Onder deze titel schreef Mia Doornaert op 24 april in DS een artikel dat handelt over de nefaste invloed van binnenlandse politieke twisten op onze buitenlandse politiek. Hiermee bedoelt ze dat “onze Belgische” kandidaten een belangrijke internationale topfunctie mislopen wegens de provincialistische houding van onze politici. Ze citeert onder meer De Gucht die Balkenende belachelijk maakte en laakt ook de houding van de socialisten die indertijd met de weigering om munitie te leveren aan Groot Brittannië de kansen van Dehaene om commissievoorzitter te worden kelderden. Gelijk heeft ze, maar zo wereldschokkend is het nu ook weer niet want de regel voor bijna alle landen behalve de écht chauvinistische (of ondemocratische).
Wanneer Mia Doornaert schrijft over internationale politiek, heeft ze doorgaans een uitgesproken en goed geargumenteerde mening. Jammer dat ze als verliefde Belgiciste België ten allen prijze wil verdedigen zonder te beseffen dat ‘Liefde blind maakt’, waardoor haar standpunten soms onrecht doen aan haar intellectuele capaciteiten.
Terug naar het bewuste artikel: de keuze van een Franstalige titel is schitteren. Hoewel deze titel – een uitspraak van Junckers (Lux)- in feite niets te maken heeft met de inhoud van het artikel. Waarop Junckers doelde was het verloren gegane Belgisch compromismodel. Maar ze drukt hiermee wel perfect haar innige verbondenheid met (adellijk) Franstalig België uit en mag zeker rekenen op de bijval vanuit het establishment. Alleen is haar verontwaardiging een beetje selectief. Even meedenken?
Het gebrek aan België is evident als het erop aankomt om ‘onze Belgische kandidaten’ te steunen in hun (persoonlijke) ambities om een internationale topfunctie te bekleden. Maar of dat een doorslaggevende bestaansreden is voor onze buitenlandse politiek en de diplomatie is fout of getuigt op zijn minst van een zeer enge visie op dit departement. Is het daarenboven niet eigenaardig dat ze zo chauvinistisch doet als het gaat over “Belgische kandidaten” maar een aversie heeft als anderen zouden durven spreken over “Vlaamse kandidaten”. Meer zelfs, haar selectiviteit lijkt degelijke informatie in de weg te staan, want hoe zou ze anders kunnen vergeten om het meest recente en flagrantste voorbeeld aan te halen: namelijk, dat franstalige politici ten aanzien van een Vlaamse kandidaat, in casu Luc Vandenbrande een brief stuurden naar buitenlandse ambassadeurs met het verzoek om hem NIET op te nemen op de shortlist van kandidaten voor de functie van secretaris-generaal van de Raad van Europa. Het stond parbleu in dezelfde editie op blz 18 (links onderaan weggemoffeld; maar circuleert reeds meer dan een week in de media). Hallo Mia leest u zelf ook De Standaard?
Met andere woorden, Mevrouw Doornaert verwijt de politici dat ze omwille van binnenlands politiek gekrakeel de buitenlandse politiek en Belgische invloed benadelen, zonder te beseffen dat zijzelf al even kortzichtig Belgicistisch is en er blijkbaar geen graten in vindt – of toch het vermelden niet waard - als Franstalige “landgenoten” proberen een zelfbewuste Vlaamse kandidaat te kelderen.
Cette Belgique nous manque?
Pjotr
24 april 2009
15 april 2009
Akelig radicaal
Hoewel mijn lezers weten dat ik zeer zuinig ben als het gaat over de problematiek van de religieuze en politieke radicalisering door de islam, wil ik in deze Paasperiode toch even ingaan op een artikel in de e-knack (09/04) over “Religieuze radicalisering is geen misdaad”. (voor e abonnees: in bijlage het artikel - auteur Jan Stevens).
Twee ‘experten’ worden aan het woord gelaten om de stelling van de Britse historicus Burleigh te bestrijden. Die poneert dat het Westen te tolerant is tegenover de radicale islam en het terrorisme. "Islamisten brengen een soort van collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij", schrijft hij. "In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, doden ze mensen”.
