02 maart 2015

Dossier vervanging F16 Economische return


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN





De aankoop van hoogtechnologische gevechtsvliegtuigen biedt de kans om een graantje mee te pikken. Een interview over de economische return met generaal majoor vlieger b.d. Karel Vervoort


Inleiding  



Het zou ons veel te ver leiden om in dit artikel de wetteksten te bespreken. Laten we het houden bij de bedoelingen ervan.

België moet rekening houden met zowel de Europese als de eigen nationale wetgeving. Daarbij zijn twee aspecten belangrijk: de concurrentieregels die ervoor moeten zorgen dat alle firma’s kunnen deelnemen aan de aankoopprocedure en de bijzondere regels die gelden voor militair materieel. Voor Amerikaans materieel komen daar nog de Amerikaanse wetgeving bij die bijzondere voorwaarden stelt voor de verkoop van hun militair materieel. Ter vrijwaring van de nationale veiligheid.

Een eerste vaststelling is dat voor de vervanging van de F16 de Belgische staat niet onderhandelt met firma’s maar met regeringen. Zo heeft men minder last van de Europese concurrentieregels. Regels die trouwens ook door de grote landen aan hun laars gelapt worden. Bij voorbeeld werd het militair Airbusprogramma gewoon verdeeld tussen de grote landen, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Spanje. Van vrije concurrentie was er nauwelijks sprake. Geen vrije markt maar ‘overheidsmarkten’. Dat heeft ook nadelen want regeringen zijn geen economische spelers die zelf economische ‘compensaties’ kunnen geven. Een grijze zone waar alle landen en firma’s hun profijt proberen mee te doen.

Een tweede vaststelling is dat de wapenverkoop sterk beïnvloed wordt door de bestaande militaire allianties. België wordt als NAVO bondgenoot ‘verondersteld’ om een vliegtuig te kiezen dat geproduceerd wordt door een geallieerde. Dat maakt het kandidaten die geen lid zijn, zoals de Zweedse JAS 39 Gripen, moeilijker om toegang te krijgen tot de NAVO markt. Daarom richten de Zweden zich op ander markten, onder meer in Zuid Amerika. En hun succes daar bewijst dat dit vliegtuig heel wat kwaliteiten heeft en het ook zou kunnen voldoen aan de Belgische militaire behoeften.

Een derde vaststelling is dat ondanks alle bestaande wetgeving er druk gelobbyd wordt en daar is de economische return een belangrijk onderdeel van. Er werden reeds meerdere vergaderingen gehouden tussen het departement defensie en de Belgische wapenindustrie onder meer om de juridische mogelijkheden inzake economische return te onderzoeken zodat er later geen problemen rijzen. Ook de betrokken firma’s staan klaar met ideeën of voorstellen over economische return. Het spreekt ook voor zich dat er al langer rechtstreekse contacten waren tussen defensie en de VS tegenhanger, het Pentagon, over de eventueel aankoop van de F35A. En jawel, daar hoorden ook ministeriële bezoeken bij.


 


Interview generaal majoor vlieger b.d. Karel Vervoort



Karel Vervoort heeft als gewezen gevechts- (F84F en F104G) en transportpiloot (C130H) en als ex-directeur van FLAG (Flemish Aerospace Group) uitzonderlijk veel ervaring met dit aspect van het dossier. Wij stelden hem vragen over de economische return in geval we een vervanger voor de F16 kopen.  


 


fetch_image.jpg


 Karel Vervoort


 


De Bron/Anders Nieuws: Wat is uw grootste bekommernis bij de vervanging van de F16?

Vervoort: Mijn grootste zorg is dat, ongeacht de keuze, noch België, noch Vlaanderen de kostprijs voor gelijk welke vervanger zullen terugzien onder de vorm van werkgelegenheid, en ondersteuning van de eigen technologie-niches en productiecapaciteit. Zonder een duidelijk systeem en contracten voor een economische terugvloei op hetzelfde niveau van kost, werkgelegenheid en technologisch niveau in nieuwe markten, zal elke euro die we hieraan uitgeven in feite gebruikt worden om in het buitenland werkgelegenheid te scheppen, en de concurrenten van onze eigen luchtvaartindustrie en anderen betalen om onze industrie nog gemakkelijker uit de markt te werken.

DB/AG: Er zijn drie mogelijkheden om aan deze aankoop wat te ‘verdienen’: directe, semidirecte en indirecte participatie. Wat is mogelijk wanneer we zouden kiezen voor de F35?

Vervoort: Een belangrijke directe deelneming aan de productie van de F35 is praktisch uitgesloten voor alle Belgische bedrijven. Wie van de risicodragende lanceringspartners zou iets willen afstaan van de hen toegewezen productieaandeel, daar waar men nu reeds weet dat er niet zoveel van zullen gebouwd worden als initieel geprogrammeerd. (vb. NL: 85 voorzien, 37 besteld).

De F35 wordt door Lockheed Martin geproduceerd in 49 van de 50 Amerikaanse Staten om de economische return daar te verwezenlijken naast de economische return in 11 andere deelnemende landen, en om op de politieke steun te kunnen rekenen van al die staten, ook als het programma helemaal zou ontsporen: ‘too big to fail’. En dus ploetert men verder aan een programma begonnen in de jaren 90 en nog steeds onbekwaam om een écht operationeel toestel af te leveren voor 2019 (zegt men nu), alhoewel er dus al 180 gebouwd zijn. Het bouwen van een toestel, zonder dat het volledig uitgetest is, zal dus heel waarschijnlijk kostelijke retrofits (aanpassingen) met zich meebrengen voor de eerste kopers, waarvoor de latere kopers ook zullen moeten meebetalen.

