23 februari 2016

De Standaard en andersdenkenden


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN

In een opmerkelijk essay zet Tom Naegels, ombudsman van De Standaard, zich af tegen de kritiek op zijn krant. Met deze vlucht vooruit schermt hij de redactie af van haar grootste probleem: omgaan met andere opinies.
Inleiding
Vooraleer in te gaan op zijn discours toch even benadrukken dat mijn kritiek op De Standaard geen kritiek is op de functie van ombudsman wiens taak het alleen maar is om kritiek te kanaliseren en eventueel toe te geven dat er fouten zijn gemaakt. In zijn essay kiest hij echter voluit de kant van de redactie en staan al die ‘criticasters’ waarmee hij elke dag te maken heeft aan de foute kant. Opvallend was dat zijn repliek ingaat op verschillende kritieken die ik in vorige bijdragen over DS vermeldde of die beschreven werden in mijn boek ‘dS Anders Gelezen’ (enkel nog in e-versie beschikbaar). Dat was voor mij een aansporing om een tegenwoord te publiceren en daarbij enkele redeneringen te doorprikken.
 
Laten we bij wijze van inleiding even stilstaan bij een essentiële uitspraak in zijn essay, namelijk, “Het is niet eenvoudig om als redactie goed om te gaan met zo’n meervoudig gespiegeld verwijt. Een voor de hand liggende reactie is dat er toch een reden moet zijn waarom de mainstream media zo’n dominante positie hebben. Aangezien niemand verplícht wordt om de grote kranten te kopen, moet er een zwijgende meerderheid bestaan die wél tevreden is?”
Dat de mainstream pers een dominante positie heeft klopt. Maar dat ze deze zelf ‘verdienen’ is een andere zaak. Immers, zonder de staatssubsidies zouden kranten en bladen met een groot abonneebestand meteen kopje onder gaan (dixit een insider). En ja, subsidies moet je ook ‘verdienen’ en het volstaat niet om, zoals Naegels doet in zijn epistel, dit te klasseren als ‘het recht op een eigen keuze van de redactie’. Een dooddoener van jewelste.
Hierna beperken we ons tot de manier waarop De Standaard omging met drie belangrijke maatschappelijke thema’s: de multiculturele samenlevingsproblemen, Vlaamse zelfbeschikking en de opwarming van de aarde.
De kritiek op DS snijdt wel degelijk hout
Tom Naegels kwijt zich goed van zijn taak, maar in zijn goedpraten van de redactie gebruikt hij soms kromredeneringen en trucjes die door een aandachtige lezer – een minderheid onder de lezers van DS? - gemakkelijk kunnen doorprikt worden. Laat mij dat illustreren met één voorbeeld uit zijn lang essay:
“Met name lezers uit conservatieve, rechtse en/of Vlaams-nationalistische middens voeren aan dat de pers aan zijn opdracht verzaakt om een objectieve, neutrale bron van informatie te zijn waar iedereen, ongeacht zijn overtuiging, de kennis kan opdoen die hij nodig heeft om zijn mening te vormen. Zij vertellen mij vaak dat ze daardoor geen geloof meer hechten aan het nieuws en meer vertrouwen hebben in wat hun vrienden – met wie ze dezelfde overtuiging delen – met hen delen op sociale media.
Het is een uitdagende vraag, omdat die conservatieve, rechtse Vlaams-nationalisten niet de enige groep zijn die met dat verwijt naar de media stapt. Ook moslims voelen zich geregeld vervreemd van het nieuws. Joden ook. Uiterst linkse lezers. Katholieke. Mensen in armoede. Vakbondslui. Ouderen. Mensen met een beperking. Allemaal ervaren ze op tijd en stond een onoverbrugbare kloof tussen het perspectief waarmee zij naar zichzelf en de wereld kijken, en het perspectief van de mainstream media. Daardoor voelen ze zich uitgesloten en gemarginaliseerd, wat vaak grote woede oproept.”
Welke redeneerfouten maakt Naegels? In de eerste paragraaf gaat hij ervan uit dat de ‘criticasters’ meer vertrouwen hebben in de informatie van vrienden, met wie ze dezelfde overtuiging delen. Kortom, hij voert hier een intentieproces, namelijk dat die critici zelf niet open staan voor andere meningen, en enkel gelijkgestemden willen lezen. Niet DS maar die ‘bekrompen …’ zoals deze critici op de opiniebladzijden van DS wel eens worden omschreven, hebben last met andere meningen. Zonder enig bewijs hiervoor maakt hij precies de fout die weldenkende lezers verwijten aan de redactie van DS, namelijk dat ze denken in de plaats van hun lezers.
In de tweede paragraaf gebruikt hij een andere doorzichtige methode om een probleem te relativeren: de vis verdrinken in een groter geheel. Maar eerst maakt hij de stoute vis wat kleiner: waar het eerst ging over de rechtse en/of Vlaams-nationalistische gemeenschap zijn het nu enkel nog de rechtse Vlaams-nationalisten, zeg maar N-VA’ers, want linkse Vlaams-nationalisten bestaan blijkbaar niet, en evenmin (Belgicistische) ‘rechtsen’.
Die klagende conservatieve nationalisten zullen zich volgens Naegels gelukkig niet zo eenzaam voelen als Robinson Crusoe. En dan volgt heel de reutemeteut aan verongelijkte vissen in die bokaal: Moslims, Joden, uiterst linkse lezers (hij vergeet uiterst rechtse), katholieken, armoezaaiers, vakbondslui, ouderen, mensen met een beperking (!). Tja, wie daar dan niet meer bij is, behalve ‘linksen’ zoals hijzelf, ligt niet vooraan op mijn tong. Maar met deze kromredenering doet hij wel iets heel vreemds: hij onderscheidt twee soorten critici: diegene waar hij zich tot richt (eerste paragraaf) en waarvoor hij zijn epistel schrijft, vooral dus Vlaams-nationalisten en een tweede soort, die andere ongelukkigen die hij erbij sleurt om aan te tonen dat in DS ook wel eens dingen staan die anderen niet graag lezen. Waarmee hij bewijst dat DS wel degelijk problemen heeft met andersdenkenden.
 
Ersatz voor de dorpspastoor en de schoolmeester
In de gedachtenwereld van heel veel journalisten die de redacties van de mainstream media, kranten, bladen en de VRT bevolken, is het volkomen normaal dat zij de rol van de dorpspastoor en de onderwijzer hebben overgenomen. Vanuit de overtuiging dat zij de opdracht hebben om ‘het volk’ op te voeden en hen voor te houden wat goed of fout is. Het is in deze context dan ook volkomen begrijpelijk dat zij deze verheven taak niet zien als een aartsconservatieve betutteling (de verzuiling waar ze zelf tegen gestreden hebben) en zelfs normaal vinden dat ze (1) eenzijdige informatie verspreiden ter ondersteuning van hun overtuiging en (2) mogelijke tegenstrijdige argument weren.
 