Rik Coolsaet, SP.A getrouwe en professor internationale politiek verwijt hem radicale islam en jihadterrorisme op één hoop te gooien. Je moet een onderscheid maken tussen religieus en politiek radicalisme is zijn standpunt. Religieuze radicalisering is misschien akelig voor de samenhang in een samenleving, maar is een gevolg van het zoeken naar identiteit." "Er is geen oorzakelijk verband tussen mensen die religieus radicaliseren en het terrorisme. Het is niet omdat je religieus radicaliseert dat je dat ook politiek zult doen"
Luc Verheyden, terrorisme-expert en adjunct-directeur van OCAD (Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse) verklaart dat “Radicalisering geen misdaad is”. "Zolang je als radicaal binnen onze tolerante wetgeving blijft, is er geen probleem." "Omdat wij vrijheid hoog in het vaandel voeren, is het niet wenselijk om tegen religieuze radicale meningen op te treden, zolang die niet uitmonden in daden die onze democratische rechtsstaat in gevaar brengen." "Als je als staatsbestel in de democratische rechten van mensen wilt ingrijpen, ben je zelf ondemocratisch bezig", aldus Verheyden.
Zelden wordt van een zichtbaar fenomeen - de religieuze én politieke radicalisering van de Islam – zo’n een verschillende analyse gemaakt. Wie heeft het bij het rechte eind? Wie is de verdraagzame en wie de onverdraagzame? Waar zijn we het wel over eens? Voldoende reden om bij dit artikel stil te staan. Eens ‘Anders’ pogen om een aanzet tot antwoord te geven op enkele belangrijke vragen:
1. Is een ‘radicale’ godsdienstbeleving een mogelijke broedplaats voor intolerantie en maatschappelijk geweld?
Ik denk dat de geschiedenis ons leert dat het antwoord op deze vraag JA is. Het is niet altijd zo gelopen, maar ontsporingen vanuit een radicaal religieuze beleving zijn een reële mogelijkheid. De islam draagt dit risico vooral in zich wegens de inherente verwevenheid van zowel godsdienstige als maatschappelijke regels en normen. Bovendien blijkt dat binnen de diversiteit van de islam een radicale individuele én collectieve beleving kan gedijen, meer zelfs, dat ze kan rekenen op een relatief groot maatschappelijk draagvlak. Dat bleek onder meer tijdens de massale publieke toejuichingen in de Arabische wereld toen bekend werd dat de Twin Towers door jihadstrijders waren vernield.
2. Is godsdienst onderdeel van een eigen identiteit?
Ongetwijfeld maakt de religieuze beleving (of het weren ervan) deel uit van zowel de individuele als collectieve eigenheid. Deze collectieve eigenheid, identiteit, kan bij voorbeeld verwijzen naar de gemeenschappelijke ‘christelijke wortels’ van onze West-Europese beschaving. Dat een bepaalde intellectuele elite het moeilijk heeft om dit te erkennen maar tegelijk begrip heeft voor een radicale beleving van de islam als onderdeel van de zoektocht naar identiteit, is meer dan een paradox. Het is wellicht ook een verklaring waarom de toenemende islamisering van West-Europa genegeerd wordt of enkel als ‘akelig’ (irritant, vervelend) wordt ervaren. In elk geval is het opvallend dat deze intellectuelen de eigen identiteit, of ten minste het religieuze aspect ervan, kritischer benaderen dan de religieuze identiteit van de islamgemeenschap waarvan sommige normen en regels nochtans haaks staan op onze maatschappelijke waarden en normen. Maar wat nog moeilijker te verklaren valt is dat men geen vragen stelt wanneer de islamgemeenschap steeds nadrukkelijker haar waarden en normen naar voor schuift als dé norm. Het tegengestelde van integratie en verdraagzaamheid.
