04 april 2014

Federaal beleid is niet belangrijk


 


MEDIA EN POLITIEK  -  ANDERS GELEZEN
 
Twee opvallende voorbeelden en dan nog in twee totaal verschillende domeinen, leren ons dat in de ogen van sommige politici en mediakanalen het federaal niveau steeds onbelangrijker wordt.

Voorbeeld 1
Defensiebeleid in communautair vaarwater
 Defensieminister De Crem wordt dan toch geen secretaris-generaal van de NAVO. Maar ondertussen zit hij niet stil. Zo heeft hij nog een investeringsplannetje van 170 miljoen euro op tafel liggen. Dat moet ervoor zorgen dat de Airbus A400M, vervanger van de ondertussen zo vertrouwde C130-vrachtvliegtuigen, kunnen opgevangen worden op de luchthaven van Melsbroek. De MR, bij monde van Denis Ducarme verwijt De Crem in La Libre Belgique een gebrek aan transparantie en (opnieuw) een Vlaamse voorkeursbehandeling in plaats van een Belgische visie.

 Melsbroek ligt toch in Vlaanderen
 Melsbroek ligt in Vlaanderen en dus liggen de Franstaligen dwars. Na de rel rond het tekort aan Franstalige generaals ligt er een nieuwe ronde communautaire touwtrekkerij op de tafel. In LLB heeft MR-politicus Ducarme nogal wat bezwaren. Zo laat hij optekenen (vrije vertaling) “Er is geen enkel debat geweest, noch een goedkeuring om de acht A400M te stationeren op de basis van Melsbroek. Daarom probeert De Crem het er nog gauw gauw op het laatste door te sluizen. We moeten hier eerst over discussiëren vooraleer de officiële bestelling wordt geplaatst”. Zij die de aankoop van de A400M geen goede zaak vinden zullen deze steun uit onverwachte hoek wel appreciëren. Maar meer dan een achterhoedegevecht is het niet.
Ducarmes oproep om nog geen beslissing te nemen en dus de bestelling op de lange baan te schuiven is een niet mis te verstane dreiging. Van oorlogstaal (of noem het chantage) zijn ze duidelijk niet bang bezuiden de taalgrens. Maar dat wisten we al van toen Vlaanderen meende de (Waalse) wapenexport te moeten tegenhouden op basis van humanitaire     argumenten. Het duurde hooguit één week en de wapenexport was geregionaliseerd. Zo simpel is het wanneer men op tafel durft te kloppen.
Maar gelukkig is er aan Waalse kant geen sprake van enig bekrompen provincialisme. Voor de MR moeten de vliegtuigen naar de luchtmachtbasis in Florennes (Provincie Namen, waar de MR voet aan de grond heeft), maar de PS verkiezen de luchthaven van Beauvechain (Waals Brabant en thuishaven van Flahaut). Vermoeiend, maar oh zo Belgisch.

 Militaire technologie splitsen

Het gaat voor Ducarme niet enkel over de stationering, want zo merkt hij op, “deze investering zorgt ervoor dat Vlaanderen nog meer militaire technologie op haar grondgebied krijgt. Zoals dat ook al het geval was met de F16”.
 Melsbroek is inderdaad Vlaams grondgebied en we weten dat het territorialiteitsprincipe voor de Waalse politiek heilig is. Behalve als het gaat om Franstalige taalprivileges. Een zoveelste voorbeeld van het gebrek aan een gemeenschappelijke visie en van de de facto splitsing van België. Hopelijk wordt de Vlaamsgezinde vleugel binnen CD&V wakker, mocht blijken dat een van hun ministers nog maar eens wordt weggezet.
Ducarme gaat trouwens in de fout met zijn verwijzing naar de F16-aankoop. De 'compensaties' gingen, afgaande op de officiële en niet-betwiste cijfers, in grote mate naar Waalse en Brusselse bedrijven.
Om zijn oproep kracht bij te zetten vond Ducarme instemming bij Luc Gennart (kandidaat op de MR-lijst en voormalig commandant van de luchtmachtbasis te Florennes). Na diens verwijten aan De Crem die te weinig Franstaligen benoemde tot generaal, heeft hij hier een tweede kans om stoorzender te spelen. Volgens hem “is de plaatsing in Florennes goedkoper en Melsbroek zal binnen tien jaar toch moeten verdwijnen onder expansiedruk van de luchthaven van Zaventem”. Over de prijs zal nog wel een woordje gesproken worden maar het is wel wenselijk dat de regering een duidelijk antwoord geeft op de overlevingskansen van de militaire luchthaven te Melsbroek op langere termijn.
De conclusie zou dus wel eens kunnen zijn dat zijn laatste defensieproject in de federale koelkast verdwijnt. Dan is het tijd voor De Crem om naar zijn thuisbasis terug te keren, waar hij samen met de N-VA wel de lakens kan uitdelen zonder tegenstand. Voor een polyglot en ambitieus man is dat een magere troost.  

Voorbeeld 2 
De berekening van partijprogramma’s
 Een gemeenschappelijk initiatief van de VRT, De Standaard en De Tijd doet beroep op academici om de partijprogramma’s te berekenen. Mooi initiatief liet ik de ombudsman van DS weten. Maar zo vroeg ik hem, zullen ook de partijprogramma’s van de Franstalige partijen berekend worden? Eraan toevoegend dat ook deze programma’s een belangrijke rol spelen tijdens de regeringsonderhandelingen. Zijn antwoord kan u hieronder lezen.
Tom Naegels, ombudsman: “Ik heb net gebeld met professor André Decoster, professor aan de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen aan de KU Leuven, die de berekening doet in opdracht van de VRT, De Standaard en De Tijd. Hij vertelt me dat de partijprogramma's van de Franstalige partijen niet in het project zijn opgenomen. Voor de *federale* materies zou het op zich een goed idee zijn, zegt hij zelf, omdat de Vlaamse partijen ook in hun verkiezingscommunicatie vaak verwijzen naar voorstellen aan Franstalige kant, en dan is het nuttig om ook de kostprijs daarvan te kennen. Maar uiteindelijk heeft, tijdens de gesprekken over het afbakenen van het project, die piste het niet gehaald, omdat 1. de Franstalige partijen bij aanvang weinig animo vertoonden voor het project (ondertussen is dat enigszins veranderd, zegt professor Decoster, maar nu is er niet genoeg tijd meer), 2. de media die opdrachtgever waren, zich als eerste opdracht stelden om hun Vlaamse kijkers en lezers te informeren over de voorstellen van de partijen waar die kijkers en lezers daadwerkelijk op kunnen stemmen, 3. de KUL minder tijd en mankracht heeft dan het CPB in Nederland, dat al lang de partijprogramma's doorrekent.
In december vorig jaar publiceerde dezelfde onderzoeksgroep wel een doorrekening van een voorstel van de MR voor nieuwe tarieven in de personenbelasting: http://www.flemosi.be/uploads/222/131226%20MR%20flash.pdf”. Einde citaat.