Over semi- en indirecte steun is het laatste woord nog niet gezegd en geschreven. De economische return staat dan buiten de productie van het vliegtuig maar situeert zich in technologisch min of meer gelijkwaardige contracten waarbij de Belgische industrie haar knowhow kan te gelde maken als compensatie voor de aankoop van de F35. Sommigen menen dat deze vormen van ‘compensatie’ de prijs van het toestel zullen doen stijgen maar dat is niet noodzakelijk het geval. Wanneer de bedrijven competitief zijn is het voor beide partijen – de VS en Belgische regering – een win-win situatie. In elk geval is het utopisch om te denken dat België in een contract tussen regeringen ook een even grote economische return zal krijgen dan in het geval dat men een echte concurrentie laat spelen tussen firma’s.

DB/AN: Als gewezen luchtmachtpiloot tot 1998 en 12 jaar Directeur van FLAG, kan u ons uitleggen hoe in het verleden de F16 aankoop verliep?

Vervoort: Ik verwijs u eerst naar het volgend synthesefilmpje,  lang maar redelijk volledig en juist: http://youtu.be/PkrtxDdaWuM

Voor diegenen die het niet meemaakten van kortbij is deze video een prachtige synthese. En een goede les voor onderhandelaars inzake een nieuwe vliegtuigaankoop/vervanging van de F16.

DB/AN: Wat onthoudt u uit dit filmpje en het initieel programma (aankoop in 1975 van 116 F16 voor de vervanging van vier smaldelen F104G)

Vervoort: Wat ik onthoud is het volgende: Oorspronkelijk ging de voorkeur van de Noordelijke landen uit naar ……de Saab Viggen. Vooral omdat de Amerikanen initieel helemaal niet wilden weten, noch van de “lightweight fighter”, noch van compensaties of coproductie. Oorspronkelijk wilden de Amerikanen dit soort toestel enkel verkopen aan derden, en zelf enkel verder doen met de F15. Pas later werd de notie “high-low mix” uitgevonden om de USAF bocht goed te praten.

De zaken veranderden duidelijk toen:

De USAF beloofde er ook 650 van in dienst te nemen als de Europeanen dit toestel kochten. Initieel dachten zij die 650 later wel te kunnen verlappen aan derden, maar in gebruik bleek het toestel zo goed dat ze het als ruggengraat van de USAF invoerden samen met F15 en A10. Zo bekwamen ze zowel kwaliteit als kwantiteit.

De VS regering besliste om dit toestel in coproductie te gooien met de Europeanen van het consortium (NO, DK, NL en BE of de EPAF naties - European Participating Air Forces)

De VS regering besliste om volgende compensaties (industriële return) te waarborgen:

58% industriële return ten voordele van de deelnemende landen (let wel, niet voor elk land individueel)

15% industriële return op bijkomende toestellen verkocht aan derden

Een productielijn van alle Europese F100 motoren in België, bij FN Moteurs (nu Techspace Aerospace), waarbij een nieuwe fabriek hiervoor gebouwd werd in Milmort bij Luik

Een vliegtuigassemblagelijn in Nederland (voor de Nederlandse en Noorse F16’s)

Een vliegtuigassemblagelijn in België (voor de Belgische en Deense F16’s)

Een NTE (not to exceed price, maximum prijs) van 6.091 miljoen dollar, zelfs al was dit maar voor het basistoestel, zonder de “opties” die men theoretisch zélf kon bepalen en dan natuurlijk bovenop betalen.

Een “R&D recoupment fee” (bijdrage in de ontwikkelingskosten) van 470.000 USD per vliegtuig.

Opvallend ook is dat België slechts als laatste (en onder druk van de Vlaamse politici, tegen een aantal Waalse partijen en politici in, en tegen de toen Franstalige luchtmachttop in) deelnam aan het EPAF consortium, met het uitdrukkelijk doel hetzelfde vliegtuig te kopen onder de beste voorwaarden. Om België over de streep te krijgen ging Vanden Boeynants (toen Minister van Landsverdediging, PSC, persoonlijke vriend van Dassault, en deel uitmakend van die Belgen die absoluut Frans wilden kopen (de Mirage F1),  speciaal naar Amerika, en kwam terug met o.a. een contract voor de kleine wapens – 30.000 Minimi -  van FN. Uiteindelijk haalde België het meeste uit het ganse F16 programma, en veel meer dan gewaarborgd. Dit was zeker niet het geval met Denemarken (dat had toen nog geen systeem van indirecte compensaties) en Noorwegen (idem). De ganse eerste koop van F16 ging uitsluitend naar Waalse en Brusselse bedrijven en dit heeft hen toegelaten om niet alleen nieuwe fabrieken te bouwen, maar ook gratis de werktuigen (en extra tooling voor miljarden BF) betaald te krijgen op kosten van Defensie. Dank zij dit programma konden deze bedrijven begin 1980 deelnemen aan de succesvolle Airbusprogramma’s. Zonder dit voordeel zouden ze waarschijnlijk zelfs niet meer bestaan. Vlaanderen liep dit alles mis, omdat utopisch pacifistisch Vlaanderen geen wapenindustrie meer had (duldde).

DB/AN: In Europa worden de VS gezien als de kampioenen van de vrije markt. Maar blijkbaar klopt dat alvast niet wanneer het gaat om militair materieel?

Vervoort: Voor het buitenland schermt de VS zijn eigen markt af met regels als “Buy American Act”, en de “Local Content Act”. Herinnert u de competitie tussen Boeing en Airbus voor de vervanging van de KC135 tankervloot. De eerste maal werd de aanbesteding gestopt na een corruptieschandaal van de vrouwelijke  ‘Secretary of the Air Force’ met Boeing; de tweede maal won Airbus met de tankerversie van de A330 waarvoor Northrop Grumman een heel nieuwe productielijn ging bouwen in Mobile, Alabama (Buy American Act, enz weet u wel….). Airbus (Europa) een Amerikaans contract laten winnen kon niet en dus werd de aanbesteding nogmaals over gedaan tot Boeing won met een tankerversie van de B767 (einde dienst als burgertoestel; zo kon men die productielijn open houden) die nog steeds niet operationeel is, de Airbustanker wel.