3. Valt vrijheid en democratie niet te rijmen met (pro-actieve) maatregelen tegen excessen?
Het meest problematisch lijkt mij niet het ontbreken van een klaar en duidelijk antwoord van de West-Europese bevolking (of ten minste van haar elite), hoe belangrijk ook, maar de stilzwijgende steun van de gematigden islamgemeenschap aan de radicalisering binnen haar gemeenschap. Wanneer een ganse gemeenschap gestigmatiseerd wordt door een kleine minderheid extremisten (dat beweert men althans) zou men mogen verwachten dat deze gematigde meerderheid publiek de extremisten met de vinger wijst, meer zelfs, hen het recht ontzegt om zich op te werpen als de vertegenwoordigers van hun religieuze gemeenschap, hen indien nodig bekampt met alle democratische middelen. Helaas is dat niet of nauwelijks het geval waardoor er geen onderscheid is tussen fundamentalisten en gematigden. Zolang de islamgemeenschap – de éérste die tekortgedaan wordt door het fundamentalisme en dus recht van spreken heeft – verkiest om te zwijgen, te gedogen en bij sommige gelegenheden deze strekking te steunen, kan men niet verwachten van de West-Europese autochtone bevolking dat ze selectief is in haar (on)verdraagzaamheid.
Mag ik even de parallel trekken met de culturele situatie in België, waar Walen en Franstalige Brusselaars het vertikken om de beperkte groep Franskiljons in Vlaanderen aan te manen om Nederlands te leren, om zich te integreren. Welnu, net zoals de Franstaligen het een fundamenteel mensenrecht vinden om Frans te mogen spreken van Verviers tot in De Panne, vinden moslims het vanzelfsprekend dat ze alle wettelijke faciliteiten krijgen om hun religieuze normen en waarden toe te passen in België en gans West-Europa. Hiermee ondergraven ze een fundament van onze West-Europese beschaving: de seculiere Staat.
De voornaamste reden voor de migratie van allochtonen, ongeacht hun levensbeschouwing, is de aantrekkelijke materiële welstand en tolerantie ten aanzien van de levensbeschouwelijke diversiteit in Europa. Het armoedig – meestal ook gedicteerd - leven in het thuisland ruilen voor een beter leven in België heeft echter ook zijn grenzen: het moet betaalbaar en vooral ook eerlijk blijven. De verworven materiële en geestelijke welstand heeft Europa letterlijk en figuurlijk veel bloed en zweet gekost. Het is niet gratis. Daarenboven mag de geïmporteerde armoede geen argument/oorzaak worden van een ontregelende criminaliteit die het sociaal weefsel van de autochtone gemeenschap vernietigt. Het is zo dikwijls gevraagd, gesmeekt zelfs, maar blijkbaar slaagt niemand erin om ‘redelijke’ regels te voorzien waarmee zowel autochtonen als allochtonen kunnen (samen)leven. De verantwoordelijkheid is minstens gedeeld. Dat partij-politieke verantwoordelijken dit moeilijk proces misbruiken voor electoraal gewin is pervers en absoluut uit den boze. Net zoals de dictatuur van het politiek correcte denken, dat vooral de polemiek voedt en erger nog, stigmatiseert in plaats van te bouwen aan een maatschappelijk draagvlak voor hun opvattingen. Ze maken het de tegenstanders wel heel gemakkelijk.
Indien de moslimgemeenschap in gebreke blijft in haar expliciete veroordeling van het fundamentalisme en een deel van de autochtone elite de ongemakken van de integratie van een snel aangroeiende nieuwe gemeenschap afdoet als onverdraagzaam, kan op afzienbare termijn een situatie ontstaan waarbij de geïmporteerde religieuze en maatschappelijke regels en normen dé wettelijk beschermde regels worden van een nieuwe democratische meerderheid.
Op dat ogenblik zal de tegenstelling niet meer gaan tussen godsdienstvrijheid versus (socio-) religieuze verplichtingen, maar tussen onze Westerse waarden en vrijheid en de democratie. Dan pas zal elke keuze ‘akelig radicaal’ worden.
Pjotr
Twee ‘experten’ worden aan het woord gelaten om de stelling van de Britse historicus Burleigh te bestrijden. Die poneert dat het Westen te tolerant is tegenover de radicale islam en het terrorisme. "Islamisten brengen een soort van collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij", schrijft hij. "In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, doden ze mensen”.