Waalse partijprogramma’s niet interessant
De argumenten van professor Decoster, KU Leuven, roepen toch wel belangrijke vragen op.
 
Eerste argument: de Franstaligen waren niet geïnteresseerd
Met zijn eerste punt maakt hij duidelijk dat zijn onderzoek afhankelijk was van de bereidheid van de (Franstalige) politieke partijen om zich al of niet te onderwerpen aan deze ‘proef op de som’. Sinds wanneer mag een onafhankelijk onderzoek zich neerleggen bij het gebrek aan goodwill bij de doelgroep? Ik kan mij wel voorstellen dat politieke partijen die hun voorstellen zelf niet becijferden of de cijfers niet willen vrijgeven, geen gemakkelijke ‘klanten’ zijn. Maar het lijkt mij objectief wel noodzakelijk om de lezers/kijkers hierover te informeren over de onwil van de Franstalige partijen.
Misschien is dit argument slechts een voorwendsel dat moet verhullen dat zowel de  opdrachtgevers als Decoster het belang van de Franstalige voorstellen onvoldoende inzagen.  Of de vinger niet op de zere wonde durven leggen.
Decoster antwoordt nochtans dat het interessant zou zijn omwille van de federale materies. En hij heeft absoluut gelijk want uit zijn eigen cijfers blijkt dat het federale niveau ook na de zesde staatshervorming nog altijd belangrijker blijft dan de gewesten: Alles samen behoudt de federale overheid de controle over zo'n 55% van alle openbare uitgaven in België (33,8% voor het federale deel van de SZ en 21,4% voor de andere federale overheden, cijfers prof. A. Decoster). Het volledig artikel dat handelt over de foute informatie door de VRT is hier te lezen. Uit dat artikel blijkt ook dat zowat 80 van de fiscale inkomsten federaal blijven.
Tweede argument: de opdrachtgevers waren niet geïnteresseerd
Volgens Decoster waren de opdrachtgevers vooral geïnteresseerd in de Vlaamse voorstellen omdat de Vlamingen enkel tussen die partijen kunnen kiezen. Naegels spreekt hem niet tegen. Een plausibele uitleg waarmee ze bevestigen dat in onze parlementaire democratie de kiezer irrelevant is eenmaal hij/zij het stemhokje verlaten heeft.
Inderdaad, de Franstalige partijprogramma’s worden pas belangrijk na de verkiezingen. Wanneer de Franstalige en de Nederlandstalige partijen samen aan de tafel zitten om een ‘gemeenschappelijk’ federaal regeringsprogramma te onderhandelen. Dan zijn alle partijprogramma’s – en vooral de onderlinge verschillen – belangrijk.
Het is jammer dat deze oefening niet belangrijk genoeg was. Jammer omdat het wel interessante informatie kan opleveren, waar we nu van verstoken blijven. Zo zou de invloed van elke partij op het regeringsbeleid kunnen in beeld gebracht worden. Wel vervelend voor politieke tenoren (zoals Verhofstadt met Paars) die hun partijprogramma opofferden aan hun persoonlijke ambities. Of zoals Leterme uiteindelijk verantwoordelijkheid nam ook al stond het volkomen haaks op zijn verkiezingsprogramma dat hem 800.000 voorkeurstemmen opleverde.
Maar wanneer de VRT, DS en DT zich niet interesseren voor wat er nadien kan komen, mag de vraag gesteld worden of dit initiatief wel de moeite en de kosten waard was. Immers, het regeerakkoord is altijd al een compromis tussen alle partijprogramma’s geweest. De berekening van de afzonderlijke programma’s zijn dan nutteloos, want niet meer adequaat.  ook Franstalige eisen liggen er op tafel. En het zal weinig Vlamingen verbazen mocht blijken dat het regeerakkoord vooral een doordruk is van de Franstalige partijprogramma’s. Kortom deze studie is te beperkt mede door de kortzichtigheid van de opdrachtgevers.
Derde argument: de KU Leuven heeft onvoldoende middelen
Het argument als zou de KU Leuven te weinig tijd en middelen hebben om ook de Franstalige partijprogramma’s te berekenen is op zijn minst opmerkelijk. Het ondergraaft de vorige argumenten. Als de KU Leuven dan toch niet de mogelijkheid heeft om alle partijprogramma’s te berekenen dan zijn de vorige argumenten zonder voorwerp. Het doet er dan niet toe of de Franstaligen geïnteresseerd zijn of niet. Het doet er dan niet toe of de opdrachtgevers het al of niet wilden. Eigenlijk is dergelijke redenering een academicus onwaardig. Het versterkt de idee dat men nogal amateuristisch (en wellicht te laat op het idee kwam om iets te doen) te werk ging. Het doet alvast vrezen voor de academische kwaliteit van het onderzoek.
Dit argument roept een ander vraag op: waarom doen de universiteiten niet meer onderzoek naar dergelijke onderwerpen? Het is toch van groot maatschappelijk belang te weten welke plannen de toekomstige federale regering heeft. N-VA wijst in haar verkiezingscampagne naar mijn aanvoelen heel terecht op het belang van de Franstalige partijprogramma’s. Het is wel zo dat de Vlaamse kiezers niet kunnen stemmen op de Franstalige partijen, maar die kiezers verwachten wel van hun Vlaamse verkozenen dat ze, bij de onderhandelingen met de Franstaligen de essentie van hun programma niet opgeven. Anders gezegd, ze mogen de belangrijkste politieke (maatschappelijke) breekpunten niet opofferen aan de gulzigheid van een minderheid.  

Mijn conclusie is dat de opdrachtgevers de met veel bombarie aangekondigde berekening van de partijprogramma’s nogal amateuristisch hebben aangepakt en dat zowel de media als professor Decoster  weinig inspanningen deed om ook de Franstalige partijen te overtuigen om al hun informatie vrij te geven.
De kans dat de Vlaamse kiezers nu met meer kennis van zaken zullen kunnen kiezen is niet meer dan een academisch verpakte fata morgana.