Onder druk van de échte Europese “kanonboeren” werd een EU richtlijn voor het verbod van compensaties opgelegd, tegen de adviezen van de kleine landen in, en bij ons getekend door Minister Vande Lanotte als Minister van Economie. Daardoor werd zware schade toegebracht aan de Belgische en Vlaamse economie.

DB/AN: Hoezo?

Vervoort: Het Europees verbod op compensaties volgens deze richtlijn, behalve een miniem gedeelte in de rechtstreekse deelname voor zover dit nog mogelijk is, of internationaal via een regering –tot – regering contract zoals hier mogelijk is, zal Vlaanderen verplichten om terug in de defensiesector te investeren om te kunnen deelnemen. Blijkbaar heeft men in Frankrijk, de kampioen van deze richtlijn, nooit gedacht dat Defensie ook een Amerikaans toestel kan kopen, in een regering-tot-regering contract zoals met de F16 vroeger en dat dan zowel het geld, als de nobele werkgelegenheid niet alleen België maar zelfs Europa zal verlaten naar de USA en de rechtstreekse concurrentie van de Franse en Europese luchtvaartindustrie.

In dat geval, en zonder regels voor de economische return, verliest niet alleen België een fenomenaal bedrag van ongeveer 5 miljard Euro op zijn betalingsbalans, ook Europa verliest die. En wij betalen mee de technologische ontwikkeling en werkgelegenheid van concurrenten uit de VS in geval van de keuze voor de F18 Super Hornet of de F35.

En dat terwijl men van de daken schreeuwt om hoogtechnologische werkgelegenheid bij ons; om innovatie in nieuwe strategische industriële domeinen; terwijl het IWT (Vlaams Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie) in Vlaanderen met haar beperkte begroting (ongeveer 300 miljoen euro in totaal) voor innovatie zelfs niet kan reiken aan de hielen van dergelijke expansiekredieten in onze economie, maar ze wel toelaten dat ze aan vreemde mogendheden worden betaald. ALLE andere landen eisen wel degelijk de economische return voor Defensiebestellingen onder uiterst gevarieerde vormen. Zo eiste en kreeg Canada “a dollar for a dollar return” (waarvan trouwens één Belgisch bedrijf profiteert in Vancouver!), zelfs met een regionale verdeelsleutel uiterst gunstig voor Québec!

Bovendien, zeg nu eerlijk, met 25 à 35 vliegtuigen van het duurste type, wat zijn we dan nog meer dan een smaldeel van de USAF, dat zij volledig zullen controleren via de logistiek, de software en de bewapening. Van een onafhankelijke Europese positie zal er dus helemaal geen sprake meer zijn. Temeer daar de USAF zélf zegt dat het inzetten van de F35, zonder de F22 die zij alleen hebben, “irrelevant” zal zijn….. Ook politiek zal men dus antwoorden moeten geven op deze uitdaging. Maar voor de Belgische en zeker ook de Vlaamse belastingbetaler( die toch ongeveer 80% van de rekening zal betalen) is het van groot belang dat de economische return duidelijk geregeld is vooraleer een RFP (Request For Proposal; vraag om offerte) wordt uitgestuurd. We mogen niet naïef zijn: daarna is het te laat, en hebben beloften evenveel waarde als verkiezingsbeloften.

Het lijkt er op dat Europa en België niet kan, maar ook niet wil onafhankelijk worden van de beslissingen van de VS.

 
Nabeschouwingen

Ter afronding van dit interview: Door het afsluiten van een contract tussen staten vormt de bestaande wetgeving  geen beletsel om afspraken te maken inzake economische return. In het geval van een aankoop van het Amerikaanse gevechtsvliegtuig JSF/F35A is directe deelneming aan het programma heel beperkt (enkel als subcontractant). Maar de mogelijkheden inzake indirecte participatie kunnen veel goedmaken, tenminste wanneer de Belgische regering daarover goed onderhandelt. Met zijn enorm netwerk zal het voor Lockheed Martin alvast niet moeilijk zijn om hieraan zijn volle medewerking te verlenen.

Pjotr


 

24 februari 2015

Waarom de journalistiek ongeloofwaardig werd



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN



 
Naar aanleiding van het artikel over de falende ‘kwaliteits’-media  vroegen enkele lezers mij waar ze terecht konden met hun klachten. Daarvoor is er toch een Raad voor de Journalistiek, dacht ik.


Twee klachten

Er zijn twee steeds weerkerende klachten over de ‘kwaliteitspers’ en dito televisie (VRT/Canvas): dat sommige informatie onderbelicht blijft of zelfs genegeerd wordt en dat de lezers/kijkers vinden dat de informatie veelal eenzijdig (politiek en maatschappelijk gekleurd) is. Deze twee klachten, die duidelijk leven bij veel lezers en kijkers, blijven onbeantwoord en vertalen zich in een steeds verder dalende geloofwaardigheid van de media. Dat laatste is geweten want gemeten.

Over deze twee klachten kan u meer lezen in een ‘Open brief aan de ombudsman van DS’ en ‘Waarom de kwaliteitspers faalt’ Een recent voorbeeld van selectieve berichtgeving door de Vlaamse media, TV en kranten, was te lezen op Newsmonkey (hier lezen).

Directe aanleiding tot deze analyse was de reactie van een lezeres op de laatste publicatie: ‘Wat u hier aanklaagt, klagen vele mensen al zo lang aan... Vind u het niet vreemd dat er geen enkele officiële instantie bestaat waar we onze klachten kwijt kunnen, terwijl heel veel van die media met ons geld (gedeeltelijk) gefinancierd worden?’

Daarom richtte ik mij tot de Raad voor de Journalistiek (rvdj) die zich online presenteert als een ‘onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media’. De belangrijkste opdracht staat helemaal vooraan: ‘U kan bij ons terecht met vragen en klachten over de journalistieke beroepsethiek.’ Hier ben ik dus aan het juiste adres.


