20 december 2014

De Amerikaanse keuze voor één vliegtuigtype




Dossier Vervanging F16 – deel 1


 

In een vorig artikel (herlees hier) presenteerden we u de gedoodverfde opvolger van de F16, de Joint Strike Fighter (JSF)  of F35 Lightning II. In een volgende reeks bijdragen onderzoeken we of de JSF ook de beste keuze is voor België.

 

De keuze voor één concept

Eén van de meest ingrijpende beslissingen was de keuze voor één enkel vliegtuigtype voor de drie ‘klanten’ de Air Force, de Navy (Zeemacht/Marine) en de Marines (Korps Mariniers). Om deze beslissing goed te kunnen begrijpen vroegen we de Amerikaanse autoriteiten en de firma Lockheed Martin om de achtergrond van deze beslissing te duiden. Hieronder de neerslag van de ontvangen antwoorden van de leidinggevende dienst voor het programma, het Joint Program Officie (Joe DellaVedova, Public Affairs Director) en van Lockheed Martin (Alison Orne, Communications rep. en Yung A Le, verantwoordelijke Noord Europa).


De vragen

Wij stelden vijf vragen waarvan er twee behandeld worden in dit artikel, namelijk:
Kunt u mij informeren over de redenen waarom de VS beslisten om slechts één enkel vliegtuigtype te ontwikkelen voor de Air Force, Marines en Navy?
Tevens, hoe kan men met één enkel vliegtuigtype verschillende opdrachten in verschillende omstandigheden optimaal uitvoeren?
 
De drie andere technische vragen, die eveneens gesteld werden, die zullen behandeld worden in de volgende artikels.
 
Opmerkelijk is dat in hun antwoorden de klemtoon anders ligt. Bij Lockheed Martin (LM) gaat het vooral over de kostenbesparingen die door de schaalvergroting kunnen gerealiseerd worden. Ze verwijzen daarbij expliciet naar de talrijke gemeenschappelijke onderdelen voor de drie versies. Het Joint Program Office (JPO) wijst eveneens op de kostenbesparingen door de schaalvergroting, maar wijst vooral op het feit dat de drie versies zeer verschillend zijn en wil zo (zonder het met zoveel woorden te zeggen) vooral aantonen dat elke versie wel kan geoptimaliseerd worden voor de specifieke opdrachten. Voorts verduidelijkt het JPO dat de indienstneming van de F35 de mogelijkheid biedt om het actueel aantal verschillende vliegtuigtypes te verminderen. De F35A (voor de Luchtmacht) is voorzien om zowel de F16 als de A10 (Close Air Support, CAS) te vervangen. De F35B (Marinierkorps) wordt de opvolger van de AV-8B en de F/A 18 A/C/D Hornet. De F35C (Navy) zal dienst doen naast de huidige F/A 18 E/F ‘Super Hornet’ vloot. De nogal scherpe reacties hierop volgen in een andere bijdrage.
 
Dat het JPO beklemtoont dat elke versie anders is (maar  enkel verwijst naar de afwijkingen in verband met het opstijgen en landen zonder de impact ervan op het design) begrijp ik als een poging om aan te tonen dat elke versie voor zijn specifieke  opdracht wel kan geoptimaliseerd worden: “Het is een ware uitdaging om één vliegtuig te ontwerpen dat in staat is om de unieke en gespecialiseerde opdrachten voor de Luchtmacht, Zeemacht en het Korps Mariniers uit te voeren. Daarom is de F35 Lightning II niet één vliegtuig maar een familie van drie onderscheiden vliegtuigen.”
 
Gemeenschappelijk is de verwijzing naar de kerncapaciteiten die aanwezig zijn in de drie versies: de beperkte zichtbaarheid voor vijandelijke radars (stealth) die in combinatie met geavanceerde sensoren het vliegtuig meer kansen biedt om radars te ontwijken en dieper in vijandelijk gebied door te dringen. Dat is de essentie van de ontvangen antwoorden op de gestelde vragen.

Economie dicteert de technologie


Volgens Lockheed Martin was deze keuze ingegeven door economische argumenten en ondanks het feit dat elk van de drie ‘klanten’ een aangepaste versie werd gemaakt, zouden volgens LM minstens 85 % van de onderdelen gemeenschappelijk zijn. Dat drukt de productiekosten en volstaat één assemblagelijn voor de drie versies, aldus nog LM.
 
Dat de keuze voor één basistype (en de deelneming van meerdere partners) zorgt voor een schaalvergroting is logisch. Meer vliegtuigen produceren doet de aankoopprijs dalen en ook het onderhoud wordt goedkoper. Maar daar worden vooral de VS en in mindere mate de partners die deelnemen aan de productie, beter van. Niet noodzakelijk de landen die pas achteraf de JSF kopen ‘off the shelf’.
 
Terzijde, om de politieke keuze voor dit zeer duur project voor de VS maatschappelijk verteerbaar te maken, zorgde de firma ervoor om zo veel mogelijk Amerikaanse staten te laten participeren in de productie en werden vanaf het begin de luchtmachtbasissen voor de JSF gespreid over zeven staten. Het is voorts ook duidelijk dat LM heel veel aandacht besteedt aan lobbying en marketing. Deze zijdelingse bedenking is vooral voor België niet onbelangrijk vermits hier het draagvlak voor defensie veel lager ligt dan in de VS en de kansen op economische return (rechtstreekse of onrechtstreekse industriële participatie) die ook tewerkstelling genereren, gering zijn. Dan spreken we nog niet over de regionale gevoeligheden waarbij Vlaanderen bijna automatisch de verliezende partij zou kunnen zijn - indien alleen industriële participatie als economische return wordt gezien. Maar daarover meer in een van de volgende bijdragen.
 