Rik Coolsaet, SP.A getrouwe en professor internationale politiek verwijt hem radicale islam en jihadterrorisme op één hoop te gooien. Je moet een onderscheid maken tussen religieus en politiek radicalisme is zijn standpunt. Religieuze radicalisering is misschien akelig voor de samenhang in een samenleving, maar is een gevolg van het zoeken naar identiteit." "Er is geen oorzakelijk verband tussen mensen die religieus radicaliseren en het terrorisme. Het is niet omdat je religieus radicaliseert dat je dat ook politiek zult doen"
Luc Verheyden, terrorisme-expert en adjunct-directeur van OCAD (Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse) verklaart dat “Radicalisering geen misdaad is”. "Zolang je als radicaal binnen onze tolerante wetgeving blijft, is er geen probleem." "Omdat wij vrijheid hoog in het vaandel voeren, is het niet wenselijk om tegen religieuze radicale meningen op te treden, zolang die niet uitmonden in daden die onze democratische rechtsstaat in gevaar brengen." "Als je als staatsbestel in de democratische rechten van mensen wilt ingrijpen, ben je zelf ondemocratisch bezig", aldus Verheyden.
Zelden wordt van een zichtbaar fenomeen - de religieuze én politieke radicalisering van de Islam – zo’n een verschillende analyse gemaakt. Wie heeft het bij het rechte eind? Wie is de verdraagzame en wie de onverdraagzame? Waar zijn we het wel over eens? Voldoende reden om bij dit artikel stil te staan. Eens ‘Anders’ pogen om een aanzet tot antwoord te geven op enkele belangrijke vragen:
1. Is een ‘radicale’ godsdienstbeleving een mogelijke broedplaats voor intolerantie en maatschappelijk geweld?
Ik denk dat de geschiedenis ons leert dat het antwoord op deze vraag JA is. Het is niet altijd zo gelopen, maar ontsporingen vanuit een radicaal religieuze beleving zijn een reële mogelijkheid. De islam draagt dit risico vooral in zich wegens de inherente verwevenheid van zowel godsdienstige als maatschappelijke regels en normen. Bovendien blijkt dat binnen de diversiteit van de islam een radicale individuele én collectieve beleving kan gedijen, meer zelfs, dat ze kan rekenen op een relatief groot maatschappelijk draagvlak. Dat bleek onder meer tijdens de massale publieke toejuichingen in de Arabische wereld toen bekend werd dat de Twin Towers door jihadstrijders waren vernield.
2. Is godsdienst onderdeel van een eigen identiteit?
Ongetwijfeld maakt de religieuze beleving (of het weren ervan) deel uit van zowel de individuele als collectieve eigenheid. Deze collectieve eigenheid, identiteit, kan bij voorbeeld verwijzen naar de gemeenschappelijke ‘christelijke wortels’ van onze West-Europese beschaving. Dat een bepaalde intellectuele elite het moeilijk heeft om dit te erkennen maar tegelijk begrip heeft voor een radicale beleving van de islam als onderdeel van de zoektocht naar identiteit, is meer dan een paradox. Het is wellicht ook een verklaring waarom de toenemende islamisering van West-Europa genegeerd wordt of enkel als ‘akelig’ (irritant, vervelend) wordt ervaren. In elk geval is het opvallend dat deze intellectuelen de eigen identiteit, of ten minste het religieuze aspect ervan, kritischer benaderen dan de religieuze identiteit van de islamgemeenschap waarvan sommige normen en regels nochtans haaks staan op onze maatschappelijke waarden en normen. Maar wat nog moeilijker te verklaren valt is dat men geen vragen stelt wanneer de islamgemeenschap steeds nadrukkelijker haar waarden en normen naar voor schuift als dé norm. Het tegengestelde van integratie en verdraagzaamheid.