Citaten van de week

Bart Haeck in DT: Zo is het ook met de Belgische staatsschuld. Dat die te hoog is en dus lager moet, erkent vriend en vijand. Het maakt België kwetsbaar. De Belgische overheid betaalt op dit moment jaarlijks een goede 12 miljard euro rente. Dat is meer dan het totale budget voor werkloosheidsuitkeringen, loopbaanonderbreking en brugpensioen inbegrepen. En wat erger is, het is niet ondenkbaar dat een schok op de financiële markten de rente plots met de helft hoger doet schieten - denk maar aan de financiële crisis. De helft hoger betekent 6 miljard euro, of het budget van Defensie, Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking én Justitie samen. Dat is geen geruststellende gedachte.
DM 31/03/14 Peter Dedecker, N-VA (ACW geen kleine arme jongetjes): "CD&V heeft de laatste jaren niets betekend voor de Arco-coöperanten. Ze hebben er net alles aan gedaan om het dossier onder de radar te houden. Zelfs nu nog", vindt Dedecker. "In februari kreeg het kabinet van Geens het nieuws van de Europese Commissie dat hun onderzoek klaar is en dat de huidige staatswaarborg wordt vernietigd. Door een juridisch trucje heeft hij uitstel gekregen, maar iedereen weet dat het einde verhaal is voor de waarborg na de verkiezingen. Toch heeft hij niet de moed om dat te zeggen. Dat is pervers. Dat is mensen van de domme houden."
 "Laat ons even de rekensom maken. In De Morgen stond dat ze een commercieel contract hebben bij Belfius voor 1,1 miljard euro. Dat is een serieuze som. En dan weten we nog niet wat er bij andere binnen- en buitenlandse banken geparkeerd is. Daarnaast is bekend dat het ACW voor 17 miljoen aan verzekeringspremies betaalt voor haar patrimonium. Een aanzienlijk deel daarvan zijn brandverzekeringen. De normale factor daarvoor is 1 euro aan premie betalen voor elke 800 euro aan waarde van het gebouw. Je ziet: het ACW is echt geen groep arme, kleine jongens. Ze hebben nog altijd luxehotels in Frankrijk en Zwitserland. Loop eens over de Korenmarkt in Gent, het postkaartbeeld van de stad. De helft van de gebouwen daar zijn hun eigendom. Ook in Brugge en Hasselt bezitten ze historische panden. Het ACW kan de Arco-coöperanten voor een groot stuk vergoeden."
Jan Vandecasteele, algemeen secretaris OKRA, is woedend over de titel van het nieuwe boek van Peter Dedecker, ‘Een zuil van zelfbediening’. Zijn open brief is duidelijk: “Een zuil van zelfbediening, dat is de titel van het boek van Peter Dedecker.  Daarmee viseert hij ondermeer opnieuw de Christelijke Arbeidersbeweging waar OKRA een partnerorganisatie van is. Met een zin als dit haalt Dedecker het dagelijkse waardevolle werk van 15 000 OKRA-vrijwilligers onderuit en bij uitbreiding dat van alle vrijwilligers van de Christelijke Arbeidersbeweging”. Anders gelezen, is dit een heel begrijpelijke reactie. Misschien toch de lezers aanbevelen om het boek te lezen. Staat daar iets in over die waardevolle vrijwilligers? Of gaat het over een gulzige top die zwaar in de fout ging?
Tinneke Beeckman in DS (over traditie en erfgoed als garant voor cultuur-rijke toekomst): “Dat het Vlaamse culturele erfgoed niet meer wordt geapprecieerd, is dus dramatisch, zelfs voor de kritische geesten. Kritiek vraagt nu eenmaal meer dan sentimentele reacties uit afkeer of schaamte. En het wil meer dan de stelselmatige afbraak van elke politieke gemeenschap zoals avant-gardekunstenaars het graag zouden willen. Dat de samenleving steeds meer divers wordt, is geen excuus voor culturele nalatigheid: diversiteit vergroot het belang van cultureel erfgoed, zowel voor de oude als voor de nieuwe inwoners.”
 Pjotr
 
 



 

27 maart 2014

De media en extreme meningen



 

MEDIA EN POLITIEK  - ANDERS GELEZEN

 

 

Politici en de media spelen een hoofdrol in het informeren van de bevolking. Helaas wordt de lezer/kijker al te dikwijls getrakteerd op onvolledige of gebrekkige informatie. Logisch dat de kritische lezer/kijker afhaakt en het marktaandeel krimpt.
 
Toch zijn zowel de politici als de media als de dood om het debat te openen over de plicht tot objectieve informatie. Wellicht is deze angst ingegeven door het risico dat dan ook de subsidiëring wel eens ter discussie zou gesteld worden. Toch kan het niet dat men de subsidiëring als verworven beschouwt, zonder de kwaliteit van de informatieopdracht te beoordelen. Al te gemakkelijk roept men economische argumenten in om aan een correcte informatieplicht te verzaken. Zou het dan niet logischer zijn dat de privé sector  de kosten draagt?

 

Media en andere meningen

 

Waarom de media moeite hebben met sommige meningen is een intrigerende vraag. Eddy Daniels, eindredacteur van De Bron en gewezen hoofdredacteur van Imediair publiceerde zopas een interessante bijdrage waarbij hij put uit zijn persoonlijke ervaringen in het wereldje van de journalistiek. Neen luidt zijn conclusie, het gaat niet om een complot of inmenging van bovenuit maar is het gevolg van  het corporatisme van het journalistieke gild dat enkel gelijkgezinden opneemt in de hoogste (lucratieve) regionen van ons-kent-ons.
 
Zonder de stelling van Daniels in zijn geheel tegen te spreken, vond ik bij mijn onderzoek naar De Standaard[1] toch twee voorbeelden van partijpolitieke interventies door Thomas Leysen, voorzitter van de raad van bestuur van de krantengroep Corelio en dus de baas van De Standaard. Dat Leysen telkens vergat om zijn functie bij de krantengroep te vermelden is geen geruststellende ‘vergetelheid’. 

 

Thomas Leysen als bezorgde burger

 

Een eerste interventie waarin Thomas Leysen, een partijpolitiek standpunt inneemt, werd in De Standaard gepubliceerd op 7 juni 2010. Deze uitspraak werd nog belangrijker door de keuze van het ogenblik, net voor de verkiezingen op zondag 13 juni.
 
Een eerste citaat: “Ik schrijf dit stuk dan ook niet als VBO-voorzitter of als voorzitter van Umicore. Ik schrijf dit gewoon als een bezorgde Vlaming die niet van plan is om binnen enkele jaren, als het te laat is, aan zijn kinderen te vertellen dat we het niet hadden zien aankomen”. Waarom hij hier niet vermeldt dat hij ook de baas is van De Standaard kan alleen maar geïnterpreteerd worden als doelbewuste misleiding. Ik ken trouwens weinig ‘bezorgde burgers’ die enkel omwille van hun bezorgdheid een volle bladzijde in de rubriek Opinie kregen. Precies of zijn visitekaartje er niet toe doet.
 
De korte samenvatting van zijn oproep om niet voor N-VA te stemmen staat onderaan: “THOMAS LEYSEN Wie? Ondernemer. Wat? Kiezen voor separatisme zal ons zuur opbreken. Waarom? Het staatsbestel moet op een doordachte wijze hervormd worden.”

