12 december 2013

De F35: een dure politieke beslissing



 
MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN
 

Binnenkort moet België een vervanger kiezen voor het huidige F16 gevechtsvliegtuig. Wordt het een keuze op basis van rationele argumenten of een zeer dure politieke (koe)handel?

Kiezen tussen twee types


 
De gedoodverfde opvolger van de F16 is het Amerikaanse gevechtsvliegtuig type F-35A, alias JSF (Joint Strike Fighter). Maar er is ten minste één mogelijk alternatief voor landen zoals België die krap bij kas zitten: een nieuwe moderne versie van de F-16 die nog tot in 2020 gebouwd wordt.   Theoretisch zijn er ook nog andere kandidaten zoals de Typhoon 2 (de vroegere Eurofighter) van een Europees consortium met Engeland, Duitsland en Italië, de Rafale van Dassault, en de Zweedse Saab Gripen. De kans dat één van hen het haalt is echter minimaal, zoniet onbestaande wegens uiteenlopende redenen.
 
Zuid Korea waar de oorlogsdreiging heel wat groter is dan voor ons land heeft alvast gekozen voor een gedeeltelijke vervanging van de bestaande vloot door de gemoderniseerde versie van de F16. Het Pentagon heeft intussen zijn toestemming gegeven voor de export.
 

F-35 Lockheed alias JSF


 

De F-35 wordt ontwikkeld in drie versies: F-35A voor de luchtmacht (luchtgevechten en grondsteun), een versie F-35B voor de ‘Marines’ (versie STOL – short take off and landing) en de F-35C voor de Navy (met haak voor gebruik op vliegdekschepen).  
 
De JSF is de laatste ontwikkeling en vanuit een technologisch standpunt het meest geëvolueerde gevechtsvliegtuig, naast de F22 die de USA enkel voor zichzelf voorbehoudt. Dat piloten de aankoop van dit type verdedigen is normaal. Wie rijdt er niet liever in een Ferrari in plaats van een Audi?
 
De F-35A, die in aanmerking komt om de F16 op te volgen, krijgt heel wat kritiek te verwerken. Niet in het minst omdat de prijs dit type voor veel landen onbetaalbaar maakt. Daardoor hebben verschillende landen beslist om het aantal bestelde vliegtuigen drastisch te verlagen.
 
In een artikel gepubliceerd online door ‘Defense-aerospace.com’ (link zie Ref onderaan) wordt een overzicht gegeven van deze reducties. Maar eerst de uitgangscijfers. Lockheed, constructeur van de JSF, speculeerde bij de aanvang van het programma in 2001 op een totaal van 5.179 vliegtuigen. Ondertussen is dat aantal verminderd tot 3.000 exemplaren die men hoopt te kunnen slijten. Een minder verkoop van 2.179 vliegtuigen betekent dat de kostprijs moet verhaald worden op minder vliegtuigen waardoor die zomaar 108,95 miljard dollar duurder worden. En het houdt niet op. Wie die meerprijs zal betalen? Zij die dit type uiteindelijk kopen met als grootste verliezer het Pentagon zélf dat het leeuwenaandeel koopt.
 
Door deze evolutie is het zelfs niet mogelijk om een juiste prijs te plakken op de F-35. De prijszetting is daarenboven zo ondoorzichtig omdat een aantal testkosten en retrofits (verbeteringen in de loop van het project als opties voorstellen) uit de verkoopprijs gehouden worden. Momenteel heeft men een soort blanco cheque getekend maar het zal Lockheed zijn die de echte kostprijs zal bepalen.
Gebaseerd op de Nederlandse cijfers zou één vliegtuig meer dan 130 miljoen dollar kosten. Zou dus, maar wat met zekerheid kan gesteld worden, is dat de door Lockheed vooropgestelde prijs van 65 miljoen dollar totaal ongeloofwaardig is.
 
Een ander probleem met het F35 project is de zeer lange ontwikkelingsfase. In militaire kringen weet men dat een lang tijdsverloop tussen de beslissing om een bepaald type materieel te kopen en het moment dat het in dienst genomen wordt, soms resulteert in een verkeerde aankoop. Zo werd door de Belgische Landmacht indertijd beslist om antitankhelikopters te kopen. Maar op het moment dat de Agusta antitankhelikopters geleverd werden was deze capaciteit niet meer prioritair. Idem dito voor de Matenin mijnenlegger voor de Genie-eenheden. In het geval van de F35 zou het wel eens kunnen dat de belangrijkste innovatie waarover verder meer, achterhaald is op het ogenblik van de ingebruikneming.

Het orderboek daalt spectaculair


 
In het hiervoor geciteerd artikel wordt een inventaris gemaakt van de landen die hun orderboekje bijstelden. De reducties per land zijn spectaculair:
 
Groot-Brittannië: van initieel 150 naar slechts 48 van het type F-35C (type voor gebruik op vliegdekschepen). Vermits een vermindering van één vliegtuig volgens Lockheed de prijs van de resterende doet stijgen met 50 miljoen dollar, betekent deze reductie een verhoging van de kostprijs over het gehele order met 5,1 miljard dollar.
 
Italië: plande initieel een aankoop van 130 exemplaren maar verminderde het aantal naar 90. Veertig vliegtuigen minder of een verhoging van de kostprijs met 2 miljard dollar.
 
Nederland: plande 85 exemplaren maar herleidde het order tot 37. Een verlies van 48 of 2,4 miljard dollar. Nederland heeft reeds heel veel geïnvesteerd in deze aankoop. Twee prototypes en zo’n 850 miljoen dollar is niet niks. Maar toch aankopen zal de factuur nog veel hoger doen oplopen. Voor België is dat momenteel nog niet het geval. Lees meer over de situatie in NL op weblog http://www.jsfnieuws.nl/p=1030 .
 
Noorwegen: voorzag de aankoop van 85 maar herleidde dit aantal tot 52. 33 vliegtuigen minder of 1,65 miljard dollar.
 