De keuze van de VS om één enkel vliegtuigtype (in drie verschillende versies) in dienst te nemen werd voorgelegd aan verschillende specialisten (gewezen gevechtspiloten, specialisten software en academici) voornamelijk uit Nederland en België. De neerslag van hun bevindingen roept toch vragen op.

Een voorlopige conclusie


Om al die gespecialiseerde opmerkingen verstaanbaar te maken voor leken beperken we ons tot de kritiek op de basisredenering. Tussen de drie versies zijn er twee die inzake operationele behoeften veel gemeen hebben: de versie A (voor de Luchtmacht) en de versie C (voor de Zeemacht). De derde versie ‘B’ (voor de Marines/Special Forces) is heel verschillend wegens zijn STOVL capaciteit (Short Take Off, Vertical Landing). Het verzoenen van vooral deze laatste versie met de twee andere maakt dat het concept en design van de JSF niet eenvoudig was en er ongetwijfeld compromissen dienden gemaakt te worden. We kunnen enkel vaststellen dat van de meer dan drieduizend vliegtuigen er hooguit vierhonderd twintig van het type STOVL voorzien zijn, waarvoor in België en veel ander landen  helemaal geen behoefte bestaat. Sommigen stellen zich daarbij ook vragen over de volgens LM 85 % gemeenschappelijke onderdelen. Kortom, de Amerikaanse  keuze heeft duidelijk ook nadelen, die zowel een rol spelen in de dure prijszetting als in de niet-optimalisatie van de capaciteiten van elke versie afzonderlijk.
 
Lockheed Martin antwoordde gedeeltelijk op deze kritiek door te stellen dat eventuele nadelen opgevangen worden door de toegevoegde capaciteiten. Bij voorbeeld, wijst men erop dat voor de luchtsuperioriteit (luchtgevechten met vijandige toestellen) de JSF de tegenstander vroeger kan zien dan dat het zelf gezien wordt, waardoor een klassiek luchtgevecht wordt voorkomen. Maar deze voorsprong verliest aan kracht naarmate het programma vertraging oploopt. De potentiële tegenstrevers – Rusland en China – zitten evenmin stil en zullen binnen afzienbare tijd ook over dergelijke geavanceerde systemen beschikken waardoor de ‘stealth’ capaciteit minder belangrijk wordt.
 
Daarenboven geeft men ook toe dat dit enkel vooruitzichten zijn - al deze capaciteiten konden nog niet volledig worden uitgetest. Daarom kan de JSF momenteel niet vergeleken worden met de andere kandidaten waarvan de capaciteiten en zwaktes wel gekend zijn.
 
Tegenover de proefondervindelijke bewezen mogelijkheden van de concurrenten staat er een beloftevolle brochure van een vliegtuig dat nog volop in ontwikkeling is en waarvan de testfase nog enige tijd zal duren. Pas na het beëindigen van deze testen zal een vergelijking mogelijk zijn tussen alle kandidaten voor de vervanging van de F16.  

 

Dat de JSF het beste en betaalbare vliegtuig ‘wordt’ is niet onmogelijk maar momenteel kennen we zijn technologische voorsprong enkel door de glanzende marketingbrochures en verzorgde presentaties.

Gokken over het aantal vliegtuigen


De schaalvergroting en de daaraan verbonden goedkopere prijs voor aankoop en onderhoud stelt ook vragen. Aanvankelijk was Lockheed Martin overtuigd dat ze meer dan vijfduizend vliegtuigen zouden kunnen slijten. In een vertrouwelijke presentatie aan de Nederlandse industrie in 2005 gaat men er van uit dat er 5.500 vliegtuigen zullen geproduceerd worden. Daarin zijn de aanvankelijk vijfentachtig exemplaren die Nederland zou kopen inbegrepen. Dat aantal is ondertussen wel gedaald tot zevenendertig exemplaren en ook andere landen verlaagden hun bestelling gevoelig.
 
Tijdens de briefing op 11 september 2014 kregen we verschillende cijfers te zien. Om de voordelen van de schaalvergroting aan te tonen, vermeldden ze 3.815 exemplaren, waarvan 750 het ‘verhoopte’ aantal voor landen die niet deelnamen aan het project. Voor zover de partners ook de geplande aantallen kopen gaat het dus om 3.052 vliegtuigen. Bij de projectie van de geplande productie heeft men het over een minimum van 3.243 en een maximum van 3.943.
 
De onduidelijkheid stopt daar niet. Israël dat negentien exemplaren bestelde in 2010 en volgens de gegevens van LM zelf er nadien nog eens 50 zou kopen, heeft begin december beslist om veertien bijkomende exemplaren te bestellen. Of ze ooit tot de aanvankelijk geplande aankoop van vijfenzeventig exemplaren zullen komen is weinig waarschijnlijk. In 2005 sprak de chef van de Israëlische aankoopdienst nog van honderd F35. Volgens onze laatste informatie uit Israëlische bron is de vertraging van de bestellingen en de vermindering in aantal te wijten aan de hoge prijs, de weigering van de VS om de broncodes vrij te geven (wat door één bron wordt betwijfeld) maar ook “de beperkte capaciteit en radius van het toestel.
 
De Israëlische aarzeling  is belangrijk omdat daardoor de geloofwaardigheid van het gehele project een ernstige deuk krijgt. De beslissing is des te merkwaardiger omdat Israël de facto gebonden is aan een Amerikaanse toestel en voor de betaling ervan gedeeltelijk gebruik kan maken van de financiële steun die de VS geeft aan Israël.   
 