Hiervan zijn tal van voorbeelden te geven die ook opgenomen zijn in mijn boek. Laat mij er één belangrijk thema uit halen dat vandaag meer dan ooit actueel is: de multiculturele samenlevingsproblemen. Onderzoek voor mijn boek toont ondubbelzinnig aan dat DS elke verwijzing naar de problemen (vooral opgeworpen door het Vlaams Blok) negeerde of toch minimaliseerde. Tot op het moment dat zelfs een gelijkgezinde het niet meer kon uithouden: Luckas Vander Taelen, senator voor Groen!, die als eerste in 2009 (!) op de opiniebladzijden van DS op 30 sep 2009 fors mocht uithalen naar de allochtone jongeren die zijn leefwereld om zeep hielpen: ‘De getto’s van Brussel’. Er kwam uiteraard een reactie van Paul Goossens, een eveneens geliefde ‘Linkse’ columnist van DS, die zijn scherpe pen met graagte in de azijn doopt. Lees even mee: “Ongetwijfeld werden de klaagzangen over de Brusselse getto's te lang onder het tapijt geveegd. Dat had echter weinig met politiek correct denken te maken, maar alles met steriele Brusselse gemeentepolitiek en communautaire kortzichtigheid (sic). Omdat het de politieke baronieën aan daadkracht ontbrak, verziekte de boel. Niet de migrant of de islam heeft hier schuld aan, wel het eigen, autochtoon beleid. En toch is relativering van de jeremiades op zijn plaats. Ten tijde van Pieter Daens ergerde het schoon volk in Brussel en Aalst zich eveneens blauw aan de slechte straat- en andere manieren van de werkmens. Het ontbrak het plebs, zo oordeelden de elites, aan waarden, respect en beschaving. Honderd jaar later sieren die vooroordelen het 'Groot Museum van de elitaire angsten en bekrompenheid'.”  Een staaltje van hoe de media proberen de anti-islam gevoelens te verkopen kan u lezen in ‘Het Grote Anti-islam Vooroordeel’.
 
In de ‘Wetenschappelijke tijdingen 2015/4’ van ADVN (Archief, Documentatie en Onderzoekscentrum voor het Vlaams-nationalisme), analyseert Kevin Absillis, docent moderne Nederlandse letterkunde en algemene literatuurweten­schap verbonden aan de Universiteit Antwerpen, het doctoraatswerk van Ico Mally (2012). Daarin verwijst hij onder meer naar een boek van Jan Blommaert en Jef Verschueren ‘Het Belgisch migrantendebat’. Daaruit citeert hij passages die duidelijk maken hoe zij Vlamingen zien in hun omgang met migranten (p. 174): “De migranten zijn onze indianen, (…) ‘heidenen’ (van het heerszuchtige en fanatieke islamitische type) en ‘wilden’ (barbaren die handen afhakken, hun vrouwen opsluiten, en polygamie toestaan). In tegenstelling tot de indianen van weleer symboliseren zij niet alleen de binnen-Europese vijand. Zij zijn die vijand. (…) En ze lijken een gevaar te vormen voor onze maatschappij die aan tolerantie ten onder dreigt te gaan indien we hun abnormaliteiten blijven dulden.”  Onderaan dezelfde bladzijde verwijst Absillis naar het oordeel van Naegels (in 2006) over dit boek: “het Belgisch migrantendebat heb ik nog steeds als het standaardwerk over antiracisme. Het is nochtans al meer dan tien jaar geleden geschreven”. Dat Tom Naegels dit boek als standaardwerk blijft zien, maakt duidelijk dat in zijn overtuiging de Vlamingen wel een heel karikaturaal beeld hebben van de migranten. Ook hier dus de thesis dat niet de migranten maar de autochtonen oorzaak zijn van de multiculturele problemen.
Kan het de redactie van DS en de verantwoordelijke van de opiniebladzijden verbazen dat dergelijke retoriek, waarvoor DS graag klankversterker speelt, in 2016, na tal van aanslagen, moordpartijen, verkrachtingen, aantoont dat de permissiviteit van de verdedigers van de multiculturele samenleving de situatie alleen maar verder deed ontsporen. Dat deze dramatische ontwikkeling zelfs niet leidde tot voortschrijdend inzicht maar integendeel de afwijzing van de eigen normen en waarden bij deze zelfverklaarde normdragers nog aanscherpte. Wie zich geroepen voelde en voelt om dergelijk laks gedoogbeleid te ondersteunen tekent daar ook verantwoordelijk voor.
 
De schoolmeester weet het beter
De eenzijdigheid in de berichtgeving beperkt zich niet tot de multiculturele problemen. Ook Vlaamse zelfstandigheid kan niet rekenen op een positieve benadering. Al was het maar om op een afstandelijke manier de voor- en nadelen te onderzoeken van onafhankelijkheid of confederalisme. Om indien nodig het debat aan te gaan door beide visies gelijkwaardige toegang tot de opiniebladzijden te geven. Naegels beweert dat die ongelijkheid moeilijk te bewijzen valt, hoewel het volstaat om mijn argumenten en voorbeelden te lezen die opgenomen zijn in het hiervoor vermeld boek over DS. Wie dit onderzoekt zal vaststellen dat het niet altijd gaat om het ontbreken van een Vlaamsgezinde reactie, maar om meer van het ene dan het andere, om wie het laatste woord heeft of om het ogenblik van de publicatie. Een veelzeggend voorbeeld hiervan was de krant van 24 maart 2007. In volle verkiezingstijd besteedt DS de eerste zes  bladzijden van zijn zaterdagse editie met als titel op de voorpagina DE NOORD-ZUID CONFRONTATIE. In de tricolore vlag zijn twee koppen verwerkt: een zwarte chagrijnig kijkende kop versus een lachende ‘rode kop’. Uieraard puur toeval. Zes bladzijen anti-Vlaamse campagne vlak voor de verkiezingen, met als énige politicus aan het woord: Guy Verhofstadt, op dat moment de ’Redder van la Belgique unie’.
 
De opgevoerde opiniemakers (soms tegelijk journalisten, wat in feite een contradictie zou moeten zijn) zoals Marc Reynebeau, krijgen volop ruimte om hun aversie voor het flamingantisme te demonstreren. Zoals ook Dave Sinardet, een andere opiniemaker die zijn wetenschappelijke titel gebruikt om zijn politieke pamfletten als lid van de PAVIA lobbygroep een zweem van wetenschappelijke waarde te geven, die geen enkel goed woord over heeft voor een volkomen democratische beweging. Het is geen toeval dat de combinatie van wat progressief heet te zijn en anti-nationalist samenvallen in de publicaties over etniciteit en nationalisme. Maar het is wel bevreemdend dat die wereldse elite die zich verstikt voelde in de door pastoors en schoolmeesters gedomineerde Vlaamse gemeenschap, denigrerend de kneuterige Vlaamse boerkes genaamd, vandaag net dezelfde dominantie nastreeft en hun medium gebruiken als luidspreker voor hun overtuiging.
 