Canada: voorzag de aankoop van 65 JSF maar heeft het debat over dit programma heropend. Dat wil zeggen dat Canada momenteel geen enkel order meer heeft. Een verlies van 3,25 miljard dollar.
 
Alles samen betekenen deze reducties dat Lockheed zo’n 14,4 miljard dollar minder ontvangsten zal halen uit deze verkoop aan derden. Maar de factuur voor de kleinere markt zal iedereen betalen, niet in het minst de Amerikaanse Luchtmacht.
 
Volgens een militair voorstander van de aankoop van de F35 heeft de scherpe daling van het orderboekje niet alleen met de prijs te maken. “De evolutie van de militaire bedreiging, de wereldwijde slechte economische toestand maar vooral de vaststelling dat de JSF een zeer uitgebreide waaier van operationele mogelijkheden biedt betekent gewoon dat men met veel minder JSF's veel meer opdrachten tot een goed einde kan brengen”. Deze uitspraak geeft de indruk dat de landen die teveel vliegtuigen bestelden blijkbaar niet op de hoogte waren van de multifunctionele capaciteiten van de F35. Moeilijk te geloven en uit geen enkele informatie blijkt alvast dat de F35 sinds de aanvang van het project polyvalenter zou geworden zijn.
 
Iemand die vertrouwd is met de firma Lockheed stuurde mij volgende bedenking: “Lockheed Martin is een firma waar ik, op technisch gebied,  veel respect voor heb, tenminste voor het vroegere ‘Martin Marietta’ deel. Maar het zijn wel de Lockheed boys die de touwtjes in handen hebben. Die hebben eigenlijk de laatste tijd hoofdzakelijk in ‘marketing’ uitgeblonken, om het nog vriendelijk te zeggen. Ik heb ze meegemaakt in Roemenië, in verband met radarapparatuur. De turbulente ontwikkelingsgeschiedenis van de JSF heeft daar waarschijnlijk iets mee te maken. Maar je kunt er gif op nemen dat ze de top van de luchtmacht en het ministerie in hun zak hebben”.
 

Is deze ‘hightech’ noodzakelijk?


 

De eerste vraag is of al die nieuwe technologie wel nodig is voor het meest voorkomende takenpakket van de Belgische Krijgsmacht. Belgische specialisten vragen zich (momenteel nog achter gesloten deuren) af of de F-35 wel nodig is.
 
In DS stelt Marc Reynebeau eveneens deze vraag en legt een link naar de modernisering van de tactische kernwapens die in Kleine Brogel (zouden) liggen en bij inzet door Belgische vliegtuigen moeten gedropt worden. Hij verwijst naar een voetnoot in een verslag van het Amerikaanse Rekenhof over de modernisering van de atoombommen waarbij de VS en andere Navo-bondgenoten plannen om de F-35 in te zetten voor nucleaire operaties. Hoewel veel te kort door de bocht besluit Reynebeau dat de keuze voor de F-35 enkel nodig is voor deze nucleaire opdrachten. Een nieuwe F16 (en zelfs de oude) zou deze opdracht wel aankunnen. Maar wat wel klopt is dat bijkomende ‘opties’ zoals de nucleaire de indruk moeten wekken dat het vliegtuig polyvalenter is.
 
Het gereputeerde Clingendael-instituut vindt evenmin dat de ‘hightech’ een absolute noodzaak is voor de meest waarschijnlijke opdrachten. Gevaarlijke langdurige opdrachten boven een streng bewaakt vijandelijk gebied zijn immers grote uitzonderingen. Daarenboven vergen dergelijke opdrachten nog andere capaciteiten waar België en zelfs Europa niet over beschikken. Onder andere inzake commando, controle en doeleninlichtingen plus een ‘sustainable’ logistiek. De aankoop van de JSF betekent op politiek vlak dat Europa voor een langere periode militair afhankelijkheid blijft van de US. Gezien de besluiteloosheid van zowel de Europese als sommige nationale beleidsmakers is dat niet noodzakelijk een nadeel.


Technische overwegingen


 

Naast het volledig uit de hand gelopen prijskaartje, blijkt volgens sommige bronnen dat de aanvankelijk voorspelde technologische innovaties helemaal niet haalbaar zijn en werden de normen reeds enkele malen naar onder bijgesteld.
 
Wat is de grootste innovatie? Ongetwijfeld is dat de onzichtbaarheid voor opsporing via radar dank zij de zogenaamde ‘stealth’ capaciteit. 
 
Maar dat men aan de kant van de waarneming ook niet stil staat, bewijst alvast deze mededeling: ‘Passive Radar’ is een technologie die gedemonstreerd is, alleen nog verder te ontwikkelen. Het probleem zit hem hoofdzakelijk in de verwerking van de zeer grote hoeveelheden data, want de ‘pattern recognition’ problemen zijn opgelost. Ik verwacht dat hier tegen 2020 een echt bruikbare technologie uit komt. Dan is het ‘stealth’ voordeel voor een goed deel weg. Of de aerodynamische nadelen zich dan nog lonen voor dat wat er van overblijft, is zeer de vraag.
 
Over de grote technologische vernieuwingen is alvast een Belgische specialist zeer terughoudend: “de F35 heeft op dit ogenblik slechts ongeveer 50% van de testen achter de rug, en de moeilijkste moeten nog komen. De operationele vereisten werden reeds tweemaal verlaagd omdat de initieel opgelegde onhaalbaar bleken. ‘Stealth’ is het grote verkoopsargument, maar we weten nu al dat dit toestel slechts een beperkt aantal ladingen intern kan vervoeren. Vraagt men meer,  zoals voor de meeste grondaanvallen nodig is, moet ook dit toestel de ladingen extern vervoeren en valt het stealth kaartenhuisje in duigen. Bovendien is dit toestel gevoelig zwaarder en verbruikt gevoelig meer dan de F16, zonder daarom inzake vliegprestaties beter te zijn”.
 

F35 een bewijs van solidariteit?