Een ontgoochelende ervaring



De rvdj werd opgericht door de Vlaamse journalistenverenigingen, de uitgevers en de mediahuizen. Zelfregulering dus door een orgaan dat enkel bestaat bij de gratie van de oprichters. Het kan daarom moeilijk anders – ook mijn eigen ervaring  - dat de rvdj niet onafhankelijk genoeg is.

Op mijn schriftelijke vragen kreeg ik als reactie dat men liever mondeling antwoordde, omdat ‘een gesprek meer kans tot nuancering’ geeft. Dat gesprek kwam er, maar wat hij vertelde was blijkbaar enkel bedoeld voor mezelf en mocht ik met niemand delen. Dat dergelijke reactie mijn vertrouwen niet bepaald opkrikte, behoeft geen verder commentaar. Na enkele ongeruste telefoontjes omdat ik de informatie toch wilde verspreiden, kreeg ik te elfder ure nog een schriftelijk antwoord op mijn vragen.   

Vragen aan de raad van de journalistiek (rvdj)



‘De kranten publiceren veel opiniestukken waarvoor ze geen verantwoordelijkheid nemen. Dat is begrijpelijk vermits een opiniestuk goedkoper is en per definitie de mening is van de auteur waarvoor anderen niet verantwoordelijk kunnen gesteld worden. Niettemin heeft de redactie de keuze om een opinie al of niet te publiceren en betekent een publicatie dat men oordeelt dat het opiniestuk kan, ook al voldoet het niet aan de deontologische regels waaraan bijdragen geschreven door journalisten wel moeten voldoen. Daarom heb ik enkele vragen:
 Hoe ziet u de niet-toepassing van deze deontologische regels wanneer een journalist een opiniestuk schrijft?
Is hij op dat moment geen journalist maar enkel een 'opiniemaker' waarvoor deze regels niet gelden?
Schrijft hij deze opinie tegen betaling of maakt deze opinie deel uit van zijn werk waarvoor hij betaald wordt als journalist?
En wat met een hoofdredacteur die zichzelf 'opiniërend hoofdredacteur' noemt (cfr De Standaard)? Ook in dit geval  heb ik dezelfde vragen als hiervoor gesteld.’


De reactie van de rvdj



Hoewel ik uit het mondeling gesprek begrepen had dat er wel een zekere normering was om het onderscheid tussen opinie en analyse duidelijk te maken aan de lezers, bleek uit het schriftelijk antwoord dat de journalistieke code hierover slechts algemene principes bevat: “De Raad voor de Journalistiek geeft wel de algemene principes weer, en journalisten en media kunnen bij de toepassing daarvan rekening houden met hun eigen aanpak en specifieke format.” Voorts is er ook geen exclusieve verplichting om opiniestukken (van journalisten) expliciet via een vermelding van ‘opinie’ te onderscheiden van hun analyses, duiding of commentaar. Met ander woorden de krant en de journalisten hebben alle vrijheid om te kiezen hoe ze hun lezers daaromtrent al of niet informeren.

De rvdj is enkel bekommerd om het onderscheid tussen de feiten en het commentaar en niet om het onderscheid tussen de eigen mening (opinie) van een journalist en een waarheidzoekende analyse of afstandelijke duiding: “Een voorwaarde is wel dat het onderscheid tussen feitelijke berichtgeving en commentaar of opinie voor het publiek voldoende duidelijk is. Dat onderscheid kunnen media op verschillende manieren duidelijk maken. Het kan door de opiniebijdragen in een aparte rubriek onder te brengen of een specifiek label te geven, zoals bijvoorbeeld standpunt, opinie of column. Maar ook met een ander label of zonder een specifiek label kan het duidelijk zijn dat het gaat om standpunten, opiniebijdragen of columns. Overigens kan een journalist ook binnen één bijdrage zowel feitelijke informatie als een mening geven, als het onderscheid tussen beide maar duidelijk is. Hij kan dat op vele manier duidelijk maken door bijvoorbeeld stijlkenmerken, tussentitels, enz. Of het onderscheid voldoende duidelijk is, moet geval per geval beoordeeld worden.”

De volledige tekst van de journalistieke code kan u hier lezen. Artikel 8 heeft het specifiek over dit onderwerp: “8. – Als auteur van een opiniebijdrage, een column of cartoon geniet de journalist een grotere mate van vrijheid om zijn mening te geven en om conclusies te trekken uit de feiten dan in zijn feitelijke berichtgeving.”

Hieruit kan ik enkel besluiten dat de lezer zelf moet uitmaken of de bijdrage journalistiek werk is of de mening van een opiniemaker. Wanneer de lezer de verkeerde conclusie trekt - dat wil zeggen een andere dan de redactie of de journalist - dan  is dat zijn fout en hoeft hij dus niet naar de rvdj te stappen.


Geloofwaardigheid is ook onze doelstelling



Tijdens het gesprek hadden we het eveneens over de lage geloofwaardigheid van de media. Hij deelde mijn bekommernis en verklaarde dat het verbeteren ervan ook een doel was van de rvdj. Maar uit de ontvangen antwoorden kan ik enkel concluderen dat de rvdj zich niet bevoegd verklaart voor de twee grootste oorzaken van dit gebrek aan geloofwaardigheid. Redacties en individuele journalisten die zelf mogen beslissen waarover ze niet schrijven (zelfcensuur) of zonder enige aanwijzing waarheidzoekende journalistiek ruilen voor het zoveel gemakkelijker eigen commentaar.

Het is treurig om vast te stellen, maar -  als het over het inhoudelijke gaat -  meer dan lippendienst bewijzen aan de oprichters doet de Raad van de Journalistiek niet. Deze instelling is al te zeer onderdeel van het ‘ons-kent-ons’-systeem om geloofwaardig te kunnen zijn.