Maar er is meer fout met die verguizing van het Vlaams-nationalisme: De doctoraatsthesis van Ico Maly, “Bedenkingen bij NVA. Analyse van een ideologie”, waarop hij promoveerde in 2012 aan de ‘Tilburg University’ - waar toevallig Jan Blommaert de promotor én jurylid was van Maly’s werkstuk - wordt zelfs door progressieve academici niet als echt wetenschappelijk beschouwd. Eén had het zelfs over een politiek pamflet. Dat belet niet dat Maly sindsdien regelmatig publicatieruimte krijgt in Knack waar hij ongeremd zijn aversie voor N-VA en de flaminganten kwijt kan.
 
De opwarming van de aarde
Over een derde groot maatschappelijk probleem, de opwarming van de aarde, wordt al evenzeer op een eenzijdige manier geïnformeerd. Het klimaat is volgens wetenschappers een complex chaotisch systeem, waar wij veel te weinig van af weten om ook maar een wetenschappelijk antwoord te kunnen op geven op de vragen omtrent de oorzaken van de huidige opwarming van de aarde. Meer bepaald de mate waarin menselijke activiteit op die opwarming een invloed heeft, of kan hebben, is kwantitatief volkomen onbekend. Deze stelling is echter voor de mainstream media een onwelkome waarheid. Voor DS en Co zijn enkel de klimaatalarmisten geloofwaardig. En dat is nu juist het probleem met de klimaatproblematiek: hier wordt een geloof opgevoerd als een ‘inconvenient truth’ waar we vooral geen vraagtekens mogen bij plaatsen. Bij De Standaard en andere media voert men - zonder de minste kritische bijklank - deze voorspelingen op als de waarheid en wordt de menselijke uitstoot van CO2 als énige zondebok opgevoerd. Dat de voorgestelde maatregelen om de CO2 te doen dalen en  enorm veel geld kosten – dagelijks één miljard dollar - ook maar enig effect zullen sorteren, is niet eens bewezen. ‘Weten’ werd in dit debat vervangen door ‘geloven’. Terwijl men na veel lezen en opzoeken enkel tot de conclusie komt dat we het niet weten. Ik zou daarom graag van de redactie van DS vernemen of zij het wel weten? Niet wat ze geloven, niet ‘omdat de publiciteitskaravaan zoveel geld opbrengt’, maar door eigen onderzoek. Ondertussen kan de geïnteresseerde lezer eens het verslag lezen van het klimaatdebat tussen alarmisten én sceptici. Een naslagwerk aangevuld met veel interessante invalshoeken. Gratis aangeboden, download het hier.  Notabene, geen enkele van de traditionele media had interesse voor dit debat.
 
Mag ik meteen erop wijzen dat een debat over energie een totaal ander debat is. Dat iedereen overtuigd is dat we zuinig moeten omspringen met onze energiebronnen. Daar hebben we geen klimaatalarmisten voor nodig. Voor Europa en België volstaan zeer belangrijke strategische argumenten.

Ten slotte,

heb ik voor Tom Naegels nog een netelige kwestie. Hij en de redactie voelen zich ten onrechte weggezet door de critici als een wereldvreemde politiek-correcte elite en dat is inderdaad vervelend. Maar wat zou Naegels voelen mocht hij omwille van zijn persoonlijke overtuiging zijn job verliezen? Hij kent maar al te goed de namen van Vlaamsgezinden die gebroodroofd werden. Niet één maar meerdere. Tot en met het wegzuiveren van Vlaamse medewerkers in de Brusselse gerechtshoven, waar DS zedig over zwijgt. Ooit al gehoord van mensen die gebroodroofd werden wegens hun Belgicistische of multiculturele overtuiging?
Beste Tom, wie kan niet om met wie?

Pierre ‘Pjotr’ Therie

Dwarsligger (onontbeerlijk om het rechte spoor te houden)

 

 

02 februari 2016

Het investeringsplan van Defensie


MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN

Op basis van de bekend geworden aankopen, vroegen we ons af of deze wel beantwoorden aan militaire behoeften dan wel aan politieke doelstellingen, en of deze keuzes wel zorgen voor de grootst mogelijk operationele capaciteitswinst.

Spreiding of concentratie der middelen

Er is een gulden regel, namelijk dat men de schaarse financiële middelen beter kan concentreren dan ze te versnipperen over meerdere behoeften/capaciteiten. In een vorige bijdrage over ‘De toekomst van de Krijgsmacht’ gingen we voor het bepalen van de ambities uit van drie mogelijke niveaus: (1) met het huidig budget defensie beperken tot humanitaire operaties, (2) met een budget van 1,5 % BBP kan defensie kiezen voor specialisatie. Tenslotte, (3) met een budget dat minstens 2% BBP bedraagt, kan men een autonome krijgsmacht uitbouwen.

Nu blijkt dat defensie in de toekomst zal mogen rekenen op ongeveer 1,3% BBP, inclusief investeringen, is het duidelijk dat dit te weinig is voor een autonome krijgsmacht en zelfs de specialisatie zal beperkt zijn. Dat is politiek gezien niet de gemakkelijkste situatie, want er moeten onderdelen van defensie afgebouwd of helemaal geschrapt worden.

Afgaande op de globale investeringsruimte van 9,2 miljard euro over 15 jaar, en een nogal gelijkmatige verdeling over de drie machten, Landmacht, Luchtmacht en Marine heeft men niet gekozen voor concentratie maar voor een spreiding over alle operationele componenten. Dat is wellicht de belangrijkste bemerking inzake het investeringsdossier. Immers, iedere specialist weet dat het onmogelijk is om binnen het voorziene budget volwaardige capaciteiten uit te bouwen te land, in de lucht en ter zee. Daarbij komt dan nog een investering van ongeveer 600 miljoen euro voor de deels nieuwe opdracht inzake cyber-beveiliging.

Hoewel geen voldoende alternatief voor de versnippering op het hoogste niveau, kan het helpen om ten minste binnen de drie operationele componenten een concentratie van de schaarse middelen na te streven. Daarom een analyse van de vooropgestelde investeringskeuzes per krijgsmachtdeel.
De juiste militaire keuze?

Grondstrijdkrachten

Voor de grondstrijdkrachten zijn er enkele aankopen waarbij bedenkingen kunnen gemaakt worden:
(1)  mobiele 155mm-precisie-artillerie met een radar om vijandelijke vuren te lokaliseren en
(2)  de mogelijkheid om ook een raketafweersysteem (PATRIOT) aan te kopen mits een verschuiving binnen het toegekende budget.
(3)  Mobiele brugslagmiddelen
Dat er geïnvesteerd wordt in communicatiesystemen te velde is zonder meer positief.