 

 

Een redactie onder druk

 

Op 12 juli 2012, opnieuw een cruciaal moment want net voordat Leterme op 15 juli het ontslag van zijn regering aanbood, verscheen in DS nog maar eens een bijdrage van Thomas Leysen. Ditmaal ondertekent hij als voorzitter van het VBO. Hierin schrijft hij onder meer: “Mijn laatste oproep gaat naar de media. Als de politiek er in de volgende dagen alsnog in zou slagen de visie op te brengen om een breed communautair vergelijk te verwezenlijken, zullen de pers en de audiovisuele media in de daaropvolgende uren en dagen een cruciale rol spelen. Kritische en onafhankelijke berichtgeving is essentieel in elke democratische samenleving. Het wordt echter gevaarlijk wanneer scherpe pennen en radde tongen op een scharniermoment overslaan in goedkoop cynisme of kleingeestig leedvermaak. Hopelijk zal de vierde macht, aan weerskanten van de taalgrens, kunnen weerstaan aan de drang om al diegenen die de moed zouden tonen met een oplossing voor de dag te komen, te bestempelen als volksverraders of als losers. Dan zou de pers immers de uiteindelijke verantwoordelijkheid nemen voor een welhaast uitzichtloze situatie, en zouden wij allen de echte verliezers worden”.
 
Dat Leysen deze bijdrage ondertekent als voorzitter van het VBO verandert niets aan het dwingend karakter van zijn oproep voor de redactie van de eigen kranten. Na deze publieke stellingname is het voor de redactie wel heel moeilijk om daar geen rekening mee te houden. Maar misschien had ‘zijn’ redactie deze waarschuwing niet nodig omdat het ook zonder hem al op dezelfde politieke lijn zat.

 

De VRT kiest voor inhoud

 

Het zal wel toeval zijn dat net nu de beste debater onder de partijvoorzitters, Bart De Wever van N-VA is, dat de VRT-verkiezingsredactie niet wil focussen op personen maar op partijprogramma’s. Wanneer dat ook op een correcte manier gebeurt is er geen probleem. Maar of daarmee de kiezers ook voldoende informatie krijgen is helemaal niet zeker. Eerst zien, dan oordelen. Mij lijkt het echter dat de belangrijkste aspecten van de politiek besluitvorming nog steeds het exclusieve privilege blijven van enkele partijvoorzitters en hun intimi. Daarover zullen we helaas veel te weinig horen of lezen. 
 
De VRT wil een bijzondere inspanning doen om de partijvoorstellen te evalueren. Controleren of de cijfers al dan niet kloppen. Een lovenswaardige poging maar niemand is tot op heden op het gedacht gekomen dat niet de partijprogramma’s noch het kostenplaatje bepalend zijn voor het toekomstig gevoerde beleid, maar de rekkelijkheid waarmee de partijen omgaan met hun eigen beloften. Ivan De Vadder (in De Zevende Dag) zou dus naast de cijfers ook de echte breekpunten voor elke partij eens moeten oplijsten. Immers, wat geen breekpunt is, is voor de partijleiding totaal onbelangrijk. Het kan anders zoals het eensgezinde front van Franstalige partijen nu al decennia in de praktijk bewijzen. Zou de VRT de kiezers daar niet moeten op attent maken?

 

Reynebeau sabelt andersdenkenden neer

 

In DS van 19 maart buigt Marc Reynebeau zich over het boek[2] dat gewezen bankier Remi Vermeiren onlangs schreef. Om te beginnen is het unfair van de redactie om de auteur niet zelf aan het woord te laten. Dat Reynebeau in zijn zeer eenzijdige recensie zelfs nalaat om de referentie van dit boek bekend te maken – de lezers zouden het toch  eens zelf willen lezen – bewijst hoe vooringenomen hij wel is. En hoe gewillig de redactie meegaat in de verkettering van andersdenkenden.
 
De techniek van Reynebeau is kinderlijk eenvoudig: haal uit het boek een negatief element en borduur daarop een volledige recensie die volledig voorbijgaat aan de essentie van het boek. Kwaadwillige opzet lijkt mij de enige drijfveer. Op die manier heeft hij in elk geval de geloofwaardigheid van De Standaard als kwaliteitskrant een flinke deuk gegeven.

 

Omgaan met extreme meningen

 

Naar aanleiding van mijn vorige bijdrage over ‘Gelijkgezinde media gezocht’ kreeg ik enkele bemoedigende reactie die aantonen dat sommige lezers wel degelijk open staan voor andere en zelfs extreme meningen.
Marcel De Rycke reageerde als volgt: ‘Voor mij mogen alle meningen aan bod komen, van uiterst links tot uiterst rechts, als ze maar in beleefde termen gesteld zijn en met duidelijke argumenten gestaafd. Een persoon die kennis neemt van welke mening dan ook moet voldoende nadenken over wat hij meeneemt van de verkondigde mening en wat hij ervan verwerpt. Een gezonde dosis argwaan is hier altijd op zijn plaats. Ook al ben ik het niet eens met een mening ik wil altijd luisteren naar de argumenten (vrij naar Voltaire).
 
Er is de laatste tijd heel wat te doen om de extreme verkiezingstaal in Nederland en Frankrijk. Wilders en Marine Le Pen boegbeelden van extreem rechts werden door alle media opgevoerd.
 
De vraag is hoe we best omgaan met extreme of zelfs racistische uitspraken van politieke tenoren? Er zijn drie mogelijkheden, (1) men zwijgt erover in de overtuiging dat het niet de media zijn die als klankversterker moeten optreden, ofwel  (2) men censureert de informatie ofwel (3) men geeft alle informatie zonder beperkingen en laat aan de kiezer over om te oordelen.

 

Doodzwijgen is een foute optie

 

De media kozen zeer dikwijls voor de eerste keuze – doodzwijgen – wanneer het ging om gevoelige maatschappelijke problemen. Zoals de moeilijkheden van het samenleven met verschillende culturen. We leerden ondertussen dat deze methode de problemen niet deed verdwijnen. Het negeren veroorzaakte vooral frustratie. Dat resulteerde in de opkomst en electorale winst van extreme partijen, zoals het Vlaams Blok.
 
Zopas schreef politicoloog Carl Devos in De Morgen dat we N-VA dankbaar moeten zijn dat ze door er niet over te zwijgen maar door nuancering van het dossier de stemmen van het VB kon recupereren.
 
Overigens was het opmerkelijk dat de ‘vader’ van het cordon sanitaire tegen het VB, Jos Geysels  in Terzake liet optekenen dat het cordon enkel bedoeld was om met het VB geen regering (of gemeentebestuur) te vormen en dat het niet de bedoeling was om VB-politici (of de problemen die ze aankaarten) dood te zwijgen.

 

Selectieve misleiding helpt niet

 

Over Wilders kozen de VRT en meerdere kranten en magazines voor de tweede optie, selectieve berichtgeving (enkel wat negatief was).  Het is goed dat men inziet dat doodzwijgen weinig zoden aan de dijk zet. Maar volstaat selectieve berichtgeving? Door de context van de uitspraak te negeren versterkte men het provocerend en racistisch karakter van de uitspraak over de Marokkanen in Nederland. Tegelijk zorgt deze aanpak dat er andere onbeantwoorde vragen rijzen. Onder meer de vraag, hoe het mogelijk is dat niettegenstaande de racistische inslag ervan, toch zoveel mensen het daarmee eens zijn?
 