Maak van kwaliteit de norm



Kwaliteitsjournalistiek kan nochtans een belangrijk verkoopsargument zijn. Dat bewijst onder meer de Neue Zürcher Zeitung dag na dag. Ook sommige journalisten beseffen dat kwaliteit voorop zou moeten staan. Oosterbaan en Wansink, twee Nederlandse beroepsjournalisten, schreven in 2008 hierover een boek ‘De krant moet kiezen’. Daarin houden ze een pleidooi voor meer kwaliteit. Omdat enkel kwaliteit de geloofwaardigheid kan verbeteren. Investeren in kwaliteit kost helaas geld en rendeert slechts op langere termijn. Blijkbaar heeft de pers geen van beide op overschot.   

Het zou alvast getuigen van minder arrogantie mochten de redacties en journalisten zichzelf durven in vraag stellen en geen ombudsman betalen om de lezers te paaien. Hoofdredacteur van DS, Bart Sturtewagen verklaarde ooit (Doorbraak, september 2010) dat hij nooit zou toegeven dat het vroeger beter was. En ook de rvdj is overtuigd dat het nu beter is; dank zij de talrijker commentaren, analyses en opiniebijdragen.

Het was gewezen hoofdredacteur van DS, Peter Vandermeersch, zelf die het probleem kernachtig weergaf (DS 15 okt 2003):

‘Media zijn dus al lang geen neutrale toeschouwer in het maatschappelijk debat (…) Ze zijn daarenboven niet de minste speler. Want ze maken het spel moeilijker en ondoorzichtiger omdat ze, sedert de ontzuiling van de media, niet langer een herkenbaar shirt aan hebben’.

Ik kijk alvast met spanning uit naar controleerbare argumenten die bewijzen dat dank zij de ‘onherkenbare’ journalisten de kwaliteit zou verbeterd zijn. Overigens, hoe onafhankelijk zijn journalisten die aanpappen met politici? Of waarvan een naast familielid aangeworven werd als kabinetsmedewerker van een socialistisch minister? Is het niet mogelijk dat persoonlijke aversies van journalisten ten aanzien van sommige politici of partijen de berichtgeving beïnvloeden? Natuurlijk wel, en waarom zouden ze zich inhouden, want blijkbaar niemand bekommert zich nog terdege om de kwaliteit.

Wanneer kranten opiniemakers aan het woord laten (dat doen ze vooral omdat het goedkoper is dan kwaliteitsjournalistiek) kan de lezer uit de tegenstellingen inderdaad iets leren. Op voorwaarde dat er een evenwicht is in de opiniebijdragen. Ook dat is echter niet het geval - zoals de ombudsman van DS ooit zelf toegaf. Waaraan dat te wijten is, kan men afleiden uit een universitair onderzoek (UGent) waaruit blijkt dat er een groot onevenwicht bestaat inzake de politieke overtuiging van de individuele journalisten (overwegend ‘Links’). Dat de pers het label van ‘Links’ krijgt is dus niet uit de lucht gegrepen. Het beeld van media als het speeltje van een politiek-correct groepje blijft hangen. Daarbij lijkt de opdracht als kritische ‘Vierde Macht’ eerder vervelend dan een bron van inspiratie.

Bij zoveel kritiek kreeg ik toch ook signalen dat het wel kan: verschillende lezers zijn overgestapt naar De Tijd en vinden die krant kwalitatief beter. Minder trivialiteiten, maar wel beursnoteringen die even gemakkelijk online te raadplegen zijn.


Kiezen voor alternatieven


Beste lezers, mag ik u één goede raad geven: lees vooral online nieuwssites die aan ‘slow journalism’ doen. Burgerjournalisten die de tijd nemen om hun bijdragen te onderbouwen met degelijke argumenten. Die zichzelf niet overschatten en daarom hun bijdragen eerst laten nalezen door anderen vooraleer ze te publiceren. Daar wordt nog een poging gedaan om aan ‘waarheidszoekende’ journalistiek te doen. Ook al zijn het maar ‘burgerjournalisten’.  

Mocht u echter toch nog geloven dat de kranten bereid zijn om uw klachten ernstig te nemen, dan moet u vooral één ding doen: Zeg uw abonnement op. Dat is de enige taal die een uitgever verstaat en de rvdj overbodig maakt.


Pjotr

10 februari 2015

Waarom de kwaliteitspers faalt




MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

De commotie rond twee belangrijke maatschappelijke problemen, de opmars van de fundamentalistische Islam en de controverse over de klimaatevolutie, toonde duidelijk aan dat de kwaliteitsjournalistiek faalt in haar opdracht.

Paternalisme troef


 

Volgens de redenering van de redactie van De Standaard mag iedereen aan bod komen, maar is er een dosering nodig (lees hier). Een dosering die niet bepaald wordt op basis van kennis maar van wat de redactie denkt dat belangrijk is voor zijn lezers. Op Canvas kwam Bjorn Soenens, hoofdredacteur van Het Nieuws, nogmaals herhalen dat de kijkers niet alles moeten kunnen zien. Anders gelezen: Wij bepalen wat belangrijk is en aandacht verdient. Deze visie houdt twee gevaren in: dat de media omwille van commerciële overwegingen een onvolledige selectie maken en dat journalisten het nieuws selecteren op basis van hun eigen overtuiging.
 
Het is evident dat het overweldigend aanbod aan nieuws verplicht tot selectie. Maar wanneer ik zie hoeveel publicatieruimte in kwaliteitskranten zoals De Standaard en De Morgen verspild wordt aan trivialiteiten, dan is het duidelijk dat dit argument slechts een drogreden is om de maatschappelijk veel belangrijker informatie te weren op basis van redactionele (of commerciële) voorkeuren. 
 