De aankoop van nieuwe houwitsers zal echter enige militaire specialist verbazen. Zelfs al worden ze veel nauwkeuriger dan de al lang afgedankte houwitser 155 mm, dan nog blijft het een wapensysteem dat inzake concept voorbijgestreefd is en enkel nog dienstig kan zijn in een klassieke langdurige grondoorlog. Een oorlog waarvoor we onvoldoende grondtroepen hebben en al helemaal geen operationele reserve. Het moderne alternatief dat zich ongetwijfeld zeer snel zal aanbieden zijn gewapende drones, die trouwens ook op het aankooplijstje staan, maar in eerste instantie dienen voor het opsporen van informatie. Deze aankoop lijkt mij daarom niet te beantwoorden aan de ‘juiste middelen’ en is wellicht bedoeld om de artillerie, met als basis Brasschaat, overeind te houden.  
De eventuele aankoop van een antiraketsysteem PATRIOT past wel in de opdracht voor de verdediging van het nationaal luchtruim en is door de mobiliteit van het systeem ook inzetbaar in andere operatiezones. Gewezen topdiplomaat Mark Geleyn pleit in een artikel op deredactie.be voor dergelijke capaciteit, waarbij hij specifieert dat het gaat om een statisch en dus zuiver defensief systeem voor de verdediging van het eigen grondgebied en de bevolking. Het is natuurlijk zeer de vraag of België gezien zijn geografische ligging in de ‘eerste vuurlijn’ ligt van een raketbedreiging. Het lijkt mij dus vooral nodig om een aanvullend systeem te hebben dat autonoom kan functioneren en tussenkomen wanneer de NAVO-eerstelijnsafweer doorbroken werd.

De keuze voor een weliswaar beproefd maar toch verouderd PATRIOT-systeem lijkt dus niet de ‘juiste keuze’ te zijn. Voor een aankoop die gepland is de toekomst (10 à 15 jaar) lijkt een betere keuze een moderner systeem, bij voorbeeld het Israëlische systeem, en geen tweedehandse PATRIOT waar eventueel de Nederlanders beter van zouden worden (tweedehandsaankoop van een van hun systemen).
De mobiele brugslagmiddelen waren ooit een belangrijk onderdeel van de gevechtsgenie. Belangrijk om gevechtstroepen die hetzij voor de aanval of een georganiseerde terugtocht over bressen (al of niet gevuld met water) moesten die niet te nemen waren zonder hulpmiddelen. Maar net zoals de houwitsers 155 mm zijn dit systemen die passen in een klassieke grondoorlog. En dus herhalen we hier ook dezelfde bemerking: Een oorlog waarvoor we onvoldoende grondtroepen hebben en al helemaal geen operationele reserve. De vraag is dus of de mobiliteitssteun inderdaad zo belangrijk is, en of de prioriteit niet beter zou gaan naar méér gevechtseenheden.
 
Verder zijn er nog vier (4) reeds aangekochte helikopters NH90 waarvan we ons moeten afvragen of dit aantal niet onder de kritische massa ligt en in elk geval nauwelijks bijkomende operationele capaciteit produceert.
De vermelding van een ‘Homeguard’ die moet helpen bij binnenlandse calamiteiten (rampen en bewaking) is nog weinig zeggend en zal wellicht pas veel later uitgewerkt worden. Als er nog centen over zijn.
De conclusie voor de grondstrijdkrachten lijkt dan ook dat er niet gekozen werd voor een concentratie van de schaarse middelen maar dat deze versnipperd werden over verschillende capaciteiten, behalve de belangrijkste: het aantal ‘boots on the ground’.

Luchtstrijdkrachten

Voor de luchtstrijdkrachten speelt de erfenis uit het verleden een belangrijke beperkende rol. Er is de openstaande factuur voor de zeer dure Airbus A400M die oorspronkelijk bedoeld was als vervanger voor de C130, hét werkpaard voor tactische luchttransport. Maar de A400M heeft helemaal niet dezelfde tactische capaciteiten, al kan hij wel meer vracht verder vervoeren. Het inzetten van dit type voor ‘air-to-air-refueling’ is zonder meer een zeer positieve aanwending die bijdraagt tot een hogere capaciteit van de gevechtsvliegtuigen, en waaraan in de NAVO een tekort is. 
In tegenstelling tot de landmacht worden de middelen voor de luchtmacht wel heel sterk geconcentreerd, ook door het opgeven van andere niet-operationele capaciteiten.
De grote onbekende blijft echter de keuze van de opvolger van de F-16. En opnieuw  speelt het verleden hierbij een niet onbelangrijke rol. Dat de F-16 ooit moeten vervangen worden is evident. Maar hoe dringend deze vervanging is kon niemand tot nog toe op basis van militair-technische argumenten aantonen.
Wanneer we kijken naar de voorgeschiedenis dan was de belangrijkste beslissing indertijd om niet mee te doen aan de ontwikkeling van een totaal nieuw vliegtuig, de JSF/F-35 van Lockheed Martin. Daardoor heeft België, in tegenstelling met de landen die wel mee deden waaronder Nederland, nog een keuzemogelijkheid. Maar reeds tijdens de vorige legislatuur met Pieter De Crem (CD&V) als defensieminister werden de eerste stappen gezet in de procedure voor de vervanging van de F-16 en het is een publiek geheim dat zowel de Luchtmachtstaf als de minister persoonlijk voorstander waren van de F-35A.
Wie de interne keuken van defensie een beetje kent weet dat dergelijke dure  aankoopdossiers ook intern heel kritisch worden bekeken. Het is dus heel belangrijk dat op het moment dat zo’n dossier ‘rijp’ is om op tafel te leggen, de luchtmacht baas is. We herinneren ons de discussie tussen De Crem en de toenmalige Chef van de defensiestaf (CHOD), Landmachtgeneraal Charles Henri Delcourt, die uiteindelijk leidde tot zijn ontslag begin 2012. Waarom het niet boterde zal wel meer dan één reden hebben, en ja, Delcourt was inderdaad niet de ‘soepelste’ onder de generaals. Maar integer was hij wel en hij zou nooit meegegaan zijn in een besluitvorming - waarvoor hij als CHOD mee verantwoordelijkheid draagt – die niet goed zou zijn voor de Krijgsmacht. Wat er ook van zij, De Crem benutte (ondanks het lange partijpolitieke gekibbel) deze gelegenheid om Luchtmachtgeneraal Gerard Van Caelenberge te benoemen tot nieuwe CHOD voor de duur van vier jaar, dus tot midden 2016. Is dat een reden waarom de vervanging van de F-16 nog dit jaar moet geregeld worden?