 

Sinds Pieter De Crem (CD&V) minister is van Defensie heeft België zijn militaire geloofwaardigheid voor een deel teruggewonnen. Dat is een niet onbelangrijke verdienste voor ons internationaal imago. En het valt niet te ontkennen dat voor de kandidatuur van defensieminister De Crem om secretaris-generaal van de NAVO te worden, een aankoop van de F35 wel eens heel belangrijk zou kunnen zijn. Al wordt de F16 nu ook gebouwd door Lockheed. Deze ‘link’ kan oorzaak worden van een zoveelste imagoprobleem. Iets wat CD&V in de aanloop naar de verkiezingen van 2014 kan missen als kiespijn.
 
Maar betekent een keuze voor een alternatief in plaats van de JSF ook dat we militair minder solidair zijn? Absoluut niet. Het zou hooguit kunnen dat we in uitzonderlijke gevallen niet kunnen bijdragen in het geheel van de luchtoperaties, maar dan zijn er nog de andere militaire capaciteiten waarmee we onze solidariteit kunnen bewijzen. En in het verleden (in de Balkan) zijn er al luchtoperaties geweest waar we niet konden aan deelnemen. Het infanteriebataljon (BELBAT) heeft toen ons imago op een even positieve manier ondersteund.
 
Overigens zal Defensie onvermijdelijke moeten snijden in andere capaciteiten wanneer ze zonder budgetverhoging – waar geen enkele partij voor te vinden is – de gepeperde rekening moet betalen. Een verschuiving van de prioriteit naar luchtoperaties zal ook het werkingsbudget de hoogte in jagen. Mocht het nog niet het geval zijn, het is hoog tijd dat men bij Defensie de gevolgen van deze financiële aderlating voor de andere capaciteiten in kaart brengt.
 

F35 als prijs voor een BENELUX samenwerking?


 

Nederland heeft een belangrijk order geplaatst en daarvoor ook compensaties toegezegd gekregen onder de vorm van deelname in de bouw van het toestel via bepaalde werk- en onderdeelpakketten. Maar moet nu om budgettaire redenen drastisch schrappen in de bestelling; 37 exemplaren in plaats van 85. Voor Nederland is een doorverkoop van een aantal JSF aan België uiteraard een financieel zeer goede oplossing. Het zou de prijs kunnen zijn voor een intensere samenwerking waar alle Vlaamse partijen, inclusief N-VA, voorstander van zijn. Dit zou echter betekenen dat de Nederlanders alle industriële voordelen zouden krijgen uit deelname, en de Belgen alleen de factuur. Zullen de Belgische onderhandelaars voldoende compensaties krijgen voor de Vlaamse en Waalse luchtvaartbedrijven? Voor de F16 kreeg enkel een beperkt aantal Brusselse en Waalse bedrijven interessante compensaties.    
 
Dat men in de luchtvaartindustrie niet warm loopt, is alvast in militaire kringen geen verrassing. De eventuele onderhandelingen daarover zullen moeten uitwijzen of Nederland onze steun verdient. Maar het is goed om vooraf te beseffen dat deze keuze wel eens verregaande gevolgen zou kunnen hebben voor de Belgische luchtvaartindustrie. Techspace Aero, Sabca en Sonaca zijn dank zij de F16-participatie succesvol geworden jn  tal van burgerluchtvaartprojecten, te beginnen met Airbus, maar nu practisch in alle moderne burgertoestellen.
 

F16 een bescheiden maar degelijk alternatief


 

Een van de traditionele sterktes van de Amerikaanse ontwikkeling en verwerving van militair materieel is dat ze telkens voortbouwen op bestaande types. Iedereen kent de Amerikaanse jeeps en legercamions (o.a. GMC), die decennialang enkel maar ‘upgrades’ waren van het vorige model. De bommenwerper B52, gebouwd in de jaren zestig, is een ander sprekend voorbeeld van deze strategische keuze. Ook de F16 is inzake capaciteiten helemaal niet aan het einde van zijn mogelijkheden gekomen, al zal hij nooit een ‘stealth’ type worden. Het is alvast volgens enkele specialisten perfect mogelijk om in een nieuwe versie van de F16 meer technologische capaciteit te integreren voor een veel lagere prijs dan men moet betalen voor de F35. Drie F16 voor één F35?
 
Waarom zou de met nieuwe technologie uitgeruste versie van de F16 niet voldoen? Het is vanzelfsprekend dat de Amerikaanse militair-industriële lobby – inclusief de officiële kanalen - grote druk legt op de beleidsmakers voor de aankoop van hun paradepaardje. Maar dat is geen reden voor de regering om een nieuwe versie van de F16 niet te overwegen als alternatief. Wie zou daar op basis van objectieve argumenten tegen kunnen zijn? Deze keuze zou ook positief zijn voor de Belgische industrie die van dit project een nieuwe “core business” kan maken.
 
Hoe dan ook zouden we als belastingbetaler en dus als hoofdaandeelhouder van Defensie, mogen eisen dat de bevoegde CEO, de Defensieminister, dit alternatief door een onbevooroordeelde commissie laat onderzoeken vooraleer te beslissen.
 

Pierre Therie, kolonel SBH o.r., gewezen defensieattaché.

 
Ref:


 

 

03 december 2013

In de spiegel kijken helpt


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN
 

 
Onder de titel ‘In de spiegel kijken kan helpen’ schreef ik in oktober 2009 (Anders Gelezen) over de voorhechtenis van ex-VBO voorzitter Luc Van Steenkiste wegens een vermoeden van handel met voorkennis. Nog altijd actueel, zo blijkt.
 
De holding Bois Sauvage had haar aandelen van FORTIS net verkocht voor ze waardeloos werden. Toevallig of niet maar Vansteenkiste zat zowel in de Raad van Bestuur van Fortis als van Bois Sauvage. Voorkennis was niet uitgesloten. Bewijzen is een andere zaak. Justitie afkopen kan ook.