Deze twee gelijklopende visies, waar alle politiek-correcte media aan meedoen, getuigen in elk geval van een paternalisme dat te vergelijken valt met de houding van de pastoors in de vorige eeuw. Nu er geen pastoors meer zijn en ook de onderwijzers nauwelijks nog opmerkingen mogen maken bij wangedrag van de jongeren, vullen onze journalisten dit gat op met een soms veel erger betutteling.
 
Waaraan ligt dat? Misschien heeft het te maken met de jachtigheid van ‘het nieuws’. Elke dag iets nieuws ‘moeten’ brengen met tussendoor nog eens instant-nieuws online, dat valt moeilijk te behappen voor kranten die uiteindelijk bedrijven in nood zijn, afhankelijk van staatsteun en daarom meer in termen van markering denken dan goed is voor hun informatieopdracht.
 
Maar dat verklaart niet alles. Even alarmerend is de vaststelling dat de kwaliteitskranten zijn verworden tot opinieblaadjes. Alles wat enigszins controversieel is wordt uitbesteed aan ‘opiniemakers’ die al of niet tegen betaling hun gedacht mogen zeggen. Nochtans zijn het precies de controversiële onderwerpen waar nood is aan meer afstandelijke duiding, wars van elke vooringenomenheid die eigen is aan elke opinie. Zo kan het dat wanneer het Vlaams parlement zijn oor leent voor de onderzoeksresultaten inzake de multiculturele samenleving (de radicalisering) van de Nederlandse Marion Van San, er ook een bericht staat in de krant. Maar vermits haar onderzoek niet het resultaat opleverde dat past in de visie van de krant, krijgen we minstens één reactie, meestal meer, die haar conclusies aanvecht. Dat die kritiek soms kant noch wal raakt, of gewoon voorbijgaat aan de boodschap van Van San is helemaal niet belangrijk. De twijfel is er en meer moet dat niet zijn.

Tijd en kennis


 

De oorzaak van deze selectieve ‘oogkleppen’journalistiek ligt onder meer in het ontbreken van de tijd en een diepgaande kennis binnen de redacties. Dat is geen verwijt maar gewoon een kwestie van te weinig investeringen in kennis. De verschuiving van duiding naar opinie had nog een ander gevolg dat minder opvalt maar daardoor juist gevaarlijker is. De verantwoordelijke voor de opiniebladzijden – de journalist(e) die kiest wat in de krant komt of niet – werd veel belangrijker. Zelfs belangrijker, zo lijkt het bijwijlen, dan de hoofdredacteur. Want wie anders dan deze verantwoordelijke evalueert de inzendingen?
 
Opinie is vandaag zo vanzelfsprekend voor de kranten dat het gelijkgesteld wordt met goede afstandelijke journalistiek. Opmerkelijk dat zelfs de hoofdredacteur van DS het nodig vond om zichzelf de titel aan te meten van ‘Opiniërend hoofdredacteur’. Waarmee hij zich als hoofdredacteur niet meer hoeft te houden aan de journalistieke deontologische regels. Hoe vindingrijk kan men toch zijn om het eigen falen te camoufleren.

Goed kunnen schrijven volstaat niet


 

Deze evolutie is mij opgevallen omdat, tegelijk met de teloorgang van de afstandelijke duiding in de pers, het lezerspubliek uit pure frustratie zelf de pen ter hand nam en zich uitleefde in de burgerjournalistiek. Niet via de vluchtige sociale media, maar blogs en e-nieuwssites en -magazines die diepgravende bijdragen afleveren. Terwijl journalisten vooral goed kunnen schrijven en men van hen verwacht dat ze ook over elk onderwerp zinnige dingen kunnen schrijven, zorgen gespecialiseerde burgerjournalisten en bloggers voor dieper gravende bijdragen. Dat de lezers daarbij wel eens minder fraai taalgebruik moeten accepteren, doet niets af aan de inhoudelijke kwaliteiten van hun artikels. En ook inzake taalgebruik  is er een merkbare vooruitgang.
 
Maar het grote verschil tussen krantenredacties en burgerjournalistiek is eigenlijk nog simpeler: Journalisten moeten schrijven, elke dag opnieuw, burgerjournalisten niet, ze kunnen zich beperkten tot wanneer ze iets te zeggen hebben. Wat een luxe! Dat levert een ongeziene verscheidenheid op aan invalshoeken waartegen de kleffe  eenheidsworst van de kwaliteitskranten schril afsteekt.
 
Dat het pijn doet kunnen de klassieke media niet verbergen: terwijl journalisten dagelijks berichten uit andere kranten copy-pasten of herkauwen om hun eigen edities te vullen, wordt de interessante informatie die te lezen valt op de nieuwe nieuwskanalen doodgezwegen. Bang als ze zijn dat hun lezers de weg zouden vinden naar (meestal gratis) informatiekanalen waar geen paternalisme noch zelfcensuur in de weg staat van analyses en achtergrondnieuws. Daarmee doen de kranten niet alleen zichzelf tekort, maar vooral hun lezers. Het belet de journalisten nochtans niet om ook daar de mosterd te halen voor hun artikels en ‘vergeten’ deze als referentie te vermelden.

De boekskes en kwaliteitsjournalistiek


 

Deze paternalistische houding leidt dan tot een andere vaststelling: Door de zelfcensuur negeert men stemmen die nochtans belangrijk zijn. Het wordt een beetje lachwekkend wanneer die (ocharme) ‘boekskes’ met interviews komen die de zelfcensuur van de poco-pers niet overleven. Een voorbeeld:
De kranten schonken alle aandacht aan hun uitverkoren woordvoerders van de moslims, Meyrem Almaci, Selahattin Koçak en Co, die ons verzekeren dat die terroristen geen uitstaans hadden met de islam. Dat het losgeslagen figuren waren en jawel, opgegroeid zonder kansen, sukkelaars dus. Om te eindigen bij het dogma: de moslims lijden onder het onnoemelijk onrecht dat wij hen aandoen. Die nagel moet erin geklopt worden, want volgens sommigen net zo erg als de concentratiekampen waar miljoenen joden en andere ‘minderwaardigen’ werden uitgeroeid.
 