3. Valt vrijheid en democratie niet te rijmen met (pro-actieve) maatregelen tegen excessen?
Het meest problematisch lijkt mij niet het ontbreken van een klaar en duidelijk antwoord van de West-Europese bevolking (of ten minste van haar elite), hoe belangrijk ook, maar de stilzwijgende steun van de gematigden islamgemeenschap aan de radicalisering binnen haar gemeenschap. Wanneer een ganse gemeenschap gestigmatiseerd wordt door een kleine minderheid extremisten (dat beweert men althans) zou men mogen verwachten dat deze gematigde meerderheid publiek de extremisten met de vinger wijst, meer zelfs, hen het recht ontzegt om zich op te werpen als de vertegenwoordigers van hun religieuze gemeenschap, hen indien nodig bekampt met alle democratische middelen. Helaas is dat niet of nauwelijks het geval waardoor er geen onderscheid is tussen fundamentalisten en gematigden. Zolang de islamgemeenschap – de éérste die tekortgedaan wordt door het fundamentalisme en dus recht van spreken heeft – verkiest om te zwijgen, te gedogen en bij sommige gelegenheden deze strekking te steunen, kan men niet verwachten van de West-Europese autochtone bevolking dat ze selectief is in haar (on)verdraagzaamheid.
Mag ik even de parallel trekken met de culturele situatie in België, waar Walen en Franstalige Brusselaars het vertikken om de beperkte groep Franskiljons in Vlaanderen aan te manen om Nederlands te leren, om zich te integreren. Welnu, net zoals de Franstaligen het een fundamenteel mensenrecht vinden om Frans te mogen spreken van Verviers tot in De Panne, vinden moslims het vanzelfsprekend dat ze alle wettelijke faciliteiten krijgen om hun religieuze normen en waarden toe te passen in België en gans West-Europa. Hiermee ondergraven ze een fundament van onze West-Europese beschaving: de seculiere Staat.
De voornaamste reden voor de migratie van allochtonen, ongeacht hun levensbeschouwing, is de aantrekkelijke materiële welstand en tolerantie ten aanzien van de levensbeschouwelijke diversiteit in Europa. Het armoedig – meestal ook gedicteerd - leven in het thuisland ruilen voor een beter leven in België heeft echter ook zijn grenzen: het moet betaalbaar en vooral ook eerlijk blijven. De verworven materiële en geestelijke welstand heeft Europa letterlijk en figuurlijk veel bloed en zweet gekost. Het is niet gratis. Daarenboven mag de geïmporteerde armoede geen argument/oorzaak worden van een ontregelende criminaliteit die het sociaal weefsel van de autochtone gemeenschap vernietigt. Het is zo dikwijls gevraagd, gesmeekt zelfs, maar blijkbaar slaagt niemand erin om ‘redelijke’ regels te voorzien waarmee zowel autochtonen als allochtonen kunnen (samen)leven. De verantwoordelijkheid is minstens gedeeld. Dat partij-politieke verantwoordelijken dit moeilijk proces misbruiken voor electoraal gewin is pervers en absoluut uit den boze. Net zoals de dictatuur van het politiek correcte denken, dat vooral de polemiek voedt en erger nog, stigmatiseert in plaats van te bouwen aan een maatschappelijk draagvlak voor hun opvattingen. Ze maken het de tegenstanders wel heel gemakkelijk.
Indien de moslimgemeenschap in gebreke blijft in haar expliciete veroordeling van het fundamentalisme en een deel van de autochtone elite de ongemakken van de integratie van een snel aangroeiende nieuwe gemeenschap afdoet als onverdraagzaam, kan op afzienbare termijn een situatie ontstaan waarbij de geïmporteerde religieuze en maatschappelijke regels en normen dé wettelijk beschermde regels worden van een nieuwe democratische meerderheid.
Op dat ogenblik zal de tegenstelling niet meer gaan tussen godsdienstvrijheid versus (socio-) religieuze verplichtingen, maar tussen onze Westerse waarden en vrijheid en de democratie. Dan pas zal elke keuze ‘akelig radicaal’ worden.
Pjotr
10 april 2009
Louis van Leuven – VRT: 31,30 - 0
Wat Cools en Devadder (niet) presteerden in “de Keien van de Wetstraat” waarin ze Louis Tobback interviewden, (Canvas 3 april) is een nieuw dieptepunt in de annalen van de visuele media en de VRT in het bijzonder.