Bij de keuze van de kandidaten die gemaakt werd vooraleer Steven Vandeput, N-VA, minister werd, is er slechts één opmerkelijke ontbrekende: de nieuwste versie van de F-16. De uitleg hiervoor is dat de productie op zijn einde loopt en omdat andere NAVO-landen ook de F-16 vervangen. We komen hier verder op terug.
In de eerste documenten is er sprake van een ‘dual role’ capaciteit (zowel conventionele als nucleaire bewapening). Ondertussen weten we dat deze vereiste zowel de Rafale (Dassault) als de Jas 39 E/F Gripen (Saab) uitsluit. Anderzijds wil de Luchtmacht (BAF) eigenaar zijn van de IT-source code. Hoewel politiek niet aanvaardbaar is het volgens IT-specialisten maar best dat onze ‘specialisten’ daar met hun vingers van af blijven. In elk geval is de vrijgave van deze code een onverteerbare eis voor de Amerikaanse regering die juridisch als verkoper van de F35A optreedt. Rekening houdend met deze twee beperkingen blijft er momenteel géén enkele kandidaat over, wat nogal vervelend is. Maar we mogen aannemen dat de F18 Super Hornet van Boeing eventueel wel een dual role capaciteit zou kunnen bekomen.

Vergaten we de kandidatuur van de Eurofighter Typhoon van het Duits-Frans-Brits consortium? Neen, want hoewel deze kandidaat op papier uitstekende eigenschappen heeft, hoorden we geen enkele specialist pleiten voor dit toestel. De lage operationele beschikbaarheid van de Duitse Luchtmacht die de Eurofighter gebruikt, zal er niet vreemd aan zijn.

In de bijdrage over het politiek jaar 2016 verwijs ik voor de keuze van de opvolger van de F-16 naar een belangrijke bijkomende moeilijkheid: het risico dat deze regering een premature keuze maakt. Omdat we binnen de eerstkomende tien jaar - dus nog voor of net na de eerste levering – een supersnelle evolutie zullen meemaken voor alle op IT-gebaseerde wapensystemen. Zowel vliegtuigen als raketsystemen, radar en sensor fusion, stealth en anti-stealth technologie, … 
Goed om weten is alvast dat ook luchtmacht specialisten niet langer overtuigd zijn van een langdurige suprematie van dit ‘vijfde generatie’ vliegtuig. Wie hierover meer wil weten kan terecht op De Bron of lees even dit artikel en dit artikel van David Archibald.
Goed om weten is dat Lockheed Martin ondertussen een uitstekende nieuwe versie van de F-16 produceert, die duidelijk veel goedkoper is in aankoop en werking. Maar dat ze deze versie niet graag verkopen omdat het alle hens aan dek is om hun zeer duur paradepaardje, de F35, in voldoende aantallen te kunnen slijten.
Maar wat zal Lockheed doen wanneer generaal Christopher Bogdan, verantwoordelijke  voor het Joint Strike Fighter project, zoals aangekondigd, in december2016, moet rapporteren aan de Amerikaanse regering dat de vooropgestelde capaciteiten niet allemaal gehaald kunnen worden? Dat de systeemprijs wegens tegenvallende verkoopcijfers niet kan dalen waardoor het budget voor de USAF naar omhoog moet of de bestelling naar omlaag. Dat de onderhoudskosten niet meer samendrukbaar zijn waardoor het gebruik zoveel zal kosten dat ‘kleine’ luchtmachten zoals de Nederlandse en de Belgische (zelfs samen) zich daar letterlijk en figuurlijk blauw aan zullen betalen. Dat ze, volgens Nederlandse gewezen gevechtspiloten, wegens de te geringe periodieke beschikbaarheid (momenteel slechts één vlucht om de drie en een halve dag) niet eens in staat kunnen zijn om de piloten en het grondpersoneel voldoende ervaring te laten opdoen. Wie deze onzekerheden durft te negeren speelt hoog spel!
Zijn drones en onbemande vliegtuigen op termijn een alternatief? Wat we alvast weten is dat Boeing nu al naarstig werkt aan een onbemande versie van de F-16, de QF-16 die als sparringpartner voor bemande gevechtsvliegtuigen dient. De stap naar andere opdrachten is niet meer zo groot. Vergeten we vooral de UCAV gevechtsdrones, niet. De Boeing X-45 (eerste vlucht 22 mei 2002) en Northrop-Grumman X-47 Pegasus zijn daar voorbeelden van.

Het grote drama van het JSF project is dat het door de grote vertraging in de ontwikkeling (als gevolg van te hoge eisen, vooral inzake ‘stealth’ en IT) niet enkel moet opboksen tegen de nieuwste versies gevechtsvliegtuigen van de Russen en de Chinezen, maar ook tegen de onvermijdelijke doorbraak van drones én onbemande vliegtuigen, en van technologie die de LO (low observability) compromitteert zoals IRST en L-Band radars op gevechtstoestellen. De kans is reëel dat binnen enkele jaren de ‘stealth’ capaciteit waardeloos zal zijn. Nog voor de F35 in operationele aantallen beschikbaar is.
Hoe raar het vandaag in de oren klinkt, binnen afzienbare tijd zal een vliegtuig besturen, even gemakkelijk zo niet gemakkelijker zijn vanop afstand dan met een piloot in de cockpit. Vandaag rijden er metro’s en treinen zonder bestuurder, morgen hoeft de autobestuurder enkel nog de automatische piloot aan te zetten; het is enkel wachten op de infrastructuuraanpassingen. Zo zal het ook in de militaire vliegtuigwereld evolueren.
De cruciale vraag in het dossier over de vervanging van de F-16 is dus hoeveel tijd we hebben om te beslissen over de opvolging. Maken pakweg vijf jaar later beslissen militair zoveel uit? De limiet van 8.000 vlieguren voor onze F-16, zoals defensie antwoordde op een parlementaire vraag (3april 2015) is na recente testen uitgevoerd door Lockheed Martin op US F-16, verlengd tot minimum 12.000 vlieguren. Na eigen onderzoek konden wij, voor wat betreft de materiaalmoeheid, geen relevante verschillen vaststellen tussen de geteste US F-16 types en de Belgische types, waardoor ook onze F-16 langer luchtwaardig zijn dan het antwoord op de parlementaire vraag als limiet stelt. We zijn dus zeer benieuwd of defensie onze argumenten kan tegenspreken.
Conclusie: rekening houdend met de schrapping van bepaalde activiteiten (witte vliegtuigen) worden voor de luchtmacht de middelen wel geconcentreerd aangewend. Enkel een niet-transparante premature besluitvorming zou zeer controversieel kunnen worden.
De Marine
Voor de Marine dient elke investering geëvalueerd te worden in het kader van de nauwe samenwerking met Nederland. Hoewel ook een zogenaamde BENE-vloot nog geen grote ambities kan hebben wegens het beperkte budget, kan hier voluit gekozen worden voor het fusioneren van alle middelen in één Marine. Dat de Nederlandse defensiechef uitgenodigd werd om in het federaal parlement zijn visie te geven over de samenwerking is dus zinvol. Maar het was wel verbazend dat hij gebruik maakte van deze gelegenheid om, zij het niet expliciet, te pleiten voor de F-35 en aan te dringen op de aankoop van fregatten. Dergelijke betutteling lijkt mij in het kader van een samenwerking ongepast en doet mij eerder denken aan marktkramers die hun eigen centjes aan het tellen zijn.
 Het gros van de investeringsmiddelen voor de Marine gaan naar de aankoop van twee fregatten en zes nieuwe mijnenbestrijdingsschepen (elk één miljard euro). Voor de inzet van de NH90 helikopters op de nieuwe fregatten is zeventig miljoen voorzien. Rest nog zowat dertig miljoen voor territoriale nevenactiviteiten.