Over de zevenhonderd vijftig exemplaren die men denkt te kunnen slijten aan andere landen (Foreign Military Sales, FMS) is er nog minder duidelijkheid. Het zou daarom interessant zijn om te weten hoeveel vliegtuigen ze planden voor België? Veertig zoals voormalig defensieminister Pieter De Crem nodig vond?

Gokken over de prijs


Vermits LM beweert dat het aantal geproduceerde vliegtuigen een invloed heeft op de prijs, zou de prijs moeten stijgen wanneer de productievooruitzichten dalen. Een productiedaling van 5.500 naar 3.052, meer dan 40 %, kan toch niet genegeerd worden? Dat de prijsbepaling een complexe materie is willen we best geloven, maar dan volstaat het niet om zo maar een prijs van zeventig miljoen euro als naakte stuksprijs te vermelden. Het JPO spreekt zelfs over een stuksprijs van 80 miljoen dollar of 65 miljoen euro.
 
Ondertussen werden nieuwe bedragen publiek gemaakt. Zo maakte het Noorse ministerie van Defensie via een mededeling bekend dat ze voor de geplande tweeënvijftig JSF/F35A 66 miljard Noorse kronen voorziet. Een schatting die naar alle waarschijnlijkheid (en traditioneel voor aankopen met publieke fondsen) eerder aan de lage kant ligt. Dat maakt omgerekend ongeveer 7,7 miljard euro of 144 miljoen euro per vliegtuig.
 
Voor alle duidelijkheid: deze prijs van grosso modo 150 miljoen euro is de systeemprijs, of de naakte stukprijs plus alle noodzakelijke initiële toebehoren, waaronder opleiding, wisselstukken, enz. Maar vermits LM beweert dat de naakte eenheidsprijs (inclusief motor) slechts zeventig miljoen euro, of nog minder, zou kosten, betekent dit dat de initiële tewerkstelling en instandhouding van de JSF veel méér kost dan de naakte stukprijs. Wat daarna volgt, de jaarlijkse operationele kosten en het onderhoud, is al even belangrijk want geschat op zo’n zes à zeven miljoen euro per vliegtuig. Tenminste, wanneer de piloten ook voldoende vlieguren voor de training krijgen. Iets dat vanzelfsprekend zou moeten zijn, maar in België nooit was.
 
Voor Nederland, dat net zoals Noorwegen een deelnemende partner is in dit project, zouden de zevenendertig F35A dan neerkomen op een investering van 5,33 miljard euro. De jaarlijkse exploitatiekosten werd in een recent document (jaarrapport 2013) van het defensie ministerie bepaald op 283 miljoen euro (voor 37 vliegtuigen). Uitgaande van een minimale systeemprijs voor België van 150 miljoen euro, zou het prijskaartje voor ons land (veertig toestellen) zes miljard euro bedragen en dient er nadien jaarlijks zo’n 306 miljoen euro voorzien te worden voor de exploitatiekosten. 
 
Gezien de blijvende onduidelijkheid en het ontbreken van een verifieerbare systeemprijs zullen we in de volgende bijdragen nog terugkomen op dit probleem.

Joint Program Office (JPO) maakt zich zorgen


Blijkbaar heeft het projectmanagement (JPO) wel meer problemen dan enkel de kostprijs voor de instandhouding. Diverse technische problemen baren eveneens ernstige zorgen. Uit een vertrouwelijk document ‘for official use only’ (27.10.2014) maakt de JSF verantwoordelijke, luitenant Generaal Chris Bogdan (USAF) zich onder meer zorgen over de problemen met de motor, het (te) hoge geluidsniveau, de toenemende vertraging in het programma, de beschikbaarheid voor nucleaire opdrachten (dual capability) en de zeer geringe operationele beschikbaarheid van de actuele vloot.
 
Waar hij zelfs nog niet over sprak in dit document zijn de grote problemen met de software. In een publicatie van het Canadese ministerie van Defensie (update 2014) lezen we het volgende (vrije vertaling): Software blijft het meest uitdagende technisch risico voor het F-35 programma. De vertragingen en de beperkingen in de geleverde software vertragen ook het testprogramma waardoor het risico toeneemt dat de initiële operationele capaciteit eveneens zal moeten uitgesteld worden. Deze informatie wordt dan afgerond met de laconieke mededeling ‘Dat het JPO er alle vertrouwen in heeft dat de voorziene operationele tijdlimiet zal gerespecteerd worden.’ Weinig geruststellend na de reeds opgelopen grote vertragingen van dit ambitieus programma.

 

 

Een voorlopig conclusie is dat het JSF-F35 project nog heel veel belangrijke vragen oproept. Het zou de politieke beleidsverantwoordelijken moeten  aanzetten tot voorzichtigheid en om – nu er voor België nog een echte keuzemogelijkheid is – geen overhaaste beslissing te nemen.

 

In de volgende bijdrage zoeken we een antwoord op de vraag of België voor dezelfde militaire uitdaging staat als de VS en of enkel de F35A daarvoor in aanmerking komt. Subsidiair is de vraag over de rol van NAVO-partners die niet zouden beschikken over de JSF/F35. Is samenwerking dan onmogelijk, of integendeel, is diversiteit in de middelen een pluspunt in complexe operaties?