Ik herinner mij dat het programma “De Keien van de Wetstraat” aangekondigd werd als het programma waarin men zou peilen naar de mens achter een belangrijk politicus uit de Wetstraat. In het begin kregen we ook enkele serene gesprekken op hoog niveau met interesse voor de mens en zonder enige vooringenomenheid. Alle politieke tenoren zonder onderscheid van partijpolitieke achtergrond kwamen aan bod. Sommigen hadden de Wetstraat al lang achter zich gelaten maar goed ook Wilfried en Miet, zijn lieve derde vrouw, waren welkom. Dat menselijke was aanlokkelijk. Maar het laatste interview met Louis Tobback voldeed in geen enkel opzicht aan dit doel. De electorale partijpolitieke monoloog van Tobback, waartegen geen van beide opgewassen leken is niets minder dan misbruik van zendtijd van de openbare Vlaamse televisieomroep.
Er is een tendens waarneembaar bij de ‘ondervraagden’ om zich niet meer de mond te laten snoeren. Om desnoods na een volgende vraag van de journalist het antwoord op de vorige vraag af te maken. Dat is goed want antwoorden van maximaal 15 seconden zijn zelden relevant. Maar als Louis van Leuven gewoon zijn zeg mag doen en een karikatuur maakt van dergelijk interview, dan is dat een brug te ver. Het doet mij twijfelen aan de professionele capaciteiten (of was het een voorkeursbehandeling wegens politieke sympathie?) van beide journalisten.
Dat we niks te weten kwamen over de mens van Leuven is duidelijk, maar bij het herbeluisteren van de monoloog vond ik evenmin een degelijk geargumenteerd betoog, alleen electorale prietpraat van een gefrustreerd stuurman aan de wal.
Louis bespeelde het publiek door ze angst aan te jagen voor de dramatische situatie die zonder socialisten nog véél erger zou zijn. Hij ondersteunt dit door, ik citeer: “ een bijzondere dramatische situatie; de werklozen vallen bij bosjes” en verder “men zal snijden in de gezondheidszorg en kappen in de sociale zekerheid in het algemeen”. Zou het hem ontgaan zijn dat de problemen van vandaag voor een deel te wijten zijn aan 8 jaar Sinterklaas politiek van Paars? De notionele belastingaftrek, een georganiseerde plundering van de 'staatskas'?
Al even gratuit was het om, ik citeer “Die mens van Ieper, ik herinner mij die zo goed niet meer” verantwoordelijk te stellen voor de actuele financiële en economische crisis.
“De verantwoordelijkheid van Leterme in wat ons overkomt in dit land op dit ogenblik is verpletterend”. Verder “in deze bijzonder dramatische situatie, … en op dat ogenblik heeft men tijd om spelletjes ter spelen … wij zijn daar in grote mate het slachtoffer van de valse beloften die zijn gemaakt door de man uit Ieper”. Met als toemaatje een verwijzing naar de ontsnapping van gevangenen in Dendermonde.
Tenslotte slaagde hij erin om ook De Gucht te bedenken met een sneer: “hij die de wet laat aanpassen om zijn mandaat als Europees commissaris te kunnen combineren met zijn burgemeesterschap van Berlare”.
Subliem was hij op het einde toen hij droogweg bekende, ik citeer: “natuurlijk ben ik op campagne …”. Dat Cools en Devadder dit niet door hadden en hem zijn gang lieten gaan is alleen mogelijk in een medialandschap dat gebukt gaat onder politieke bevoogding.
Dat was “De Keien van de Wetstraat”, over de mens achter de politicus Tobback. Een uitzending van 31 minuten en 30 seconden. Voor alle duidelijkheid: dit was géén programma door derden.
Waarvan akte.