Dat het een leugen is kunnen we alleen lezen in de ‘boekskes’ waarop de zogenaamde kwaliteitskranten neerkijken. In Humo van 27 januari werd een interview gepubliceerd over drie volle pagina’s waarin de Franse islamoloog Rachid Benzine komaf maakt met die afgezaagde excuusproza: ‘Ik zie ze op TV, ik lees ze in de kranten: de vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap die koppig blijven volhouden dat de terroristen en die figuren van de Islamitische Staat niet in naam van de islam handelen, dat die mensen geen moslims zijn en niets met de islam te maken hebben. Het is gewoon niet waar., dat gebeurt wél in naam van de islam. Het heeft geen zin om te beweren dat de islam de religie van de vrede is, of die van het geweld. De islam is het allebei.’
 
Wanneer ik dat lees dan denk ik: wanneer zullen de poco-media inclusief de VRT eens stoppen met leugens verkopen?

Heeft DS het begrepen?


 

Wellicht is DS-redactie helderziende want, net nu ik dit artikel schrijf, sturen ze mij volgende gepersonaliseerde mail:
 
‘Beste Pierre Therie,
Acht journalisten zijn een halfjaar hun job kwijt. Hun gewone job toch.
Want ze krijgen maar één opdracht: focussen op één groot maatschappelijk vraagstuk. Ze mogen er de tijd voor nemen, zodat zij zich grondig kunnen verdiepen. Om terug te komen met antwoorden die u nieuwe, zinvolle inzichten verschaffen.
Voor deze 'Correspondenten van De Standaard' sparen we ons het brood uit de mond. We investeren in journalistiek die tijd, geduld en concentratie vraagt. Waardoor u straks dossiers en reportages voorgeschoteld krijgt die u nooit eerder las. Met nieuwe onthullingen die uw blik op de grote thema's van deze tijd verruimen. En die u inspireren.’
 
Oei, moet ik nu mijn artikel herschrijven? Heeft de redactie het eindelijk begrepen?
 
Helaas de ontnuchtering volgde bij het lezen van de grote maatschappelijke thema’s die aan bod zullen komen:
Over robotica en artificiële intelligentie
Over suiker
Over voeding en politiek (jawel in deze combinatie)
Over het perfecte kind
Over rechtvaardige belastingen
Over het nieuwe Europa.
 
Was er een betere reden om mijn artikel toch te publiceren?
 
Pjotr

 

05 februari 2015

Open brief aan de ombudsman van DS






MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

Geachte heer Naegels,
 
Ik las met aandacht uw commentaar 'Onder professoren - of toch niet', (DS 4/02) op het eerder gepubliceerde artikel van Dominique Minten,  waarbij u tot de conclusie komt dat het beter ware geweest om de kritiek op klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele de Strihou door zeven ondertekenaars niet zo prominent in de krant te zetten. Ik vond twee uitspraken opmerkelijk en heb er vragen bij.

Wie mag in de krant? 


 

(1) Ik ben het met Dominique Minten eens dat klimaatsceptici (af en toe) hun plaats in de krant mogen krijgen, omdat ze dan misschien geen rol spelen in het wetenschappelijke, maar wel in het politieke en maatschappelijke debat, en ook daar bericht een krant over.
Eerst het antwoord van een lezer (al even onbekend als de uwe, maar waarvan ik u kan verzekeren dat hij een top academicus is in meer dan één exact-wetenschappelijke discipline en daarenboven vertrouwd is met economische beleidsprocessen):
Zijn reactie:'Dat is het hem nu juist: ze spelen wel een rol in het wetenschappelijk en net niet in het politiek debat. Het is niet omdat een bende charlatans de goegemeente heeft wijsgemaakt dat een in wezen politiek debat wetenschap zou zijn dat het ook zo is. Maar ik weet het: postmodernisme. De dingen zijn wat wij allemaal samen zeggen dat ze zijn, en dat geldt ook voor wetenschap. Hoe infantiel!'
 
Zelf las ik de afgelopen weken heel wat over de wetenschappelijke achtergrond van dit dossier en ik kwam tot de vaststelling dat het klimaatdebat gaat over een zeer complex fenomeen dat zich uitstrekt over meerdere wetenschappelijke domeinen. Een klimatoloog, zoals van Ypersele, die respect heeft voor deze complexiteit zou op zijn minst moeten luisteren naar andere specialisten. Want ook van Ypersele is immers als klimatoloog sterk afhankelijk van die andere disciplines (mv), waarover hij zelf niet voldoende kennis in diepte heeft, om de draagwijdte van het probleem volledig te kunnen bevatten.  Daarenboven is het argument om niet te discussiëren wegens 'het wordt toch een dovemansgesprek'  een dooddoener van jewelste. Totaal onwetenschappelijk waardoor van Ypersele de Strihou terecht de kritiek krijgt om aan politiek te doen en niet aan wetenschap.
 
En wat bedoelt u juist met 'af en toe in de krant komen'? Net genoeg om de kritiek te vermijden dat DS een cordon sanitaire heeft ingesteld, maar niet zo veel dat deze (volgens u) 'sceptici', ook zouden kunnen geloofwaardig worden? Hoe weten wij (u en ik) als volslagen leken in die disciplines wat juist is en wat niet? Het zou vanwege de redactie van De Standaard onverantwoord en zelfs gevaarlijk zijn wanneer onbevoegden de macht krijgen om te beslissen over welke kennis hun lezers al of niet dienen geïnformeerd te worden. Aan dat fenomeen, waaraan ook De Standaard zich bezondigt, zou de Raad van de Journalistiek eens een debat mogen wijden.   