 

Pierre Therie, kolonel stafbrevethouder o.r., gewezen defensieattaché.
Mede-oprichter vzw Charta Vlaanderen,
Lid kernredactie De Bron

 

05 december 2014

Ideologische barstjes


 MEDIA EN POLITIEK   ANDERS GELEZEN


 

De weigering van N-VA om de Palestijnse staat te erkennen, verbergt een andere tegenstelling: tussen de Antwerpse N-VA en de rest van Vlaanderen, tussen pacifisme en pragmatisme.

Erkenning Palestijnse staat valt op Antwerpse koude steen


 

Ludo Abicht opende het debat in DS op 17/11: N-VA heeft altijd gestaan voor het zelfbeschikkingsrecht van volkeren en zou dus ook de Palestijnse staat moeten erkennen. 
 
In een reactie daarop (DS 19/11) verdedigen Peter De Roover en Peter Luykx, de weigering van N-VA en stellen dat het toch niet helpt. Maar dat ze wel achter het zelfbeschikkingsrecht blijven staan, ook voor de Palestijnen. ‘We mogen niet vergeten dat ook de Israëli’s recht hebben op een veilige staat’. Dat Peter De Roover van voluntaristische VVB-er evolueerde naar een pragmatischer politicus is op zich al een signaal dat N-VA een machtspartij geworden is. Waar ideologie al eens moet wijken voor de macht. Maar elke prominente N-VA’er – en zo zijn er nogal wat -  die voordien met overtuiging pleitte voor de erkenning van een Palestijnse staat, zal daar maar matig mee gediend zijn. Geloofwaardigheid zonder standvastigheid draait al snel uit op politieke kontdraaierij.

 

Net voor het ‘ter perse gaan’ vernam ik dat er toch een erkenning in de maak is, dat ook de steun heeft van de N-VA. Het maakt dit artikel er niet minder lezenswaardig door.
 
In een artikel op Knack online (28/11) schrijft een gewezen N-VA-medewerker Pieter-Jan Van Bosstraeten over een  'Ideologische zelfverloochening als tijdbom’. Daarin heeft hij het over een dubbele evolutie bij N-VA: van Vlaams-nationalistische centrumpartij naar een rechtse partij en van pacifisme naar ‘realpolitik’. Onder de meer dan 100 reacties lazen we er eentje van Huub Broers (N-VA-er zonder mandaat): Wat is er nu verkeerd aan als men in een partij twee strekkingen heeft over een bepaald thema? Dat is toch verrijkend. Inderdaad, in 2011 hebben wij samen ervoor geijverd om in de senaat een bepaalde visie te doen ontwikkelen. Daar sta ik nog altijd volledig achter. Net zoals Piet Debruyn en anderen. Ik wil ook dat de Palestijnen erkend worden. Maar er moet toch ook rekening gehouden worden met de aanvallen op Israël. Die hebben ook recht om beschermd te worden. In deze overtuiging gaat ook schuil dat elk van deze volkeren het recht heeft op een eigen bestaan zonder inmenging van het andere. Veiligheid en vrede dus. Het is jammer dat Pieter-Jan nu op iedereen schiet (sorry voor het woord in deze context) in de partij. Ik vind dat niet eerlijk. Een pijnlijke breuk hoeft niet tot permanente ruzies te leiden PJ. Denk ik toch.
 
Dergelijke tegenstellingen hoeven inderdaad niet te ontaarden in grote discussies, laat staan in een schisma. In elke politieke partij zijn er uiteenlopende opinies – zeker als het gaat over wereldproblemen waarvan de kennis dikwijls omgekeerd evenredig is met de zekerheid van de eigen overtuiging. En in dergelijk complex probleem is elke invalshoek vatbaar voor kritiek. Daarom is ook het voorstel van sp.a (Van der Maelen) eenzijdig en kan men zich afvragen waarom het nu aan bod komt.
 
Maar wie wat langer nadenkt kan zich afvragen of de aangehaalde argumenten van De Roover, Luyckx en ander verdedigers van de niet-erkenning geen drogredenen zijn. Dat de verdedigers – waaronder niet toevallig de hele Antwerpse N-VA-top - niet zozeer bekommerd zijn om wat er gebeurt in Israël en Palestina, maar deze politieke bocht genomen werd wegens een louter lokale agenda. Om de Joodse gemeenschap in Antwerpen niet te schofferen. In dat geval gaat het niet meer om ideologische verschillen, maar om de negatie ervan.

Regeringsdeelname als minst slechte optie


 

In een bijdrage over de evolutie van N-VA ‘Van Beweging naar regeringspartij’ schreef ik indertijd reeds hoe moeilijk het is om een (rechtlijnige) beweging te verbouwen tot een machtspartij, zonder daarbij haar DNA te verliezen. Dat blijkt vandaag maar al te dikwijls uit de gevoerde discussie. Indien de N-VA-top de kritiek op zowel het al te rechtse programma (VOKA als bovenbaas van De Wever) als op het loslaten van de Vlaamse verzuchting, het zelfbeschikkingsrecht, niet ernstig neemt, zou deze ommeslag wel eens kunnen uitdraaien op een verlies van haar electorale basis. Dat er begrip is voor ‘de koelkast’ betekent nog niet dat deze DNA-elementen ook in ‘de diepvries’ mogen.
 