Is de opsplitsing van het budget over twee capaciteiten een goede zaak? Geen mens die daar een duidelijk antwoord kan op geven. Maar er is wel één relevante vraag: hoe vooruitziend is de aankoop van fregatten?

Wij begrijpen best dat de Marine ook een ‘blue-water’ (de hoge zee) capaciteit wil hebben om te kunnen meedoen met de grote jongens. Maar zowel te land als in de lucht wordt het platform steeds minder belangrijk naarmate de stand-off bewapening die ze kunnen inzetten niet langer verplicht om te opereren in vijandelijk gebied.
Laat de Marine nu net hét onderdeel zijn met de grootst mogelijke ‘power projection’ capaciteit tegen een lage prijs. Een prijs die dank zij de evolutie van de wapensystemen (drones) zelfs een ‘kleine’ Marine kan betalen. Een goedkoop platform dat waar ook ter wereld kan opereren, met een ‘blue water’-capaciteit en beschikt over een raketinstallatie voor lange afstandsraketten en  een dek heeft dat groot genoeg is voor het lanceren en opvangen van drones (voor verkenning en met bewapening). Zelfs de luchtmacht is niet in staat om op een goedkopere manier zoveel vuurkracht wereldwijd te projecteren. Daarom mijn oproep: mogen we een beetje ambitieuzer zijn? Zou dergelijk schip de BENE-vloot niet veel autonomer én efficiënter maken? Is dat niet veel vooruitziender dan nog maar eens een fregat kopen?
Bij wijze van voorbeeld, stel u voor dat wij beschikten over dergelijk schip in de Middellandse zee tijdens de gevechten in Libië. Dat wij er verkenningsdrones hadden kunnen uitsturen die fungeerden als doelmarkeerders voor bewapende drones, die de gemerkte vijandelijke doelen uitschakelden. Gisteren in Libië, morgen indien nodig elders.
De juiste politieke keuze?

Een eerste antwoord is eenvoudig, politieke keuzes zijn niet te vatten in juist of fout. Waar we wel kunnen naar kijken is hoe de verschillende politieke partijen denken over defensie en of ze een politiek project hebben.
In Vlaanderen wordt een versterking van de defensiecapaciteiten meer gecontesteerd dan in Franstalig België. Dat heeft niet alleen te maken met de Vlaamse vredesbeweging maar vooral met de grotere aanwezigheid van de wapenindustrie in Brussel (hoofdzetels) en Wallonië. Tegenstanders zijn vooral sp.a en Groen. Sp.a houdt trouwens aan defensie een flinke kater over door de Agusta-affaire waarbij België met beschaamde kaken moest toezien hoe sp.a coryfee, Willy Claes, diende op te stappen als secretaris-generaal van de NAVO. Maar ook Open VLD lag tot nog toe dwars wanneer het erop aankwam meer centen uit te geven voor defensie. De partij heeft ook weinig voeling met dit departement gezien de laatste liberale defensieminister François – Xavier De Donnéa (MR) al dateert van 1985-1988. Daarvoor was er Alfred Vreven (VLD), 1981-1985, die wegens de obussenaffaire maar ternauwernood (door verjaring) ontsnapte aan een gerechtelijke vervolging.
CD&V, die veel defensieministers leverde was eigenlijk (maar duidelijk minder) in het zelfde bedje ziek als de PS: defensie was vooral een zaak van tewerkstelling. Met Leo Delcroix (CD&V) werd de legerdienst opgeschort (‘Wetstratees’ voor afgeschaft) en werd meteen ook elke operationele reserve overboord gegooid. Het ‘vredesdivident’ op het einde van de Koude Oorlog heeft niet alleen defensie intern grondig dooreengeschud, de directe band met de bevolking werd doorgeknipt en het (partij)politieke belang van en het budget voor defensie daalde navenant. Er was hooguit nog enige beroering wanneer een of ander schandaal aan het licht kwam. Wat bij defensie echter niet zo dikwijls het geval is.

Met N-VA, een nieuwe rechtse politieke partij die meer wil investeren in veiligheid en erin slaagde om een investeringsbudget van meer dan negen miljard los te peuteren, is er een nieuwe speler aan bod. Maar tegelijk heeft deze partij helemaal geen voeling met dit departement, tenzij lokaal of provinciaal, en kan ze binnen de Krijgsmacht niet op veel sympathie rekenen. Dat vergroot de afhankelijkheid van externe ‘raadgevers’ en bemoeilijkt uiteraard de juiste keuze.
Maar ze heeft wel een politieke visie op defensie en dat is ook een vernieuwing die kan tellen: Het Leger van de Lage Landen, zo staat het duidelijk op de webstek van de partij. Of Wallonië daar nog bij hoort is niet zo duidelijk maar het is wel een Leger waar Vlamingen en Nederlanders hun eigen taal kunnen spreken en de Franstaligen minder macht zullen hebben. Gedaan dus met de invloed van de PS en de politieke inmenging die tot absurde situaties leidde tijdens de periode dat PS-er André Flahaut defensieminister was.
Gezien de huidige defensieminister tot de N-VA behoort, is de visie van deze partij meer dan ooit belangrijk. Centraal staat de samenwerking met Nederland en precies dit element zou wel eens zeer belangrijk kunnen zijn voor de politieke investeringskeuzes. Daarom zullen we in een volgende bijdrage dieper in gaan op hun visie, een Leger van de Lage Landen.

Pierre 'Pjotr' Therie,  Kolonel stafbrevethouder o.r.,  Member NATO Defense College, Gewezen defensieattaché
dwarsligger (om op het rechte spoor te blijven)

19 januari 2016

VRT: Terroristen zijn luidruchtige minderheid


Hoeveel terroristen zijn er nodig vooraleer de VRT ze ernstig neemt? Volgens Bjorn Soenens, hoofd van Het Nieuws, is het slechts een heel kleine maar wel luidruchtige minderheid.
 Het is al een tijdje geleden dat Bjorn Soenens, hoofd van Het Nieuws op de VRT verkondigde dat de kijkers niet alle nieuws moeten krijgen en er ook duiding moet zijn bij het gebrachte nieuws. Wanneer er extremisten aan het werk zijn in Afrika, moet de VRT er ook bij vertellen hoe slecht hun levensomstandigheden wel zijn. Zo klonk het ongeveer. In een debat met Pol Van Den Driessche (N-VA) naar aanleiding van deze uitspraak, vond deze dat de VRT niet het recht had om nieuws te ontzeggen aan de kijkers, maar Soenens bleef onwrikbaar bij zijn standpunt, overtuigd als hij is van zijn groot gelijk.

