen inderdaad iets leren. Op voorwaarde dat er een evenwicht is in de opiniebijdragen. Ook dat is echter niet het geval - zoals de ombudsman van DS ooit zelf toegaf. Waaraan dat te wijten is, kan men afleiden uit een universitair onderzoek (UGent) waaruit blijkt dat er een groot onevenwicht bestaat inzake de politieke overtuiging van de individuele journalisten (overwegend ‘Links’). Dat de pers het label van ‘Links’ krijgt is dus niet uit de lucht gegrepen. Het beeld van media als het speeltje van een politiek-correct groepje blijft hangen. Daarbij lijkt de opdracht als kritische ‘Vierde Macht’ eerder vervelend dan een bron van inspiratie.

Bij zoveel kritiek kreeg ik toch ook signalen dat het wel kan: verschillende lezers zijn overgestapt naar De Tijd en vinden die krant kwalitatief beter. Minder trivialiteiten, maar wel beursnoteringen die even gemakkelijk online te raadplegen zijn.


Kiezen voor alternatieven


Beste lezers, mag ik u één goede raad geven: lees vooral online nieuwssites die aan ‘slow journalism’ doen. Burgerjournalisten die de tijd nemen om hun bijdragen te onderbouwen met degelijke argumenten. Die zichzelf niet overschatten en daarom hun bijdragen eerst laten nalezen door anderen vooraleer ze te publiceren. Daar wordt nog een poging gedaan om aan ‘waarheidszoekende’ journalistiek te doen. Ook al zijn het maar ‘burgerjournalisten’.  

Mocht u echter toch nog geloven dat de kranten bereid zijn om uw klachten ernstig te nemen, dan moet u vooral één ding doen: Zeg uw abonnement op. Dat is de enige taal die een uitgever verstaat en de rvdj overbodig maakt.


Pjotr