Morele verontwaardiging is terecht maar mag geen excuus zijn om de mensen een deel van het verhaal te ontzeggen. Via internet deed al snel informatie de ronde over feitelijke gegevens die – gegrond of niet, de lezer zal daarover oordelen – uitleggen waarom Wilders deze uitspraak deed. Het gevolg is dat mensen beginnen twijfelen en zich afvragen waarom niet het ganse plaatje voorgelegd wordt. Want, mochten we het debat opengooien, dat  is het alvast mijn overtuiging, dan zal het gezond verstand van de bevolking de juiste weg wijzen. Precies omwille van het extremisme en racisme, maar zonder de (selectieve) morele verontwaardiging van de media.

 

Etnisch gelieerde problemen benoemen kan

 

Etnisch gelieerde problemen kunnen wel degelijk benoemd worden zonder dat de boodschapper neergesabeld wordt. Twee sprekende voorbeelden.
 
Luckas Vander Taelen (Groen) was de eerste die het aandurfde én ook publicatieruimte kreeg van DS om zijn kritiek te spuien op wantoestanden die veroorzaakt worden door allochtonen. Zonder hem zat men bij DS ongetwijfeld nog in de fase van ontkenning. Het werd Vander Taelen niet in dank afgenomen in de progressieve kringen waartoe hij behoort. Maar ondertussen is ook daar het licht gaan branden en zoekt men met minder emoties en taboes naar oplossingen in plaats van de boodschapper te verketteren.
 
Wanneer een prominent verdediger van de multiculturele samenleving zoals Daniël Termont, SP.A burgemeester van Gent, eiste dat er minder Roma’s zouden verblijven in Gent, dan is dat een veralgemeende veroordeling van deze bevolkingsgroep – en dus al even racistisch als de uitspraak van Wilders. Het gaat hier trouwens om eenzelfde achterliggende oorzaak waar ook Wilders naar verwijst (maar nergens gepubliceerd werd): criminaliteit. In het geval van de Roma’s gaat het over talrijke diefstallen met inbraak die door de politie werden vastgesteld of aan Roma’s werden toegeschreven. En ook in België is er een oververtegenwoordiging van allochtonen van Marokkaanse afkomst in de criminaliteitsstatistieken.
 
Wat Termont net als Vander Taelen met hun uitspraken bewijzen is dat het wel mogelijk is om etnisch gelieerde problemen te benoemen zonder meteen als racist weggezet te worden. Hun duidelijke standpunten hebben in elk geval diezelfde media en de bevolking nauwelijks opgeschrikt.
 
De media zouden daar lessen kunnen uit trekken. In plaats van de problemen dood te zwijgen of het schoolmeestervingertje in de lucht te steken, zouden ze ook kunnen vertrouwen op het gezonde verstand van hun kijkers/lezers. Na meer dan tien jaar dagelijks de media als kritisch consument van dichtbij te volgen heb ik de indruk dat de intellectuele elite, waartoe journalisten en kunstenaars zichzelf rekenen, schrik heeft van het gezonde verstand. Stel u voor dat de steeds beter opgeleide ‘straat’ gelijk heeft en niet zij die zichzelf de rol toebedeelden van schoolmeesters, of godbetert van opvoeders van delinquenten. Het zijn zelfs geen schoolmeesters, want voor wie het vergeten is, schoolmeesters dienen het zelfdenkend vermogen van de leerlingen te stimuleren, niet te dwarsbomen door informatie te verzwijgen.

 

Overlast zonder onderscheid

 

Wat deze uitspraken van Vander Taelen en Termont ook duidelijk maken is dat deze etnisch gelieerde problemen geen exclusieve dada zijn van extreem rechtse critici. Mij lijkt het vooral dat de belangstelling (of niet) voor deze problemen alles te maken heeft met de omstandigheid of men persoonlijk geconfronteerd wordt (of niet) met de overlast. Uit hun reacties blijkt dat er dan nauwelijks verschil is tussen de ‘rechtse racisten’ en de ‘progressieve elite’.
 
Dat nu ook de PS instemde met een strengere immigratiewetgeving heeft alles te maken met het toenemend ongenoegen bij de eigen basis. Diegene die zelf het  slachtoffer zijn van die wantoestanden in de ‘rode’ steden, en niet verder meewillen in het multiculturele verhaal.
 
Misschien kunnen we daarover eens in debat gaan.
 

 

Citaat van de week

 

Doorbraak, Harry De Paepe, over de angst voor N-VA:  “Maar waarop is dat 'bang zijn' nu gebaseerd? 'Het zijn nationalisten!' 'Ze zijn rechts!' Misschien wordt het tijd om de slogans even achterwege te laten. Mensen 'bäng' (ah, de umlaut) maken voor dreigende beelden van stampvoetende laarzen en schreeuwende bruinhemden door de straten van menig Vlaamse stad na 25 mei lijkt weinig efficiënt en zelfs een heuse banalisering van de geschiedenis. Een afkeer hebben van een ideologie is begrijpelijk en doodnormaal, maar bestrijd tegenstanders met argumenten, niet met visioenen vol umlauten. Doe ons politieke landschap een plezier, want het debat is op dat vlak al even folkloristisch als een man in pandapak op een televisieavond.
Ik was overigens eens in Wenen (oei, ze spreken daar Duits!) en ik wilde bij rood licht in een volkomen verkeersluwe straat oversteken. Je wil niet weten welke verwensingen ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg. Ik wachtte dan toch maar op groen licht. Het land en de stad zijn in handen van de linkse SPÖ (oei, umlaut!). Moest ik als 'auslander' nu ook 'bäng' zijn?” Anders gelezen, moet je wel bang zijn voor de socialisten in Wenen, want daar kan een mens zijn werk en zijn ‘sociale’ woning verliezen wanneer hij zich afkeert van de partij. De voedingsbodem voor het FPÖ van wijlen Jörg Haider. Eigen bult dikke schuld.

 

 



[1] Boek ‘dS anders gelezen’, ISBN 978 90813 71711, www.andersnieuws.eu
[2] Remi Vermeiren, België. De onmogelijke opdracht. Uitgeverij Pelckmans, 2014, 216 blz., 20,00 euro.

20 maart 2014

Zelfbeschikkingsrecht niet voor Vlamingen




 

MEDIA EN POLITIEK – ANDERS GELEZEN

 

 

 

 

B Plus is een drukkingsgroep die zich verzet tegen het zelfbeschikkingsrecht van de Vlamingen. Confederalisme is evenmin aan hen besteed.


Op de webstek van de drukkingsgroep B Plus lezen we het volgende: “Bij de stichting van B Plus in 1998, hebben de oprichters zich als doel vooropgesteld om een drukkingsgroep, over alle partijgrenzen heen, tot stand te brengen. Deze groep zou enerzijds verzet bieden tegen separatisme (= geen recht op zelfbeschikking) en anderzijds ijveren voor een waarachtig en evenwichtig federalisme”. 