De rechtse grondstroom waarop volgens sommigen de N-VA haar succes baseerde lijkt mij op zijn minst vatbaar voor discussie. Dat Belgischgezinde opiniemakers als de dood zijn voor het succes van het communautaire confederaal verhaal is begrijpelijk. Maar dat N-VA vooral stemmen zou gewonnen hebben wegens zijn economisch rechts programma, werd nergens aan de hand van transparante (verifieerbare) studies aangetoond. Het is veel waarschijnlijker dat de winst er niet kwam omwille van het rechtse verhaal maar enkel omwille van een heel beperkt onderdeel ervan. Namelijk wegens de aangekondigde beteugeling van de sociale en fiscale misbruiken. Een strenger migrantenbeleid en een sociaal systeem dat niet langer misbruikt wordt door klaplopers en politici die dit beleid misbruikten om electorale redenen. Ik kan mij zelfs niet voorstellen dat diezelfde kiezers (o.a. komende van het Vlaams Belang) ook gelukkig zijn met het ongemoeid laten van de superrijken die geen of nauwelijks belastingen betalen op hun  winst op financiële producten (dat is iets heel anders dan de winst bij verkoop van een bedrijf dat men zelf heeft opgebouwd met alle risico’s van dien, cfr Coucke). Overigens is het fout dat winsten op kapitaal totaal onbelast zijn en jawel, de rijken betalen wel belastingen. Ook daarover zouden de media duidelijker kunnen zijn. Dat deed  De Bron wel (hier te lezen).
 
Waar deze regering niets aan kan/zal veranderen zijn de publieke transfers tussen de gewesten, waarbij, volgens Vives, Vlaanderen voor het laatst gekende jaar (2011) 6,2 miljard euro bijdroeg, zonder het aandeel dat Vlaanderen bijdraagt in de afbetaling van en interesten op de staatsschuld (die nu bijna 400 miljard euro bedraagt). Aan een gemiddeld tarief van 2% betaalt de staat zo’n acht miljard euro interesten per jaar. Geld dat dus niet kan besteed worden aan een lastenverlagend beleid.

Het essentiële verschil


 

De vraag over het succes en de regeringsdeelname verplicht ons om dieper te graven en niet stil te staan bij alleen maar de zichtbare tegenstellingen en al of niet foute keuzes. Over het regeringswerk kan na enkele maanden weinig gezegd worden. Het zou wel helpen mochten de regeringsleden wat minder ‘ballonnetjes’ oplaten.
 
Waar heel veel kiezers naar uitkijken en hopen te vinden bij de N-VA, zijn hoogstaande politici in plaats van vooraanstaande vedetten. Politici die een duidelijke taal spreken en betrouwbaar zijn. Die (nog) niet gecorrumpeerd zijn door ‘het systeem’. Die zich werkelijk inspannen om door hun persoonlijke houding, de eerlijkheid en oprechtheid van de ‘Beweging van alle Vlamingen’ blijvend uit te dragen. Wanneer N-VA zich niet wil bezondigen aan dezelfde fouten die de traditionele partijen deed afkalven, dan moet ze er vooral voor zorgen om zelf geen traditionele partij te worden. Dat verschil is naar mijn aanvoelen het cruciale DNA-element dat N-VA nooit mag opgeven. Zonder is ze betekenisloos en zal het succes slechts van korte duur zijn. Te hoog gegrepen? 

Juist of fout, drie citaten


 

Eric Van Rompuy in ‘De Zondag’: 'Ik stel vast dat N-VA geen punt maakt van haar communautair programma. Het confederalisme was vóór de verkiezingen het wezen van de partij, maar ze heeft dat nu in de koelkast gestopt. (…) En als deze regering na vijf jaar slaagt in haar opzet, dan bewijst N-VA mee dat dit land wel degelijk bestuurbaar is en het confederalisme dus overbodig'. 
 
Dave Sinardet in LLB (vrije vertaling) over de geheime akkoorden in Atoma-schriftjes: Er zijn altijd geheime akkoorden tijdens regeringsonderhandelingen. Maar wat betekent een geheim akkoord nog op het einde van een legislatuur? Dat Jambon zich versprak heeft te maken met de moeite die hij heeft om zich ten opzichte van zijn nationalistische achterban (en zichzelf) te rechtvaardigen’.
 
Mark Grammens in ’t Pallieterke (over het Vlaams pacifisme en de besparingen op  defensie): ‘En dus wint de verdenking veld dat het leger er niet is om in conflicten tussenbeide te komen, maar dat de conflicten aangegrepen worden om de militaire tewerkstelling te bevorderen.’
 

Pjotr

25 november 2014

Wanneer Madame Soleil Sinterklaas speelt

MEDIA EN POLITIEK   ANDERS GELEZEN


Ieder boekske heeft zijn ‘Madame Soleil’. Die kent onze toekomst. Maar  sommige politici en andere maatschappelijke spelers blijven stekeblind voor de toekomst. Ze spelen liever Sinterklaas.
 


Madame Soleil, geboren als Germaine Soleil in 1913 te Parijs was een astrologe. Bij haar stond de toekomst in de sterren geschreven. En als grote ster haalde ze de grote radio- en TV-stations, Europe 1 en TF1. Met het geld dat ze daarmee verdiende ondersteunde ze ‘Les restos du Cœur’ van Coluche.

De duurste zonneschijn ooit


Onze eigenste Madame Soleil, geboren als Freya Van den Bossche in 1975 te Gent, was een populaire Vlaamse minister van Wonen en Stedebouw. Ze haalde alle bevriende TV-kanalen, VRT en Canvas, dank zij haar onbesproken gedrag, haar intelligentie en haar verleidelijk figuur. Ze werd als electoraal kanon op de handen gedragen door haar partij en in het bijzonder door Johan Vande Lanotte die haar dan ook koos als opvolger voor de post van minister van Begroting. Daar had ze wel geen verstand van, maar dat was juist de bedoeling. Madame Soleil als Zwarte Piet van de Sinterklaas bij uitstek.  