 

Oktober 2009

 
De voorlopige hechtenis van Luc Vansteenkiste, een vooraanstaande Vlaamse ondernemer, was toen groot nieuws. Advocaat Hans Rieder is tégen voorhechtenis, onderzoeksrechter Karel Van Cauwenberghe legt uit waarom voorhechtenis wel een goed instrument is. Onder de titel ‘De schande van de voorlopige hechtenis’ geeft DS (24/09/2009) schrijnende getuigenissen van enkele mensen die het ooit zelf meemaakten.

 
In De Tijd, (03/10) laat Frank Demets, onder de titel ‘De vingerafdrukken van de witteboordcrimineel’ de onderzoekers aan het woord en daaruit blijkt dat het niet gaat om amateurs en hun werk niet berust op willekeur en ‘vertelseltjes’.

 
De bijdrage van Dorian van der Bremt, ‘Voorkennis, kennis en nakennis in Knack (30/09) bracht mij helemaal in de war. Dat er verschillende vormen en gradaties van voorkennis zijn wisten we. Dat het eigenlijk hierop neerkomt dat het inherent is aan een kapitalistisch ( beurs) systeem is al een stap verder. Dat hij het ziet als een ingrediënt van elk strategisch denken als sluitstuk van zijn betoog kan tellen.


Daarnaast waren er terugkerende vragen van lezers: Is niet iedereen gelijk voor de wet? Heeft Justitie wel de middelen om dergelijke overtredingen te kunnen opsporen en sanctioneren? Waar blijven de rechten van het slachtoffer dat opgevoerd wordt in de media vooraleer de schuld bewezen is?


Dat de voorhechtenis een vreselijke ervaring is zal niemand betwijfelen. Het zou zo veel beter zijn mocht het niet nodig zijn. Maar in alle kranten stond ook geschreven dat die inbreuken zo moeilijk te bewijzen zijn en dat slechts een domoor riskeert om gesnapt en veroordeeld te worden. Is het dan verkeerd wanneer het gerecht de weinige wettelijke middelen, waaronder de voorhechtenis, gebruikt?


Waar het hier om gaat is niet enkel die ene ex-VBO voorzitter; in feite ligt het hele wereldje van ‘ons kent ons’ onder vuur. Daar horen ook politici bij zoals Karel De Gucht wiens echtgenote diezelfde dag eveneens een ‘hemelse inval’ kreeg. Er is géén goede verklaring voor de verkoop van een ongelooflijk groot aantal aandelen op die bewuste vrijdag 3 oktober. Het kan wel zijn dat er geen juridische bewijzen gevonden worden, maar dat het volksgevoel hier niet in mee stapt, getuigt enkel van een gezond wantrouwen. Laten we hopen dat de resultaten van het onderzoek naar de identiteit van al wie op die zwarte vrijdag heeft verkocht, bekend worden. Niet de namen zijn belangrijk maar het zou getuigen van respect voor de maatschappij mocht men ons kunnen duiden tot welke beroepscategorie ze behoren. Het zou veel van het wantrouwen kunnen wegnemen.


Ook de media mag men niet met de vinger wijzen als ze via onderzoeksjournalistiek misbruiken en overtredingen aan de kaak stellen die Justitie niet vond, of toedekte uit corporatistische overwegingen. Het zou wel getuigen van meer klasse mocht men de informatie zakelijker brengen in plaats van met een grote foto op de voorpagina (DS 26/09) die enkel de sensatiezucht bevredigt.


Na het lezen van de vele bijdragen en de nog talrijker reacties van gewone mensen kwam ik niet tot een uitgesproken mening maar wel tot een rustgevende gedachte: ook al zullen wellicht velen hun straf ontlopen, wanneer ze ’s morgens in hun badkamer voor de spiegel staan zullen ze merken dat er een verschil is tussen vooraanstaand en hoogstaand. Ook maquillage kan dat niet verbergen.

 

November 2013

 
We zijn volle vier jaar verder en de zaak ‘Bois Sauvage’ wordt opnieuw groot nieuws. Ditmaal wegens de beslissing van Justitie om een minnelijke schikking voor te stellen waardoor de holding een afkoopsom (9 miljoen euro) betaalt om de rechtspraak te stoppen. Een bedrag dat slechts wisselgeld is voor het machtige Bois Sauvage en hen zelfs een winst oplevert. Want mochten ze hun aandelen niet verkocht hebben waren ze om en bij de negentien miljoen euro kwijt.

 
Een onverlaat schrijft ergens dat hij verwacht dat de koning de adellijke titel van Vansteenkiste afneemt, wegens niet langer verdienstelijk. Te oordelen naar de manier waarop de koninklijke familie zelf omgaat met geld is dat geen argument. Het is maar zeer de vraag in hoeveel zaken ook het ‘Paleis’ zich liet dienen door voorkennis vermits dat volgens specialisten eerder een wijdverspreide gewoonte is onder ‘ons kent ons’ dan een uitzondering.

 
Luc Vansteenkiste zelf blijft onzichtbaar, beducht als hij is voor de publieke opinie. Volgens zijn advocaat wou hij zelf geen minnelijke schikking, zo overtuigd als hij is van zijn onschuld.
 
In de media wordt Justitie verweten aan klassenjustitie te doen. Maar tegenover het verbale geweld van 2009 blijft de mediakritiek beperkter.
 
Yves Desmet (DM 30/11) citeert de socialistische staatssecretaris voor Fraudebestrijding John Crombez: "Te veel grote fraudedossiers zijn al vrijuit gegaan voor de rechtbank. De zaken rond Beaulieu en KB Lux spreken voor zich. We zijn er nu in geslaagd om opgelopen schade te recupereren, terwijl de kans daarop anders zo goed als nihil was". (…) Vandaag kunnen en mogen rijken hun proces afkopen. Nu ja, afkopen, het kost hen niet eens veel, het brengt zelfs op. De dag na de schikking schoot de beurskoers van de holding Bois Sauvage met 6 procent omhoog, zodat ze, zelfs na het betalen van hun boete, nog steeds 10 miljoen euro rijker uit het verhaal te voorschijn kwamen. Het is van een weerzinwekkend cynisme soms, die heilige vrije markt.”
 