Recht op kennis 


 

(2) Bovendien staan veel lezers wantrouwig tegenover het pensée unique-gehalte van het klimaatverhaal. Zonder daarom onzin voor waarheid te verkopen om een vals gevoel van evenwicht te creëren, mogen hun sceptische vragen best open besproken worden in de kolommen van De Standaard.
Over die pensée unique liet Rob Lemeire, redactielid van De Bron, die actief is in deze problematiek mij volgende weten: ‘Pensée unique zorgt nu eenmaal voor een stille massa, groepen mensen die niets meer durven zeggen. Zelf heb ik contacten met verschillende bekende Vlaamse wetenschappers die debatmoe zijn, die zich ooit negatief hebben geuit tegenover de klimaatconsensus, maar ondertussen niet meer naar buiten willen/durven komen. Dan hebben we het nog niet over de vele wetenschappers die nooit hun mond hebben durven te openen.’
 
Dat de krant open staat voor 'sceptische' (waarom een woordgebruik met een negatieve connotatie?) vragen kan ik alleen maar toejuichen. Wel zou ik graag willen weten waarom DS al niet veel vroeger aandacht schonk aan deze belangrijke vragen? Ik zou alvast niet durven suggereren, zoals u doet, dat de grote meerderheid van deze vragen en invalshoeken onzin zijn en een vals gevoel van evenwicht zouden kunnen creëren.  Om daarover te oordelen volstaat mijn kennis niet en als ik even stout mag zijn, vrees ik dat ook uw kennis en deze van Dominique Minten niet volstaan  om dergelijke onwetenschappelijke suggestie te publiceren. Misschien zou DS juist het tegenovergestelde moeten doen en het pensée unique-gehalte doorbreken door over de kennis (of het ontbreken ervan) in alle wetenschappelijke disciplines, te publiceren.
 
Mijn anonieme lezer schreef mij nog het volgende:'Het is volgens De Standaard ook helemaal verkeerd ‘twijfel te zaaien’. Welnu, de wetenschap leeft van twijfels. Het zijn de politici die nooit twijfels hebben, en we weten waar we daar mee terecht komen! De klimaatalarmisten willen niet meer discussiëren ‘omdat ze toch weten dat ze op dovemans oren stuiten’. Om een beeld uit het verleden te gebruiken: Ze willen niet meer discussiëren met iemand die niet accepteert dat de zon en de planeten rond de aarde draaien. Dat is nu toch wel langzaam zo algemeen geweten – beweren ze – dat er niet meer over gediscussieerd moet worden. Déja vu: Gallilei! 
Natuurlijk mag iedereen die dat wil aan politiek doen, proberen de realiteit een beetje op te poetsen, feiten en ideeën doodzwijgen, critici ‘excommuniceren’ en commissies manipuleren. Maar noem dat dan geen wetenschap.'

Wetenschap is geen meerderheidsaangelegenheid


 

In de kranten kunnen we regelmatig lezen ‘dat de meerderheid van de wetenschappers’ de doelstellingen van het klimaatpanel van de VS (IPCC) onderschrijft en dus, zo concluderen ook de journalisten, ‘zal het wel waar zijn’. Hiermee gaat het verzameld gild van journalisten en wetenschappers die zich hierop steunen, een gevaarlijke weg op: Het ondergeschikt maken van de wetenschappelijke methodes aan de behoefte om aan ‘maatschappelijk gewenste’ oplossingen te voldoen.
 
Opnieuw had mijn anonieme lezer hierover een duidelijke mening: ‘Natuurlijk is dit probleem belangrijk. Je zou echter kunnen denken: dat is enkel maar weggegooid geld, en dus op lange termijn niet belangrijk. Het is echter met geld niet gedaan. Als dit model zich doorzet is het uit met wetenschap en innovatie. Iedere innovatie is tot hier toe begonnen als min of meer weggelachen minderheidsmening. Dat was recent nog zo met de baanbrekende ontdekking van Stanley Prussiner: de prionen. Als we nu het onderdrukken van politiek ‘onpassende’ ideeën in systeemvorm gieten zitten we terug in de middeleeuwen. Dwepen met de Verlichting en nu blind achter de meest dwaze religie van alle tijden lopen?’ Duidelijke taal waarbij ik mij gelukkig niet aangesproken voel.

Enkele vragen



Terwijl ik aan het lezen was over dit complex fenomeen werd het aantal vragen alsmaar groter. Gelukkig kon ik beroep doen op die anonieme wetenschapper  om mijn kennis bij te spijkeren. Een van de vragen die ik hem stelde ging over het feit dat algemeen wordt aangenomen dat CO2 de grote boosdoener is en de menselijke activiteit verantwoordelijk is voor de piekwaarden. Mijn vraag aan hem: hoe kan het dat vooral de mens verantwoordelijk is voor de CO2 uitstoot wanneer blijkt uit wetenschappelijke metingen dat er zo’n 340.000 jaar geleden ook al een piek was van een vergelijkbare hoeveelheid C02? Kent de redactie van De Standaard soms het antwoord?
Mijn vriend had ook een vraag voor mij die ik eveneens graag met u deel: Hoeveel meter zal de zeespiegel stijgen inden al het ijs op de Noordpool zou smelten?
Als laatste een vraag over het gebruik van ‘anonieme’ lezers en andere bronnen: Graag zou ik willen weten of uw anonieme lezer ook een onderlegde academicus is? Of is het een politicus of een vriend van u? Er zijn immers nogal wat mensen die niet-wetenschappelijke belangen hebben bij uw standpunt.
Tot slot zou ik u, meneer de ombudsman, een artikel willen aanbevelen dat twee dingen bewijst: (1) dat het mogelijk is om in verstaanbare bewoordingen hierover duiding te verstrekken en (2) dat het nooit te laat is om bij te leren. Dat laatste is uiteraard vooral voor mezelf bedoeld.  Het artikel is van een Nederlandse geoloog en kan u hier lezen.

Hoogachtend,

 

Pierre Pjotr Therie