Haar status van Madame Soleil kreeg ze door haar groenestroombeleid. Een ideetje dat door de grote sp.a-roerganger Stevaert werd gelanceerd en waardoor zij zich - mede dank zij de steun van Johan, Keizer van Oostende - in de gunst kon werken van de grootindustriëlen. Het deerde haar niet dat de factuur werd doorgeschoven naar de kleintjes, gewone families.



In totaal betaalt de Vlaamse overheid elk jaar zo’n slordige 230 miljoen euro aan deze grootverdieners (waaronder succesvolle  industriëlen en zelfs een bank, ING). Samen exploiteren ze 3.386 grootschalige zonnepanelenparken. Een industrieel, Fernand Huts, grote baas van Katoen Natie, ontvangt zo jaarlijks een subsidie van meer dan dertien  miljoen euro. Energie als investeringsvehikel op kosten van de gemeenschap. Wie anders dan de Vlaamse politici zijn hiervoor schuldig?

Industriële afbouw is niet te stoppen


Ondertussen brokkelt het industriële weefsel in Vlaanderen zienderogen af. Vijfentwintig procent in de laatste tien jaar (hier te lezen). En de reden is gekend en nog voor lange tijd onomkeerbaar: we kunnen niet op tegen de concurrentie van de lagelonenlanden. Zelfs wanneer firma’s zoals Van Hool een groot order binnenhalen, bouwen ze een nieuwe fabriek in Skopje (Macedonië) omdat de productie daar goedkoper is. Zouden ze het werk hier houden zijn ze te duur en lopen ze het contract mis. Economische logica kan simpel zijn.



Terwijl het milieu een thema is dat de gepamperde en risicoschuwe Vlaamse elite geweldig beroert en alle media er uitgebreid over berichten, blijkt de dramatische industriële aftakeling van Vlaanderen geen dringende issue te zijn. Ook niet voor de vakbonden. Hoe dat komt weten we ook: ze willen het gewoon niet geweten hebben.

We investeren in dure en  onstabiele energiebronnen om het milieu te dienen, maar door die dure energie bemoeilijken we nog meer de industriële productie. De stabiele en minst belastende nucleaire energie moet weg, omdat er ooit een zware prijs zou hangen aan de verwerking/opslag van het hoog radioactief afval. Terwijl innovatie in dat domein met grote waarschijnlijkheid het probleem kan voorkomen. Controversieel? Ja, maar mag daar eens een debat aan gewijd worden  dat gebaseerd is op feiten en cijfers, in plaats van geloofsbelijdenissen en dooddoeners?

Ondertussen vindt niemand het nodig om voor de vervanging ervan een plannetje te maken. We kozen zonder veel studie en voorbereiding voor de hernieuwbare energiebronnen, zon en wind. Dat die onstabiel en duur zijn, was voor de ‘Groene Beweging’ een detail. Dat we heel wat (dure want onderbenutte) capaciteit ‘in reserve’ moeten houden, mocht het feest niet bederven. En we weten nu ook wat politici doen om dat te realiseren: zorg dat er wat goeie vrienden heel veel geld aan verdienen. Daarom mocht Madame Soleil ( als symbool voor deze amateuristische aanpak) ook Sinterklaas spelen. Want één ding zijn we ondertussen vergeten: Madame Soleil kan zich ook wel eens vergissen.

Het gigantisch groot aantal artikels over de economische globalisatie ten spijt blijven veel politici en vooral de vakbonden, de werkelijkheid ontkennen. De lonen moeten hoger, de werkdruk lager, werklozen moeten meer krijgen en de pensioenen moeten naar omhoog. Waar het geld vandaan moet komen is dan gauw gevonden: de superrijken moeten die acht miljard maar ophoesten en het probleem is van de baan. Met die boodschap is zowat 90 % van de Belgen akkoord. Immers, het zijn de andere 10 % die ervoor opdraaien. Opnieuw dus de gemakkelijke oplossing: we gaan het bij de anderen halen. Maar wat er zou gebeuren mocht men deze nieuwe geldophaling doorvoeren, en hoeveel de opbrengst zou zijn, weet niemand. En wat we vooral niet mogen weten is waarvoor dat geld uiteindelijk zal dienen. Welke nieuwe Sint zal er opstaan om het geld rond te strooien.

Gelijkheid betekent iedereen veel minder  


Er zit een kronkel in de redenering van de linkse politici en de vakbonden: door meer (geld) te willen, verdelen we minder (werk) en wordt de ongelijkheid (tussen werkenden en werklozen) groter. Want dure arbeidskrachten kunnen enkel gecompenseerd worden door meer efficiëntie. Niet alleen door technologie maar ook door het personeel steeds meer te belasten. De kostprijs daarvan kennen we ook: meer welvaart maar minder welzijn. Meer ziekten en een hogere kostprijs voor de ‘volksgezondheid’.


Minder werken spoort wel met meer tewerkstelling, maar dan moet de kostprijs dalen en dat is al evenmin bespreekbaar. Gemakshalve dan maar de ondernemer zijn winsten afromen, maar niet zijn risico’s dragen?

Povere alternatieven 


Telkens het debat gaat over wat we hier nog kunnen doen om mondiaal te overleven, komen twee alternatieven aan bod: meer gesubsidieerde arbeid en de uitbouw van de dienstensector.


Hoe men echter de begroting in evenwicht kan houden en toch werk creëren  via publieke investeringen kon ook professor De Grauwe niet uitleggen. Schulden maken wel, maar dat is toch maar een ander woord voor het lenen van geld aan de volgende generatie. Mooi en niemand voelt het nu. Ondertussen blijft het zoeken naar die ene Belgische regering die spaarde op momenten dat het wel kon. Eens Sinterklaas, altijd Sinterklaas. Het is godgeklaagd dat de brave Zwarte Piet wordt gecontesteerd.