Gerard De Beuckelaer, (gewezen senior-vice-president voor BASF in de US en docent aan verschillende universiteiten, waaronder het MIT in Cambridge, TU München en UCL) schreef  mij volgende korte commentaar: We zien hier de symptomen van de Belgische ziekte: veel te veel en veel te complexe stomme wetten met karrenvrachten uitzonderingen en een incompetent apparaat om die uit te voeren. Dat alles danken we aan de politiek en het eeuwig gekonkel. Daar boven op dan het geloof dat meer van het zelfde zal helpen. We vergroten het probleem nog iedere dag.
 
Het is een illusie dat we het systeem zouden kunnen repareren. Afbreken en nieuw opbouwen is de enige mogelijkheid. Dat is een project gelijk een ander, maar het vereist een mate aan planning en leiderschap die we bij onze politiek niet zullen vinden. Het is gecompliceerd en het zal minstens tien jaar duren. Maar als we niet beginnen geraakt het ook nooit af: zie Lange Wapper.

Deze bijdrage verschijnt binnenkort eveneens in De Bron. Zie http://de-bron.org/

 
Pjotr

Anders Gelezen

27 november 2013

Omgekeerde braindrain


 


MEDIA EN POLITIEK ANDERS GELEZEN


 

Nu het minder goed gaat in Europa keren hogeropgeleide Vlamingen van buitenlandse afkomst terug naar hun land van herkomst. Is deze omgekeerde braindrain een probleem of een positieve evolutie?
In DS (26/11) schrijft Veli Yüksel (Vlaams parlementslid, CD&V) over een blijkbaar nieuw fenomeen: de ‘allochtone braindrain’, de terugkeer van hogeropgeleide allochtonen naar hun land van herkomst. Voor deze braindrain zijn er volgens Yüksel meerdere redenen, de interessante economische situatie, de aantrekkelijkheid van het thuisland - sociaal en cultureel, maar ook de discriminatie waar de allochtonen in Vlaanderen aan onderhevig zijn.

Discriminatie op school


Voor deze discriminatie verwijst Yüksel naar een reeks daarover die in DS werd gepubliceerd (‘De zwarte lijst’, 26 oktober – 2 november 2013). Een aflevering daarvan gaat het over discriminatie op school. “Volgens Noel Clycq, coördinator van het onderzoeksproject, leven bij heel wat leerkrachten wel degelijk discriminerende beelden van de kinderen. Maar hij vertelt erbij dat “Kinderen met een Poolse of Chinese achtergrond ‘voorbeeldminderheden’ zijn. Ze gelden, anders dan de Turkse of Marokkaanse kinderen, als heel gedisciplineerd en ambitieus – terwijl ook hun ouders een andere taal dan het Nederlands spreken”.

Er is duidelijk een meningsverschil tussen de ‘discriminerende leerkrachten’ (die steevast als de slechteriken worden voorgesteld) en de ‘gediscrimineerde leerlingen’ van Marokkaanse en Turkse afkomst (altijd de slachtoffers). Vermits het niet gaat om een taalachterstand, zou het interessant geweest zijn om te horen van de onderzoekers of er ook onderzoek gebeurde naar het onderscheid in functie van het thuisland. Helaas, in het politiek correct denken komt dergelijke kritische vraag niet aan bod. Is dit een vergetelheid of een weigering om relevante verschillen tussen specifieke gedragingen van de verschillende groepen allochtone leerlingen te willen erkennen?
Een punt dat niet aan bod komt zijn de mogelijke verschillen tussen hogeropgeleide en laaggeschoolde allochtonen. Zou het te ver gezocht zijn te denken dat over het algemeen hogeropgeleiden veel gemotiveerder zijn en hun werkethiek sterker ontwikkeld is? Is dat trouwens geen fenomeen dat helemaal niets met discriminatie te maken heeft, en voorkomt in elke gemeenschap, autochtoon of allochtoon? Zou het kunnen dat zij daardoor veel minder last hebben van discriminatie dan de minder gemotiveerde laaggeschoolden? Dat de discriminatie van deze categorie nauwelijks een rol speelde bij hun eigen beslissing om terug te keren naar hun ‘eigen land’ om het daar waar te maken?
Wat in elk geval een goede reden is voor de terugkeer van ambitieuze allochtonen naar hun land van herkomst is de gewijzigde economische situatie. Turkije is aan een economische opmars bezig en vermits iedereen (ongeacht zijn herkomst) liever rijk dan arm is, ligt het voor de hand dat ze daar meer kansen hebben. Moet daar opnieuw de discriminatie bij gehaald worden? Is Vincent Kompany weggelopen omdat hij hier gediscrimineerd werd of vertrok hij gewoon voor de poen en het prestige?

Discriminatie op de arbeidsmarkt 


Wie nu nog durft te beweren dat er geen discriminatie is op de arbeidsmarkt is een racist ‘pur sang’. En wie beweert dat discriminatie alle achterstelling op de arbeidsmarkt verklaart, die is al even dogmatisch en ongenuanceerd bezig.
Zouden er niet heel veel Vlamingen zijn die niet discrimineren wegens taal, huidskleur, naam of herkomst, maar wel bepaalde allochtonen weigeren omwille van onaangepaste gedrag en een bedenkelijke werkethiek of te onrealistische verwachtingen? Onderzoeken en consistente feedback vanwege rekruteerders bevestigen dat dit absoluut geen zwart-wit verhaal is.
Ik weet het, dat is vloeken in de politiek correcte kerk. Daarom dat voorbeelden hiervan nauwelijks de media halen. Zou veel meer nuancering en minder eenzijdigheid niet bijdragen tot een objectiever en eerlijker debat?