B Plus telt enkele bekende namen: voormalig hoofdredacteur van HLN Luc Van der Kelen (politiek raadgever), ministers van Staat Freddy Willockx en Willy Claes en gewezen VRT- baas Tony Marie.


Universele principes à la carte

Naar aanleiding van het zopas gehouden referendum in de Oekraïense Krim regio werd in de media gediscussieerd over de vraag of het zelfbeschikkingsrecht - een positief principe dat universeel erkend wordt – dan toch ondergeschikt moet zijn aan het principe van de onaantastbaarheid van een nationaal territorium (en de heersende macht).  

In het middagnieuws (17/03) op Eén kreeg professor Rik Coolsaet (sp.a signatuur) de vraag voorgelegd of de inwoners van de Krim regio zich niet mogen beroepen op hun zelfbeschikkingsrecht? Het was verhelderend hoe hij – als socialist en absoluut verdediger van de mensenrechten - zich in alle mogelijke bochten wrong om maar niet te moeten zeggen dat de Krim bevolking zich inderdaad mag beroepen op dit principe. Hij verwees terecht naar andere gevallen, Tsjechoslowakijë en Slovenië die van dit principe reeds gebruikt maakten en volwaardige leden werden van de EU. Even terzijde, het aanvaarden van het zelfbeschikkingsrecht voor de Krim bevolking houdt géén goedkeuring in voor de Russische militaire interventie. Daarover is de VN duidelijk: "een staat moet zich onthouden van promotie of steun -direct of indirect- van rebellen of separatistische activiteiten in andere staten ... of andere activiteiten die de eenheid of politieke orde van andere staten ondermijnen". (VN, Verklaring over niet-inmenging 1981). Maar of dat voor grote landen (ook de VS) ook een echt obstakel is?

Coolsaet wees op het gevaar dat andere regio’s ook wel eens beroep zouden doen op datzelfde principe en daarom vindt hij dat het niet zomaar mag gelden. Zo degradeert hij dit universele principe tot een principe à la carte. Volgens hem kan het alleen wanneer ook de eigen staat (de heersende macht dus) hiermee akkoord gaat. Een omfloerste manier om neen te zeggen. B Plus zal dus alvast van hem geen ongelijk krijgen, wanneer ze de Vlaamse gemeenschap elk recht op zelfbeschikking ontzeggen.

Zijn betoog verviel helaas tot cafépraat toen hij zijn voorbehoud illustreerde met een  absurd voorbeeld: stel dat de gemeente ‘Baarle Hertog’ onafhankelijk wil worden en aansluiten bij Nederland. Zo trekt hij het zelfbeschikkingsrecht van een volk in het belachelijke en reduceert een volk tot een dorpskwestie. Voor een professor internationale relaties en gewezen directeur politiek, is dat wel heel kort door de bocht. Hopelijk laat de VRT in de komende uren en dagen nog andere specialisten aan het woord.
 

DM vreest Belgische Krim toestanden

 Naar aanleiding van de aangekondigde publicatie van het boek ‘België: De onmogelijke opdracht’ [1] schrijft  Bart Eeckhout in DM onder meer het volgende: “Het is zeer goed denkbaar dat de Franstalige meerderheid in de Brusselse rand zich, bijvoorbeeld via een volksraadpleging, wil losmaken van het nieuwe Vlaanderen. Voor je het weet worden de huidige faciliteitengemeenten dan een Belgische Krim”. Ook hier wordt een volk dus gereduceerd tot de inwoners van een gemeente. Als we dan toch even in deze absurde logica mogen verder gaan, dan volstaat het om elke faciliteitengemeente bij Vlaamse wet te fusioneren met Vlaamse gemeenten zodat de Franstalige meerderheid een minderheid wordt. Misschien moeten we Sint-Genesius-Rode (met de familie Van Rompuy) laten fusioneren zodat ze een deelgemeente wordt van groot Gooik (met huidig burgmeester Michel Doomst en bijzonder goede vriend van Herman Van Rompuy).  

Een waarachtig en evenwichtig federalisme

Bij B Plus en andere anti-Vlaamse krachten wordt het ‘zelfbeschikkingsrecht’ steeds vervangen door separatisme. Met dergelijk negatief geladen woordgebruik wil men de bevolking angst aanjagen. Separatisme klinkt als gevaarlijk, terwijl zelfbeschikkingsrecht een positieve boodschap is. Hiermee bewijst deze drukkingsgroep dat ze niet zozeer Belgisch zijn maar vooral anti-Vlaams.

Nochtans klinkt de tweede doelstelling van B Plus positief: ijveren voor een waarachtig en evenwichtig federalisme. Hun visietekst sluit af met de zin: “Verdraagzaamheid en solidariteit, met respect voor ieders verscheidenheid, vormen de basisbeginselen in de actie van B Plus”.

Alleen blijkt het ook voor B Plus bestuursleden onmogelijk om deze basisbeginselen ook in de praktijk te brengen. Zo konden we lezen op de website dat de heer Vanden Burre, voorzitter van het directiecomité van B. Plus in 2010 een boek schreef “OUI! UNE AUTRE BELGIQUE EST POSSIBLE”. Daarin staat hoe de Belgische staat in de toekomst kan heringericht worden. Helaas, naast de titel lezen we ook dat het boek enkel in het Frans verkrijgbaar is. Op een vertaling naar het Nederlands is het nog altijd wachten. Voorwaar een mooi bewijs van hun respect voor ieders verscheidenheid.

 
Confederalisme gewogen en te licht bevonden

In Knack (14/03) krijgt B Plus de gelegenheid om kritiek te spuien op het confederaal voorstel van N-VA. De conclusie is duidelijk: gewogen en te licht bevonden. Samengevat in vier woorden: antidemocratisch, anti-solidair, utopisch en onrealistisch.

Eerste argument
Het eerste argument is dat een confederatie de burger geen enkele rechtstreekse inspraak geeft. Het zijn de onafhankelijke staten die onderhandelen over het beleid.

Rechtstreekse inspraakmogelijkheden hebben niets te maken met een federaal of confederaal model (zie Zwitserland), maar wel met een parlementaire ‘vertegenwoordigende’ democratie. In een parlementaire democratie kiest het volk enkel zijn vertegenwoordigers. Wat de politieke partijen nadien doen met hun macht, daar heeft de bevolking evenmin nog iets over te zeggen. Overigens, de politieke partijen hebben evenmin de mening van de burgers gevraagd toen ze hun nationale partijen splitsten, wegens onleefbaar. De splitsingsdrang bestaat dus al heel lang.