Dat de dienstensector veel mensen kan tewerkstellen konden we al vaststellen bij alle administraties. Het succesverhaal van de linkse visie en de vakbonden: steeds meer mensen en tegelijk minder werken. Alleen de kwaliteit valt wat tegen.

Men vergeet ook dat een bloeiende private dienstensector al evenmin een duurzame oplossing biedt, want zonder een sterk industrieel weefsel waar men nog iets ‘maakt’ zal ook de toelevering van diensten niet lang ‘bloeien’.

Er zijn wel toekomstmogelijkheden




Eén alternatief is de industrialisatie van nieuwe producten. Want er één zekerheid in de economische wereld: wie het beste product heeft zal altijd aan zijn trekken komen. Innovatie is daarbij de belangrijkste factor maar vergt veel privaat risicokapitaal. Bij voorbeeld het geld dat Coucke hieraan wil besteden. Dat precies hij geviseerd wordt is jammer want hij is een van die uitzonderingen die Vlaanderen groot kunnen maken. Andere industriëlen haken veel te snel af wegens te weinig ambitie. Eens hun bedrijf vijfentwintig miljoen euro waard is, passeren ze snel langs de kassa. Deze kruideniersmentaliteit is helaas typisch voor het Vlaamse (kleinschalig) bedrijfsleven.


Maar ook overheidssteun is noodzakelijk voor meer en beter onderwijs en voor genereuze (maar gecontroleerde) financiële injecties voor Onderzoek en Ontwikkeling. Minder regels en een vlottere publieke dienstverlening. Een goede mobiliteit en voor alles minder afgunst.


Beste lezers, met voorgaande afsluitende paragrafen wou ik alleen maar aantonen dat beleidsmakers niets hoeven uit te vinden. We weten het allemaal al zo lang en toch blijven onze beleidsverantwoordelijken Sinterklaas spelen.



Pjotr

 


 

16 november 2014

De verscheurde Vlaamse christendemocratie




MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN

Tijdens gesprekken met CD&V’ers valt op hoezeer de christendemocratie vandaag wordt verscheurd door de tegenstellingen tussen de ACW-militanten en de rechtse vleugel.
 
In een opmerkelijke bijdrage in De Tijd over ‘De uitgeteerde staat’ geeft Rik Van Cauwelaert aan hoe slecht het gesteld is met de Belgische instellingen. Maar hij zoekt de oorzaak niet alleen bij de fiscale fraudeurs en dat is uitzonderlijk in een periode waarin vooral zij de kop van jut zijn. Vanzelfsprekend stelt hij de fiscale ontwijkingsmechanismen aan de kaak – de Luxemburg-route en de ‘Londense City’ als één grote offshore-constructie – maar hij heeft ook oog voor wat de Belgische regeringen de voorbije decennia nalieten te doen. Een gedeelde verantwoordelijkheid waar ook CD&V niet aan ontsnapt.

Van Katholieke Volkspartij naar verzuilde CD&V


Het groot maatschappelijk draagvlak van de Vlaamse christendemocratie berustte op twee pijlers: het Vlaams karakter en de sterke bindingen met het middenveld – zowel de vakbonden als de middenstand. Aanvankelijk vertegenwoordigde de ‘Katholieke Partij’ (tot 1945) de Vlaamsgezinde grondstroom, waarbij de (vooral sociale) ontvoogdingsstrijd centraal stond. Toen spoorden Vlaamse en sociale eisen gelijk. Vanaf 1958, werd de CVP de stuwende kracht achter de splitsing van de universiteit van Leuven en uiteindelijk werd ook de Belgische christelijke partij opgesplitst in 1972. Het was de start van een moeizame hervorming van de unitaire naar een federale staat.
 
Vanaf de jaren zeventig worstelde de partij zich door opeenvolgende communautaire hervormingen die nooit duidelijkheid noch beter bestuur opleverden. In ruil voor stukjes autonomie werd de Vlaamse meerderheid vergrendeld en nam de politieke macht (inclusief bijwijlen chantage) van de Franstaligen toe. Binnen de partij versterkte de ACW-vleugel zijn macht (de nieuwe naam beweging.net brengt geen wezenlijke verandering en is daarom niet relevant). Het ACW kaapte de electorale resultaten en zelfs ministers deden nauwelijks nog moeite om te verhullen dat ze in de eerste plaats voor het ACW reden.
 
Ondanks verschillende discrete en zelfs openlijke oproepen aan het ACW om meer aandacht te besteden aan het Vlaams karakter van de CD&V bleef het een conservatief bastion dat vasthield aan de unitaire structuur en daardoor de facto de tegenstrever werd van de Vlaamsgezinde CVP-leden en -kiezers die net meer autonomie wensten. Het gebrek aan inlevingsvermogen en bereidheid om het ACW van alle Vlamingen te zijn, resulteerde in een verlies van negen zetels in de Kamer tussen 1995 en 2003; een absolute neergang. Toen werd een kartel gevormd met de Vlaams-nationalisten (N-VA).   

 

Het kartel met N-VA


Het samengaan met de N-VA leverde in 2007 voor het kartel 30 zetels op (een winst van negen zetels in het parlement) en CD&V-kopman Leterme kreeg maar liefst 800.000 voorkeurstemmen (voor de senaat). Maar het kartel botste op een Franstalig NON waardoor elke ernstige staatshervorming onmogelijk werd.
 