Een positieve evolutie


Dat er aan deze omgekeerde braindrain een positief aspect zit las ik niet bij Yüksel. Nochtans is het duidelijk dat de thuislanden met deze terugkeer gediend zijn. Is dat geen goed voorbeeld van een geslaagde vorm van internationale samenwerking?
Zo ziet Yüksel het echter niet. Hij blijft steken in het bekrompen eigenbelang van zijn gemeenschap die door deze braindrain een deel van haar rolmodellen verliest. Blijkbaar is Vlaanderen toch niet zo slecht voor haar allochtone medeburgers. Of is een mooie toekomst in het land van herkomst een stap achteruit?
Waarom elk probleem met ingeweken Vlamingen te pas en te onpas herleiden tot een discriminatie debat? Wil men het probleem echt oplossen dan zou het alvast helpen mochten de politiek correcte media de kerkhofstilte over dit thema doorbreken.

 

Citaten van de week


 

Knack: “Het Belgisch leger moet zich verantwoorden voor zijn rol in de bootramp in de Middellandse Zee in maart 2011. Drie overlevenden hebben een klacht ingediend bij de onderzoeksrechter in Brussel. Zij willen weten in hoeverre het Belgisch leger verantwoordelijkheid draagt voor de bootramp waarin 63 mensen het leven lieten. De drie overlevenden worden gesteund door verschillende mensenrechtenorganisaties”. Anders gelezen, aan de verplichting om hulp te bieden op zee valt er niet te tornen. Ook niet wanneer de vluchtelingen hun noodsituatie zelf georganiseerd hebben. Wat hier welk eens het geval kan zijn. Maar de hulpbieder heeft wel het recht om hen af te zetten in een haven van het land van waar ze vertrokken zijn en niet in de haven die ze willen bereiken.
 

Bart Sturtewagen in zijn Commentaar dS (26/11): Het komt steeds vaker voor dat goedopgeleide mensen met een buitenlandse achtergrond ons land verlaten en gaan werken in het land van hun voorouders. In Turkije en Marokko groeit de economie meer dan hier en liggen voor hen kansen. Moeten we rouwig zijn om die braindrain?
 

Yvon Mayeur in DS (21/11): Brussels OCMW-voorzitter Yvan Mayeur – die midden december de burgemeesterssjerp overneemt van partijgenoot Freddy Thielemans – heeft zich de toorn van zijn collega’s op de hals gehaald. ‘Vlaamse OCMW’s sturen mensen waarover ze zich niet willen ontfermen gewoon naar Brussel’, zei hij gisteren in Le Soir (DS 20 november). Wie geen Nederlands spreekt, krijgt in Antwerpen gewoon geen steun, zegt Mayeur. ‘Ik heb mijn buik vol van dit Vlaanderen dat zijn verantwoordelijkheid niet opneemt.’ (…) Specifiek voor Antwerpen geldt dat onkunde van het Nederlands almaar vaker opduikt als (één van de) redenen om mensen een leefloon te weigeren. ‘Men verpakt dat in een uitgebreide motivering, maar het is duidelijk dat mensen geen alternatief aangeboden krijgen. Op die manier betaalt Brussel de sociale politiek van Antwerpen.’ Anders gelezen, zou het goed zijn mochten de Frasntaligen bereid zijn om de Franstalige allochtonen te integreren. Dan moeten dat boerentaaltje niet meer leren.

 
DS (25/11): Het stond zaterdag zwart op wit te lezen op een ‘top secret’-document dat werd afgedrukt in NRC Handelsblad: België – en ook Nederland, Frankrijk, Duitsland, Noorwegen, Zweden, alsmede Algerije en Tunesië – worden al sinds 1946 afgeluisterd door de Amerikaanse inlichtingendienst NSA. Reactie Di Rupo: “Geen commentaar”. Anders gelezen, is het geen geheim dat in elke Europese hoofdstad alle ambassades van de grote landen (waaronder de Amerikaanse) niet enkel een officiële vertegenwoordiger hebben van het Departement Defensie, een Defensieattaché, maar ook vertegenwoordigers van hun inlichtingenorganisaties. Zouden die mensen daar dan al die jaren met hun duimen gedraaid hebben?

 

Pjotr

19 november 2013

Weense dromen, Brusselse werkelijkheid (2)


 


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 
De vergelijking van Brussel met Wenen zorgde voor enkele instemmende reacties maar ook voor een gewaardeerd antwoord van filosoof professor Philippe Van Parijs. Zoals het hoort vindt u hieronder zijn reactie in extenso, waarna we dieper ingaan op zijn drie belangrijkste overwegingen. Hoewel dit deel afzonderlijk kan gelezen worden is het aanbevolen om vooraf het eerste deel ‘Weense dromen, Brusselse realiteit’ te lezen in De Bron (7/11).

Het antwoord van Philippe Van Parijs


 
Hartelijke dank voor dit leerrijk stuk, dat ik trouwens dankzij het uitmuntende selectiewerk van onze vriend Matthias Storme reeds gedetecteerd en naar mijn collega publiek recht Edoardo Traversa (op sabbatical in Wenen) doorgestuurd had.
Ja, ik heb ambitie voor Brussel. We zullen van de Zenne geen Donau maken en onze heuveltjes niet plat trappen. En wat Breughel in de Brusselse Hoogstraat geschilderd heeft zullen we van het Kunsthistorisches Museum nooit terug krijgen. We zullen ook nooit het grootste deel van de Brusselse conurbatie binnen de grenzen van het Brussels Gewest krijgen, wat Wenen wel heeft kunnen verwezenlijken (met een bevolking 1.5 keer talrijker dan het BHG en een territorium 2.5 groter) en uiteraard veel van de verschillen die u vermeldt verklaart: Brussel zou bij voorbeeld helemaal geen nood hebben aan transfers vanwege wie buiten Brussel slaapt indien Brussel een flink stuk van Vlaams Brabant en Waals Brabant, de twee rijkste provincies van België, had kunnen inlijven. Dit is niet gebeurd en zal niet gebeuren, om begrijpelijke redenen die niets met goed bestuur te maken hebben.
Andere aspecten van de vergelijking (verbonden met de drie punten in mijn artikel in DM) kunnen ons wel verder inspireren, soms om de huidige situatie te bevestigen, soms om hervormingen te suggereren.
 