In een confederaal model heeft de kiezer ten minste nog het voordeel dat hij de partijen kan sanctioneren, terwijl in het huidig Belgisch systeem – met de vele grendelwetten - een beleid mogelijk is dat niet gedragen wordt door een meerderheid van een gemeenschap. Mocht Vlaanderen dank zij een confederaal model zelfstandig zijn verkiezingen kunnen organiseren, dan zou het bij voorbeeld de kieswetgeving kunnen aanpassen en de particratie terugdringen. Het zou zelfs zonder het akkoord van Walen en Brusselaars een of andere vorm van rechtstreekse democratie kunnen invoeren, zoals het bindend referendum. De conclusie is dat dit argument nogal licht uitvalt.     

Tweede argument
De tweede bemerking is dat het voorstel van N-VA te radicaal is en “nog heel wat elementen moeten geverifieerd en/of becijferd worden”. De onrust zal daarenboven zorgen voor spanningen die dan hun weerslag zullen hebben op de welvaart van de burger. Tenslotte verwijt men vaagheid over de Duitstalige regio, Defensie en de controle van het Luchtverkeer.

Dat er nogal wat berekeningen nodig zijn klopt. Maar is het niet zo dat veel berekeningen wel mogelijk zijn maar niemand ze nodig vindt? Wellicht uit schrik dat de burgers te veel zouden weten. Bij voorbeeld zouden we graag willen weten hoeveel het voortbestaan van België kost en waarom niet alle financiële data van de regio/gemeenschap worden bekend gemaakt? Het zijn alvast niet de weldenkende Vlamingen die zich hiertegen verzetten.

Daarenboven blijkt ook de huidige staatshervorming – in casu als men alles concreet in wetten wil gieten- in vele opzichten nog verder moet geverifieerd, becijferd én door rechters beoordeeld worden. Voor talrijke regelingen – met name regelingen die Vlamingen manifest discrimineren – zijn er juridische procedures bij Arbitragehof lopende. Dat bewijst dat de compromissen in het federaal model evenmin duidelijk zijn.

Dat N-VA de Duitstaligen zelf laat kiezen in welke mate ze passen in het confederaal model is inderdaad vaag maar wel zeer democratisch. Het is ook véél democratischer dan het PS-model dat hen zelfs oplegt dat ze in praktijk dezelfde coalitie moet vormen als in Namen.

Over Defensie en nog andere samenwerkingsmogelijkheden zijn er voldoende onderhandelingsmogelijkheden. De voorwaarden zijn alvast duidelijk: samenwerking is aanbevolen wanneer er een gemeenschappelijke beleidsvisie is en er een win win situatie ontstaat voor de onafhankelijke staten.

Of er onrust zal zijn hangt niet af van de N-VA maar vooral van zij die zich ten allen prijze – ook als dat de welvaart in het gedrang brengt – verzetten tegen deze Vlaamse verzuchtingen en tegen het opruimen van de talrijke en zware discriminaties van Vlamingen. Hier draait men dus de zaken om: zij die verandering willen zijn a priori fout, zij die het status quo verdedigen hebben a priori gelijk. Hier is geen sprake van te licht bevonden, maar wel van het meten met verschillen maten en gewichten.

Derde argument
Het derde argument waarom het N-VA model niet voldoet is dat er een opdeling gebeurt volgens taal en dat is volgens B Plus uniek in de wereld. Voorts staat N-VA voor een donkerblauw project en wordt de solidariteit afgebroken.

Het gebruik van dit argument toont aan hoe wereldvreemd B Plus wel is. De werkelijkheid is immers dat in de meeste staten  er slechts één officiële taal ( met soms gedulde minderheidstalen) is. Daarenboven kennen alle democratische meertalige staten een duidelijke afgrenzing van hun taalgebieden. In ééntalige staten is er uiteraard geen nood aan een opsplitsing volgens taal. Misschien zou men bij B Plus eens moeten kijken hoe men in Frankrijk tot die ééntalige Franse staat kwam. Of beter nog, eens nagaan hoe tijdens de Franse bezetting van België men komaf maakte met het Waalse dialect. 

Dat N-VA meer is dan een communautaire beweging en daarnaast ook een sociaal-economisch programma heeft, wordt door alle politologen en opiniemakers als positief ervaren. Het gebruik van begrippen zoals donderblauw en niet solidair kan B Plus niet hard maken. Het partijprogramma van N-VA vertrekt echter wel van een gezond principe: dat je eerst geld moet hebben vooraleer het te verdelen. We weten dat dit principe van goed bestuur in België  nooit belangrijk was. De staatsschuld kwam er vanzelf en zal ook wel vanzelf verdwijnen. Dit argument van B Plus weegt niet te licht, het is lichtzinnig.

Vierde argument
Als vierde argument beweert B Plus dat splitsen niet altijd efficiënter maakt. Door de splitsing van politie, brandweer, de sociale zekerheid, het verkeersbeleid en de spoorwegen zal volgens B Plus tot nog complexer structuren leiden. Van een meerwaarde is er absoluut geen sprake. Een frappant voorbeeld van de absurditeit van dergelijk voorstel is de splitsing van de spoorwegen, waardoor er in het België van morgen Vlaamse, Waalse, Brusselse en confederale treinen zullen rijden.

Deze argumentatie is intellectueel ronduit oneerlijk. De N-VA stelt helemaal niet voor dat vier spoorwegmaatschappijen moeten komen. Het stelt al evenmin voor dat er twee brandweerkorpsen zouden moeten zijn voor één gebied.

Het klopt natuurlijk dat splitsen niet altijd efficiënter maakt. Voor de beleidsdomeinen waar er winst zit in een samenwerking, zullen er ongetwijfeld samenwerkingsmogelijkheden bestaan, maar dan wel op vrijwillige basis. Want B Plus vergeet dat er momenteel nogal wat problemen zijn die efficiëntie in de weg staan. Zo kan men, omwille van een verplicht communautair evenwicht, het spoorwegennet in en rond de Antwerpse haven niet uitbreiden. Dat lijkt mij een voldoende reden om het beleid te splitsen.

Uit het gebruik argument blijkt de grote onwetendheid van P Plus inzake de spoorwegen. Op het Belgisch spoorwegennet rijden nu al treinen van heel veel nationaliteiten en een twintigtal maatschappijen. Er bestaat ook een Europese wetgeving inzake spoorvoorzieningen en -normen die ervoor zorgen dat de ‘nationaliteit’ van een trein totaal irrelevant is.

Een oneerlijk en volstrekt irrelevant argument. 

Vijfde argument
Als vijfde kritiek wijst men op de verborgen agenda, het separatisme. Het confederalisme is een tussenstap naar het separatisme. Ze weigeren de onafhankelijkheid als inzet van de verkiezingen te maken. Het is manifest kiezersbedrog om van de PS de enige vijand te maken.