Een kleine minderheid maar helaas wel luidruchtig
Een VRT kijker hoorde eind november op Het Nieuws dat een nieuwslezer het had over een kleine minderheid extremisten. Daarop vroeg hij aan de verantwoordelijke voor Het Nieuws, Bjorn Soenens, of dat niet al te vergoelijkend was? Immers er zijn nogal wat Jihadisten wereldwijd, Al Quaeda, IS, Boko Haram, Al Shabab, enz.”
Hierop reageerde Soenens (na aandringen; e-mails in ons bezit) met onder meer volgende uitspraak:
“Met zekerheid kan je stellen dat extremisten die tot geweld en terreur overgaan een uiterst kleine minderheid vormen, maar helaas wel een luidruchtige kleine minderheid.”
Dat de terroristen een zeer kleine minderheid zijn is zeer zeker waar. Trouwens, Soenens had net zo goed kunnen beweren dat de nazi’s een minderheid waren. En er zijn nog gelijkenissen: net zoals de nazi’s gedoogsteun kregen van veel gematigde Duitsers, krijgen ook de terroristen duidelijk steun vanuit de gematigde moslimgemeenschap.
Maar zijn verklaring dat ze een luidruchtige minderheid zijn, slaat alles. Zou Soenens wel beseffen hoe permissief zijn uitspraak is? Boem, boem, pang, pang, ja, ze maken nogal wat lawaai, helaas!
Zou Soenens wel beseffen dat deze kwalificatie van terroristen een slag in het gezicht is van die honderden, ja zelfs duizenden slachtoffers wereldwijd? Hoe wereldvreemd kan iemand zijn om zich te verschuilen achter naakte cijfers en welk een gebrek aan empathie bij een man die beweert dat hij het recht heeft om te bepalen wat wij mogen weten. En laat over dat laatste géén twijfel bestaan:
“Bij Het journaal zijn we niemands knecht of niemands vriend, tenzij die van de  onweerlegbaar vaststaande feiten. Dat is onze enige opdracht."
Hoog tijd dat de broodheren van de VRT zijn opdracht opnieuw preciseren.
Pierre ‘Pjotr’ Therie, dwarsligger

 

06 januari 2016

Maximaal profiteren van vluchtelingen


MEDIA EN POLITIEK ANDERS GELEZEN


 Knack nr. 51(16 december): De Nederlandse migratiehistoricus Leo Lucassen verklaart
We kunnen maar beter zo veel mogelijk profiteren van de vluchtelingen.

Hollandse rekbaarheid

Citaat uit zijn artikel: “Iedereen heeft het recht om naar Europa te komen, maar herinner u de angst voor de Poolse loodgieter?” Ongegrond, zo stelt hij want “Polen en Roemenen hebben binnen Europa vrijheid van migratie, maar ze hebben niet onmiddellijk toegang tot ons sociale stelsel.” En verder: “Waarom zouden we ook tegen mensen uit Afrika of het Midden Oosten niet kunnen zeggen, u mag best de veerpont naar Europa nemen, maar u bent hier in eerste instantie wel op uzelf aangewezen en als u geen werk vindt, moet u wel teruggaan?”
Kijk eens aan, een Nederlandse specialist inzake migratie die de conventie van Genève aan zijn laars lapt en van de vluchtelingen economische migranten maakt die enkel nog welkom zijn als ze de eigen (Nederlandse) economie dienen.
Maar zijn Hollandse rekbaarheid, of is het eerder politieke correctheid, zet hem ertoe aan om verder in het artikel het volgende te antwoorden op de vraag of de vluchtelingen wel recht hebben op hun statuut wanneer ze vanuit een ‘veilig land, Turkije’ verder doorreizen : “Dat is op zijn minst een heel selectieve lezing van het Vluchtelingenverdrag. Dat zegt niet alleen dat vluchtelingen veilig moeten zijn, het zegt ook dat we er voor moeten zorgen dat ze hun leven kunnen verder zetten met alle rechten van het land waar ze belanden”. En verder: “Mensen hebben recht om asiel te vragen in Europa. Je kunt dat recht niet outsourcen naar Turkije, Libië of Marokko.”
Wanneer Knack een migratiespecialist opduikelt die in één enkel interview dergelijke contradicties aan mekaar knoopt, dan zegt dat toch ook iets over het gebrek aan een kritische lezing door de journalist. Zou er één aandachtige lezer zijn die niet doorheeft dat het precies Turkije, Libië en Marokko, … zijn die hun problemen outsourcen? Landen die zelf een probleem zijn en, niet gehinderd door enige ethische drempels, wat graag hun verantwoordelijkheid afschuiven op die hoog-beschaafde Europeanen.

Eurabia is pure bangmakerij


Lucassen bestrijdt ook de idee dat de toevloed zou kunnen leiden tot een Arabisering (Eurabia) van Europa. Nonsens volgens hem, en dat staaft hij met de globale cijfers die inderdaad aantonen dat het aantal moslims in de ganse EU minimaal is (41 miljoen op 500 miljoen) en vermits het aantal kinderen afneemt naarmate ze hier langer verblijven, ziet hij ook voor de toekomst geen probleem. Pure bangmakerij.
Dat is in elk geval een ‘convenient’ antwoord dat veel lezers zal geruststellen. Hoewel totaal tegengesteld aan de ‘inconvenient thruth’ van de klimaatalarmisten, speelt hier eenzelfde mechanisme: er is een probleem, maar we kunnen het oplossen op voorwaarde dat we maar het juiste doen. Voor de alarmisten is dat massa’s geld stoppen in de bestrijding van de eigen fouten (CO2), in plaats van te investeren in klimaatweerbaarheid; bescherming. En de vluchtelingen verwelkomen is al even positief want zo kunnen we profiteren van deze goedkope arbeidskrachten om de concurrentie op de arbeidsmarkt te verhogen. Dat leidde in Duitsland al tot hongerlonen zoals die tot nu toe enkel in de VS bestonden. Dat ze dit overgieten met een sausje humanisme om ons te misleiden, is gewoon ergerlijk.
Wat Lucassen over het hoofd ziet, is dat die globale cijfers bedrieglijk zijn en voor sommige kleinere entiteiten totaal verkeerd. Zo zijn er cijfers die bewijzen dat de  allochtone moslimjongeren in bepaalde regio’s en steden van Europa in de meerderheid zijn. Zou Lucassen vergeten zijn dat een – in slaap gevallen bevolking – niet de geschiedenis bepaalt, maar wel een minderheid die soms nog veel kleiner is dan die ‘luttele’ miljoenen moslims? Of was de ‘Belgische’ opstand tegen de Hollanders in 1830 een zaak van de meerderheid?
Gelukkig zijn het in de huidige situatie niet de wapens die ons bedreigen – al wordt het dagelijks leven van honderden miljoenen Europeanen wel gehypothekeerd door losgeslagen enkelingen – maar wel de teloorgang van onze Westerse cultuur. Daarvoor volstaan kleine maar continue stapjes weg van onze gebruiken. En media? Die doen het in hun broek van de schrik wanneer de feiten niet overeenstemmen met hun geloof. Zoals tijdens oudjaarsavond in Keulen, toen een groep van duizend (volgens de politiecommissaris) Noord-Afrikaanse/Arabische jongeren tientallen vrouwen seksueel lastig vielen en bestolen. Ik val in herhaling wanneer ik nog maar eens pleit voor een moreel reveil. Zonder deze ommeslag naar meer weerbaarheid is de aankoop van dure gesofistikeerde wapensystemen weggegooid geld. In deze context vind ik de positieve beoordeling van Saoedi Arabië door Bart De Wever heel jammer. Saoedi Arabië moet immers nauwelijks onderdoen voor het beestachtige IS. 
Ondertussen doen de media er alles aan om ons een schuldgevoel op te dringen. In Knack online (4/12): 'Onze verantwoordelijkheid voor de radicalisering van jonge moslims is onwaarschijnlijk groot', dixit ‘de meest vooraanstaande expert in religie, Karen Armstrong.’
En als we dan toch niet de schuldigen zouden zijn voor het extremisme, dan zijn we nog altijd bange blanke mensen waarvoor Karin De Ruyter, chef buitenland van De Standaard (2/12) meent te moeten waarschuwen: Angst eet de ziel op.
En mochten we het vergeten zijn, gewezen EU-Raadsvoorzitter  Herman Van Rompuy (in hetzelfde nummer van Knack) herinnert er ons aan dat tijdens de Dertigjarige oorlog (1618 – 1648) in de Duitse regio Paderborn (waar hij uitgenodigd was voor een lezing) de katholieken en protestanten mekaar uitmoorden. “De IS heeft niet het monopolie op wreedheden.”