1.  Brussel is de hoofdstad van alle Belgen zoals Wenen de hoofdstad is van alle Oostenrijkers (NB: Namen is wel de hoofdstad van deelstaat Wallonië zoals bv Innsbruck voor Tirol; er was wel één ‘Land’ dat Wenen als hoofdstad had gekozen: Niederösterreich, dat Wenen helemaal omringt, maar zoals u weet is die anomalie een kwarteeuw geleden verdwenen en is Sankt Pölten nu de hoofdstad van Niederösterreich) en is tegelijkertijd evenals Wenen geen condominium van andere deelstaten maar een volwaardige deelstaat, met bijzondere rechten en plichten wegens zijn hoofdstedelijke functie (in het Brussels geval, van de Europese Unie en van de Belgische federatie).
 
2. Een politieke organisatie volgens het "Personalprinzip" (vs Territorialprinzip), met aparte regeringen, parlementen, onderwijs, sociaal beleid en belastingen voor de verschillende "Nationen", werd een eeuw geleden voor Wenen en de andere meertalige gebieden van Oostenrijk voorgesteld door de socialistische leiders en juristen Karl Renner en Otto Bauer (in prachtig geargumenteerde boeken respectievelijk in 1902 en 1907 gepubliceerd), maar werd er (gelukkig voor Wenen) nooit uitgevoerd. Wel in Cyprus en in Zuid Afrika.
 
3. Zoals Parijs eerder, Berlijn of Antwerpen later heeft Wenen (grotendeels) reeds in 1904 van opgeslorpte autonome dorpen Gemeindebezirke van de gemeente Wenen gemaakt. Brussel heeft ook zoiets in 1921 gepoogd (met de aanhechting van Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren), maar minder krachtig dan deze andere steden. Jammer. Indien toen de gemeente Brussel een territorium zo groot als Wenen had kunnen grijpen, zouden de N-VA en ik nu niet nog voor de fusie van de Brusselse gemeentes moeten pleiten.
 
Fulmineren tegen een partij of tegen een stad is geen vruchtbare bezigheid. Wat wel vruchtbaar kan zijn is met een open geest en zonder taboes over gelijkenissen en verschillen tussen steden en landen nadenken, over hun oorzaken en hun gevolgen, en op deze basis voorstellen maken die ernstig genomen kunnen worden als oprechte pogingen om het leven van alle betrokkenen te verbeteren. Deze denkoefeningen mogen gemotiveerd zijn door ongenoegen, zelfs woede over het huidig beleid en de huidige structuren. Maar ze maken een veel grotere kans op succes indien ze de juiste attitude vertonen tegenover de plaats en de bevolking waarvoor de voorstellen gemaakt worden. Brussel heeft zoals Wenen en zoals alle steden en dorpen in de wereld een vorm van liefde nodig, van empathie, van tederheid. Het was voor mij niet evident dat deze in uw tekst aanwezig was. 
 
Ze ontbrak ook in het beruchte artikel van Jean Quatremer ("Bruxelles pas belle, in Libération), met wie ik deze woensdag moet debatteren. Dit zal ik hem zeggen — en ook dat men België niet goed kan begrijpen en onpartijdig beoordelen indien men uitsluitend de Franstalige pers leest en hoort.
 

Het antwoord van Van Parijs nader bekeken


 

Het antwoord van Philippe Van Parijs bevat drie interessante overwegingen:
 

(1)  Hij betreurt dat Brussel nooit de kans gekregen heeft om ruimtelijk te groeien zoals Wenen dat wel kon. Dat gebrek aan ruimte verklaart volgens hem ook de verschillen tussen beide steden.

(2)  Hij vindt dat de politieke organisatie moet berusten op het territorialiteitsbeginsel en niet op het persoonsbeginsel.

(3)  Zoals elke stad heeft Brussel nood aan empathie in plaats van afwijzing.

 
In zijn reactie ontbrak echter een verklaring (of rechtvaardiging) voor de aangehaalde taalgebonden argumenten. Onder meer mijn bedenking dat Brussel, of beter gezegd ‘Bruxelles’ een probleem heeft met Nederlandstaligen, blijft onbeantwoord. Deze problemen zijn ook niet te rechtvaardigen door de beperkte ruimte die hij als voornaamste oorzaak ziet voor de verschillen tussen Wenen en Brussel.
 
 
(1)            ‘Brussel heeft nood aan meer ruimte’

 
Over de geografische verschillen met Wenen schrijft hij dat het jammer is dat Brussel niet dezelfde mogelijkheden gekregen heeft als Wenen. Dat is volgens hem ook de reden waarom Brussel niet kan zonder financiële steun.  
 
Hoewel Brussel in de ogen van de Franstaligen nooit de kans heeft gekregen heeft om geografisch uit te groeien tot een echte metropool, heeft het wel de kans gekregen om het land te domineren en dus ook de kans om zich op te werpen als de hoofdstad van iedereen.
 
Het Franstalige establishment blokkeerde echter en zag enkel heil in gebiedsuitbreiding. Jammer dat de hoofdzakelijk Franstalige (financiële)  elite deze kans miste en liever het geïndustrialiseerde Wallonië leegzoog dan te investeren in een succesvolle reconversie. Toen daar geen geld meer te rapen viel keerde Brussel zich af van Wallonië en ‘ontfermde’ het zich over de opkomende economische troeven van Vlaanderen, nu het Vlaamse gewest én van de Brusselse Vlamingen. 
 
Als Brussel grote delen van het ommeland had kunnen ‘inlijven’ (zijn woordkeuze), dan was er een heel andere situatie ontstaan dan nu het geval is. Met deze uitspraak erkent Van Parijs echter dat het huidige Brussel te klein is voor zijn ambitie als volwaardige deelstaat.
 