Vermits de statuten van N-VA duidelijk de onafhankelijkheid als uiteindelijk doel voorstellen, kan men moeilijk spreken over een verborgen agenda. De logica van de Baert doctrine – waarbij geleidelijk gestreefd wordt naar een onafhankelijk Vlaanderen -  wordt ook door N-VA gevolgd. Het confederalisme kan inderdaad gelezen worden als een stap in de richting van zelfstandigheid. Maar tegelijk verliest B Plus al te gemakkelijk uit het oog dat N-VA op geen enkel moment gepleit heeft om dit doel op te leggen zonder een democratische meerderheid. Daardoor blijft onafhankelijkheid een verre droom tenzij een meerderheid van de Vlaamse bevolking kiest voor de V-partijen. Dan is er een volkomen legaal en democratisch draagvlak om het confederalisme vanuit de Vlaamse gemeenschap af te dwingen. Hopelijk is B Plus voldoende democratisch ingesteld om zich desgevallend hierbij neer te leggen.

Zesde argument
Als zesde argument wijst B Plus op de afbouw van de solidariteit tussen confederale staten.

Het klopt in elk geval dat de manier waarop in België de solidariteit georganiseerd wordt onder druk staat. België is ook het enige land waar er geen limieten zijn op de solidariteit en evenmin enige vorm van transparantie – laat staan verantwoording – opgelegd wordt.

Zelfs Europese steun wordt (nog te weinig) gecontroleerd en dat is maar goed ook.


Veel kenners weten dat hoe dan ook de huidige financiële transfers niet vol te houden zijn. Verschillende (ook onverdachte) economisten kwamen al tot de conclusie dat met de nieuwe financieringswet van de zesde staatshervorming de miljarden transfers nog zullen toenemen. Enkel het officiële kanaal (NB) spreekt van een minimale daling van enkele honderden miljoenen euro.

Na decennia van ondersteuning weten we dat de genereuze solidariteit niet geholpen heeft om de economische situatie in Wallonië en Brussel te verbeteren. Daarvoor kan men in elk geval N-VA niet de schuld geven.

Dit argument van B Plus houdt gewoon geen steek. Wellicht zou het opdoeken van de solidariteit onder de vorm van een ‘blanco cheque’, Wallonië meer helpen dan nu het geval is. Een zelfstandig Wallonië zal sneller orde op zaken moeten stellen omdat ze dan zelf moeten instaan voor hun welvaart.

Dit argument is naasr de kwestie: een federaal of confederaal model heeft op zich niets te maken met de hoogte van de solidariteit.

Zevende argument
De N-VA wil de Brusselaar laten kiezen tussen het Vlaamse en Waalse stelsel van sociale zekerheid. Daardoor wordt onrechtstreeks een subnationaliteit gecreëerd. Bovendien heeft dit voorstel geen enkel draagvlak en gaat het volledig voorbij aan de realiteit van de Brusselse hoofdstad, de multiculturele hoofdstad van Europa.

Wat N-VA wil is dat Vlamingen, of ze nu in Brussel of in Vlaanderen wonen, kunnen rekenen op dezelfde solidariteit via de sociale zekerheid. Men kan daar tegen zijn en vinden dat de Brusselaar, ongeacht of hij Franstalige of Vlaming is, beter zijn sociale zekerheid organiseert binnen de federatie Wallo-Brux. Dat is verdedigbaar op voorwaarde dat diezelfde federatie ook instaat voor de middelen om deze solidariteit te bekostigen. Men kan moeilijk Vlaanderen ontzeggen om voor zijn eigen bevolking te zorgen maar tegelijk er wel geld van eisen voor het organiseren van een afzonderlijke sociale zekerheid. Dat een voorstel om Brussel te responsabiliseren en de Vlaamse aanwezigheid in Brussel te verdedigen tegen een verdere Frankofone hegemonie, geen draagvlak heeft in Brussel is nogal wiedes. Precies daarom is het zo broodnodig. Fout argument. 

Achtste argument
De rationele voordelen van de schaalgrootte worden in ruil voor volledige autonomie volledig aan de kant geschoven, niet enkel op nationaal vlak, maar ook op internationaal (Europees) vlak. De schaalverkleining in Europa na de invoering van het confederalisme zal onvermijdelijk leiden tot verlies van macht, prestige en invloed.

Economisch klopt dit argument niet: schaalvoordelen zijn pas mogelijk als de omstandigheden voldoende gelijk zijn voor éénzelfde aanpak voor alle betrokkenen. Wallonië en Vlaanderen kennen echter een dermate verschillende economische én bestuursmatige cultuur dat België niet aan die voorwaarde voldoet.

Er zijn wel voordelen mogelijk door schaalgrootte via een selectieve samenwerking (wanneer er een win-win situatie ontstaat). Maar dat vereist een beleidsautonomie voor de deelstaten die B-plus mordicus afwijst. B-plus houdt blijkbaar niet van pragmatisme.

Naar buitenuit is er nood aan enig realisme. De macht, prestige en invloed van België in Europa is heel beperkt – tenzij voor enkele individuele carrières – zal het verlies wel meevallen. Overigens zou België met zijn confederaal model wel veel beter voorbeeld zijn voor de Europese Unie. Een Unie waarin er respect is voor de verscheidenheid aan culturen en rekening gehouden met het sociale weefsel van elke natie. Want ook hier wordt er ver boven de hoofden van de burger geregeerd.

Maar dit argument is vooral fout. Mocht Vlaanderen met zijn eigen prestaties kunnen pronken in plaats van ‘neergehaald’ te worden door de slechte resultaten van de andere deelstaten, dan zou het in Europa een beter imago hebben. Daarenboven zou het zijn eigen taal kunnen promoten terwijl het België van B Plus zich in het buitenland promoot als ééntalig Frans. Zelfs de Belgische voetbalbond ziet er geen graten in om België naar aanleiding van het wereldkampioenschap het Nederlands over het hoofd te zien. Foei!

Negende en laatste argument
De afbouw van de staatsschuld is wel degelijk een 'conditio sine qua non' voor het behoud van de welvaart in elk land, om het even in welke staatsvorm dit land ook georganiseerd is. In het confederale voorstel wordt door het opleggen van een absolute schuldenrem op het confederale niveau en met de opbrengsten van de BTW en de accijnzen gedurende 25 jaar, deze staatsschuld afgebouwd. Het aanvaarden dat de staten van de confederatie zelf schuldcreatie mogen aangaan om de confederale schuld af te bouwen, betekent in feite een verschuiving van de confederale schuld naar deze onafhankelijke staten. Wat is dan de toegevoegde waarde?

De toegevoegde waarde van een splitsing van de staatsschuld is nochtans duidelijk: dan moet elke deelstaat zijn eigen schulden delgen. Zonder een opsplitsing betaalt hoofdzakelijk Vlaanderen voor de schuld en de rente erop. B Plus bewijst hier nogmaals vooral anti-Vlaams te zijn.

 

B Plus heeft kritiek op het confederaal voorstel van N-VA maar heeft daarvoor helaas geen deugdelijke argumenten. Het zal wel een dogma zijn. Dan hoeven geen argumenten.

Pjotr 



[1] Remi Vermeiren, België: De onmogelijke opdracht, Pelckmans, maart 2014, 216 pagina's, 20 euro