De ACW-vleugel zag met lede ogen het samengaan met de rechtse N-VA aan en uit gesprekken blijkt maar al te duidelijk dat daardoor de tegenstellingen binnen CD&V nog toenamen. Maar ondanks alles bleef er voldoende cohesie om ten minste nog een begeerlijke bruid te zijn die nog steeds in het midden van het bed lag.

Oorlogsretoriek


Dat het ACW zijn medeverantwoordelijkheid in het debacle van Dexia deels kon ontlopen, terwijl hun misleide ‘Arco-spaarders’ – meestal ook vrijwilligers en ACW-militanten - voor hun megalomane hebzucht moesten betalen, zorgde voor introspectie. Maar dat leverde voorlopig alleen maar een cosmetische naamsverandering op. Want  tegelijk volgde men naar buitenuit een totaal verkeerde strategie. Men koos voor de aanval (als de beste verdediging) in plaats van een gemeend mea culpa te slaan.
 
Dat net de nationalisten van N-VA hen beschuldigden, was als het ware een godsgeschenk. De vijand kreeg een naam en een gezicht: N-VA volksvertegenwoordiger Peter Dedecker. De talrijke militanten werden voorgesteld als de slachtoffers van deze vijand en zo slaagde men erin (met de hulp van de gezagsgetrouwe media) om via de ACW-mandatarissen de eigen verantwoordelijkheid zo veel mogelijk onder de radar te houden.
 
Veel militanten zijn de ‘ACW-leiders’ in hun aversie voor N-VA gevolgd. Het misprijzen waarmee men soms spreekt  over N-VA-mandatarissen die ‘het niet kunnen’ is helemaal niet christelijk meer en zelfs onfatsoenlijk. Precies alsof er ook bij CD&V  geen mandatarissen zijn die weinig te bieden hebben. Maar ja, het klopt wel dat onder de N-VA-mandatarissen er zijn die meegesurft hebben op het succes van hun populaire partijleider en het helpt nog minder dat net deze mensen niet de meest bescheiden collega’s zijn.
 
Daarnaast is er die kwalijke gewoonte om mekaar vliegen af te snoepen. Maar nu komen daar ook zoveel negatieve (soms hatelijke) emoties bij.  Dat draagt alvast niet bij tot goed bestuur. CD&V dat volgens eigen zeggen staat voor ‘samenwerking’ laat hier toch wel steken vallen.
 
Dat deze afkeer leidt tot intern kritiek is een groter probleem. Zo nemen ACW’ers het de CD&V-top kwalijk dat ze een regering gevormd hebben met N-VA. Het ‘onzalige’ kartel waardoor volgens hen N-VA groot werd ligt nog steeds zwaar op de maag. Maar ook daarin vergist men zich, want het is duidelijk dat CD&V veel Vlaamsgezinde kiezers verloor aan N-VA omdat CD&V zelf zijn Vlaamse pijler verwaarloosde. Niet omwille van het kartel, maar omwille van de halfslachtigheid van de bereikte communautaire compromissen. Ze hebben de polarisatie niet verminderd maar wel het landsbestuur hopeloos ingewikkeld en veel te duur gemaakt.

De verdeeldheid moet stoppen


Het wordt hoog tijd dat CD&V duidelijkheid schept en een poging doet om de opgestookte tegenstellingen die de basis diep aanvreten, te milderen.
 
Maar de grootste verantwoordelijkheid van die verdeeldheid ligt bij de ACW-top. Ze zouden alvast hun oorlogsretoriek kunnen stoppen en hun bereidheid tonen om (morele en financiële) verantwoordelijkheid te nemen voor de aangerichte schade. Maar zelfs dat is niet voldoende. 
 
Waar het om gaat is dat CD&V een antwoord moet vinden op de vraag waarom de partij er niet in slaagt om het ACW en de rechtser Vlaams vleugel te verzoenen. Het is voor velen totaal onbegrijpelijk waarom het ACW zo vasthoudt aan de Belgische politieke structuur en zich afzet tegen meer Vlaamse autonomie, terwijl al haar leden en haar ‘klanten’ uitsluitend Vlamingen zijn. Of zou het dan toch waar zijn dat deze organisatie zich beter thuis voelt in het troebel water van een slecht functionerend beleid? Dat ze elke openheid en verantwoordelijkheid als ‘rechtspersoon’ weigert omdat hun ontransparant financieel beleid geen daglicht verdraagt?


Prof Blanpain die men moeilijk kan verdenken het ACW onvriendelijk gezind te zijn, publiceerde enige tijd geleden een artikel waarin hij het heeft over het miljard BEF dat het ACV in Luxemburg ‘parkeerde’ en waarop geen belastingen worden betaald. In datzelfde artikel veegt hij de vloer aan met het smoesje dat het ACV gebruikt om haar oorlogskas geheim te houden. Ik kan mij met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat hun oorlogskas zou verminderd zijn nu nog meer werklozen zorgen voor een hoger inkomen (à rato van 313 euro per werkloze) en het aantal stakingsdagen niet is toegenomen.


Tenslotte zouden de CD&V-verantwoordelijken (samen met hun collega’s van de andere traditionele partijen) nog eens de laatste paragraaf van Van Cauwelaert zijn bijdrage in De Tijd moeten lezen: Meer dan 100.000 betogers kwamen donderdag in Brussel hun ongenoegen uitschreeuwen over de besparingsplannen van de nieuwe centrumrechtse regering. Een protest tegen de schabouwelijke manier waarop zij de voorbije decennia werden geregeerd, zou juister zijn geweest.


Pjotr