Tenzij hij stiekem blijft dromen van een bijkomende territoriale uitbreiding. Ook al beseft  hij dat zoiets een wensdroom zal blijven. Rest alleen nog de kronkelweg van het Belgisch compromis om de omliggende gebieden op een omfloerste manier aan Brussel te binden. In deze Franstalige optiek zet de huidige staatshervorming met de oprichting van een Metropolitane Gemeenschap een belangrijke stap in de door hen gewenste richting. Het is dus slechts een kwestie van tijd vooraleer het duur betaalde communautaire compromis opnieuw onder druk zal komen te staan. Niet door sommige Vlaamse partijen, maar door de expansiedrang van francofoon Brussel.
 
Overigens, in diezelfde logica past eveneens het Waals-Brussels initiatief om een federatie Wallo-Brux in het leven te roepen, wat ongrondwettelijk is. Dit initiatief lijft de facto de Brusselse Vlamingen in de Franstalige Gemeenschap. Het is ook een methode  om Wallonië – zoals in het verleden – te gebruiken voor het waarmaken van een in wezen nationalistische Brusselse ambitie. 

 
(2)            Een territoriale politieke organisatie

 
Een tweede bemerking die Van Parijs maakt gaat over een politieke organisatie volgens het persoonsgebonden principe versus het territoriaal principe.
 
Dit argument verdient bijzondere aandacht want deze principes botsen reeds sinds de opdeling van België in ééntalige gewesten en een tweetalige hoofdstad. In Vlaanderen verdedigen de Franstaligen het persoonsgebonden principe voor de Franstalige inwoners, terwijl men in Brussel de toepassing van dit principe ten gunste van de Vlamingen weigert. Hoezeer de Vlaamse federale regeringspartijen en Groen dat ontkennen, de zesde staatshervorming is een betekenisvolle toegeving  aan deze Franstalige visie.
 
Hier dient aan toegevoegd dat de territorialiteit de regel is voor beide ééntalige gewesten, Wallonië en Vlaanderen. In het  tweetalig hoofdstedelijk gebied werden precies omwille van de taalverscheidenheid persoonsgebonden bevoegdheden gegeven aan de daar aanwezige gemeenschappen. Bewijzen daarvan zijn het onderwijs en de  rechtbanken met zelfs op het hoogste niveau ééntalige Kamers (Grondwettelijk hof). Ook het middenveld (o.a. de mutualiteiten) zijn met hun afzonderlijke taalgebonden organisaties en eigen normen actief in Brussel. Dan is er nog de ‘de facto’ opdeling wegens gebrek aan tweetalig personeel, dat zich vooral situeert in de gezondheidssector (hospitaalpersoneel) maar ook in sommige administraties.
 
Een à la carte toepassing van het territorialiteitsprincipe (wel in Brussel niet in Vlaanderen)  is intellectueel en ook politiek moeilijk verdedigbaar. Daarom zou het goed zijn mochten de Franstalige Brusselaars eens duidelijk maken aan welk principe ze de voorkeur geven. Immers, zonder duidelijke stellingname kan men twijfelen of het werkelijk de bedoeling is om voor álle Brusselaars de beste keuze te maken.
 
Het zou ook interessant zijn om te weten of de keuze voor het territorialiteitsprincipe ook de afschaffing van de faciliteiten inhoudt? Of, wat in het licht van zijn ambitie voor Brussel wellicht meer aannemelijk is, men eerst de faciliteitengemeenten wil toevoegen aan Brussel en pas nadien dit principe wil toepassen?

 
(3)            Brussel heeft nood aan liefde

 
Een derde interessante overweging in zijn antwoord gaat over de nood aan liefde, empathie, tederheid voor Brussel.
Hoewel deze overweging een beetje melodramatisch klinkt vind ik ze bijzonder belangrijk omdat precies het gebrek eraan een mogelijke verklaring is voor wat er mis gelopen is in het verleden en waarom Van Parijs’ ambitie – hoe intellectueel verdedigbaar ook - vandaag nog altijd geen schijn van kans maakt. Dan hebben we het over die andere cultuur en taal. Het argument waarop hij geen antwoord gaf.
Ik neem aan dat niemand twijfelt aan het historisch Vlaams (Brabants) karakter van Brussel. Mocht dat wel zo zijn dan volstaat het om het boek van historicus Paul De Ridder te lezen. ‘Brussel. Geschiedenis van een Brabantse stad’  Mens & Cultuur Uitgevers, 1988
Voor de verfransing van Brussel zijn de Franstalige Brusselaars verantwoordelijk. Men moet al van slechte wil zijn om niet in te zien dat deze opgedrongen situatie niet bevorderlijk was en nog steeds niet is voor het oproepen van tedere gevoelens bij de Vlamingen. Stel echter dat Brussel geëvolueerd was van een Vlaamse stad naar een moderne internationale hoofdstad zonder zijn Vlaamse ‘roots’ op te geven. Een hoofdstad waar de zeer talrijke ingeweken Vlamingen – die onder zware sociale en administratieve druk Frans leerden en spraken – voldoende politieke macht zouden gekregen hebben om daadwerkelijk mee het beleid te sturen en om niet gediscrimineerd te worden. Zou Brussel dan niet veel meer kans gemaakt hebben op de sympathie vanuit Vlaanderen? Waarschijnlijk wel. Maar dat deed ‘Bruxelles’ niet.
 
Als er één constante is in het denken van de Franstalige Brusselse politieke klasse, dan is het de afwijzing van elke verbondenheid met het Vlaamse ommeland. Dat is hét drama van Brussel: het heeft een historische kans gemist om Vlaanderen voor zich te winnen. Daarom vrees ik dat Van Parijs zijn oproep om van Brussel te houden in dovemansoren zal vallen.
 
De kans is veel groter dat een afwijzing zonder een grondig debat over het N-VA voorstel voor Brussel de tegenstellingen enkel zal doen toenemen. Met als gevolg dat het volgend Vlaams voorstel wel eens veel minder positief zou kunnen zijn voor Brussel.
 
Mag ik herinneren aan het demoniseren van toenmalig verkiezingskampioen Yves Leterme in 2007 door de Franstaligen, wat ertoe leidde dat ze in 2010 Bart De Wever in de plaats kregen.

 
Dit artikel verschijnt eveneens in De Bron

PJOTR