Verschillende werelden


Wat Lucassen en De Ruyter gemeen hebben, is de typisch politiek-correcte boodschap dat het allemaal zo erg niet is. Maar de relativerende uitspraak van Van Rompuy toont iets anders aan: namelijk dat wij met onze Westerse beschaving anno 2000 veel verder staan dan de landen die gedomineerd worden door een moslimcultuur.
Over de invloed van deze verscheidenheid ontwikkelde ik lang geleden een theorie over de oorzaak van gewapende conflicten. Namelijk dat vele conflicten, zo niet alle, te maken hebben met de verschillende beschavingsstadia waarin verscheidene volkeren en regio’s leven. Wij leven wel allemaal op dezelfde aardbol en op hetzelfde moment, maar onze beleving van de werkelijkheid is heel verschillend. Hierbij appelleer ik aan de mystieke individuele en groepsbeleving van de werkelijkheid. Daardoor begrijpen we niet waarom anderen onze ‘voorbeeldige’ levenswijze niet als voorbeeld nemen, gezien de welvaart die we bereikten en begrijpen we evenmin dat andere volkeren en culturen daar zelfs geen oren naar hebben. Van daar ook de quasi-onmogelijkheid om een multiculturele maatschappij op te bouwen. Van daar ook dat de duizenden jongeren die wij in West-Europa opgeleid hebben – onder meer aan onze universiteiten en de koninklijke militaire school - om later een Afrikaanse elite te vormen, niet geslaagd is. Het enige dat ze hier leerden was dat je je met geld heel veel kunt permitteren. Maar cultureel hebben we hen nauwelijks iets kunnen bijbrengen.
In een artikel van Fouad Laouri in De Morgen (Opinie p. 23 02/01/2016) waarover hier meer te lezen is, roept hij op om van de twee verhalen (Het Westerse verhaal dat gruwt van het jihadisme en het Oosterse verhaal dat gruwt van het onrecht begaan door het Westen) één verhaal te maken. Dat is precies wat ik bedoel met die verschillende beleving van de werkelijkheid. Alleen denkt hij dat het slechts gaat over een verhaal dat men kan veranderen, herschrijven, terwijl ik meen dat het om éénzelfde verhaal gaat maar over twee verschillende werelden. En dat het te hoog gegrepen is om te hopen op éénzelfde wereld die we samen in harmonie kunnen beleven. Het wordt dus een overname en wij, door decadentie verzwakte West-Europeanen, zijn alvast goed op weg om ‘overgenomen’ te worden.
Deze theorie over andere werelden sterken mij ook in de overtuiging dat alle volkeren recht hebben op hun (desnoods bloedige) geschiedenis, en dat we die niet in hun plaats kunnen uitvechten. De remedie was al te dikwijls erger dan de kwaal.

Profiteren is egoïstisch en kortzichtig


Maar er is meer dat mij opviel bij de kritische lezing van Lucassens artikel. Dat wij maximaal moeten profiteren van de vluchtelingen, nu ze toch hier zijn. De vraag blijft wat hij juist bedoeld met ‘zo veel mogelijk profiteren van hun menselijk kapitaal.’ Ja, dat kan dus, maar is dat wel het mantra, het gebed dat telkens moet herhaald worden tot iedereen ervan overtuigd is? Of is het een blijk van egoïsme en van een kortzichtigheid die contraproductief is op lange termijn?
Laten we even verder kijken in de toekomst. Wanneer er ergens een oorlog uitbreekt en alle ‘onschuldigen’ verlaten hun land met de bedoeling om er nooit meer terug te keren, waarom zou men dan nog inspanningen willen doen om deze oorlogsgebieden terug op te bouwen? Zal het Midden Oosten er beter aan toe zijn wanneer we het na het beëindigen van de oorlog aan zijn eigen lot overlaten? Om het kapot te schieten hebben ze ons niet nodig, maar onze hulp én deze van de vluchtelingen zal broodnodig zijn om van deze regio opnieuw een leefbare plek te maken.
Ja, de erkende vluchtelingen zullen hier wel een tijd moeten blijven. Ook WO I en II duurden vijf jaar, maar wat belet er ons om de vluchtelingen voor te bereiden op een terugkeer, om mee te werken aan de toekomst van hun land. Door hen geen permanente vergunning te geven maar enkel nog hernieuwbare vergunningen in functie van de evolutie in hun geboorteland. Eenmaal ze weten dat ze hier slechts tijdelijk zijn, zullen ze ook daadwerkelijk uitkijken naar een toekomst in eigen land. Zal hen dat beletten om ondertussen hier te werken, in plaats van in de sociale hangmat te blijven liggen? De goede krachten zullen dat niet doen, en voor de anderen moet er een financiële stok achter de deur voorzien zijn. Dat zijn politieke keuzes waarvoor ongetwijfeld een maatschappelijk draagvlak bestaat.
Uit welbegrepen solidariteit met de veel grotere groep mensen die daar achter gebleven zijn en hun land terug willen opbouwen.

Pjotr
Dwarsligger
omdat dwarsliggers zo onontbeerlijk zijn om het rechte spoor te houden!