Pjotr
Ik herinner mij dat het programma “De Keien van de Wetstraat” aangekondigd werd als het programma waarin men zou peilen naar de mens achter een belangrijk politicus uit de Wetstraat. In het begin kregen we ook enkele serene gesprekken op hoog niveau met interesse voor de mens en zonder enige vooringenomenheid. Alle politieke tenoren zonder onderscheid van partijpolitieke achtergrond kwamen aan bod. Sommigen hadden de Wetstraat al lang achter zich gelaten maar goed ook Wilfried en Miet, zijn lieve derde vrouw, waren welkom. Dat menselijke was aanlokkelijk. Maar het laatste interview met Louis Tobback voldeed in geen enkel opzicht aan dit doel. De electorale partijpolitieke monoloog van Tobback, waartegen geen van beide opgewassen leken is niets minder dan misbruik van zendtijd van de openbare Vlaamse televisieomroep.
Er is een tendens waarneembaar bij de ‘ondervraagden’ om zich niet meer de mond te laten snoeren. Om desnoods na een volgende vraag van de journalist het antwoord op de vorige vraag af te maken. Dat is goed want antwoorden van maximaal 15 seconden zijn zelden relevant. Maar als Louis van Leuven gewoon zijn zeg mag doen en een karikatuur maakt van dergelijk interview, dan is dat een brug te ver. Het doet mij twijfelen aan de professionele capaciteiten (of was het een voorkeursbehandeling wegens politieke sympathie?) van beide journalisten.
Dat we niks te weten kwamen over de mens van Leuven is duidelijk, maar bij het herbeluisteren van de monoloog vond ik evenmin een degelijk geargumenteerd betoog, alleen electorale prietpraat van een gefrustreerd stuurman aan de wal.
Louis bespeelde het publiek door ze angst aan te jagen voor de dramatische situatie die zonder socialisten nog véél erger zou zijn. Hij ondersteunt dit door, ik citeer: “ een bijzondere dramatische situatie; de werklozen vallen bij bosjes” en verder “men zal snijden in de gezondheidszorg en kappen in de sociale zekerheid in het algemeen”. Zou het hem ontgaan zijn dat de problemen van vandaag voor een deel te wijten zijn aan 8 jaar Sinterklaas politiek van Paars? De notionele belastingaftrek, een georganiseerde plundering van de 'staatskas'?
Al even gratuit was het om, ik citeer “Die mens van Ieper, ik herinner mij die zo goed niet meer” verantwoordelijk te stellen voor de actuele financiële en economische crisis.
“De verantwoordelijkheid van Leterme in wat ons overkomt in dit land op dit ogenblik is verpletterend”. Verder “in deze bijzonder dramatische situatie, … en op dat ogenblik heeft men tijd om spelletjes ter spelen … wij zijn daar in grote mate het slachtoffer van de valse beloften die zijn gemaakt door de man uit Ieper”. Met als toemaatje een verwijzing naar de ontsnapping van gevangenen in Dendermonde.
Tenslotte slaagde hij erin om ook De Gucht te bedenken met een sneer: “hij die de wet laat aanpassen om zijn mandaat als Europees commissaris te kunnen combineren met zijn burgemeesterschap van Berlare”.
Subliem was hij op het einde toen hij droogweg bekende, ik citeer: “natuurlijk ben ik op campagne …”. Dat Cools en Devadder dit niet door hadden en hem zijn gang lieten gaan is alleen mogelijk in een medialandschap dat gebukt gaat onder politieke bevoogding.
Dat was “De Keien van de Wetstraat”, over de mens achter de politicus Tobback. Een uitzending van 31 minuten en 30 seconden. Voor alle duidelijkheid: dit was géén programma door derden.
Waarvan akte.
Pjotr
06 april 2009
Interview Michel Doomst, burgemeester Gooik
Mijnheer de Burgemeester,
In 2007 had uw partij samen met N-VA een duidelijk mandaat gekregen van de kiezer om de communataire problemen aan te pakken. Denkt u dat de Franstaligen halstarrig geweigerd hebben omdat CD&V het aandurfde om het communautair dossier als inzet van de verkiezingen te maken en dan nog in kartel met de N-VA die in Wallonië gedemoniseerd wordt? Dat Leterme niet mocht slagen want een slecht voorbeeld dat moest afgestraft worden?
Michel Doomst: We krijgen soms het verwijt te horen dat we het inderdaad te hard en te luid hebben gespeeld: dit heeft echter het grote voordeel dat het communautaire dossier nu niet meer onder de regeringstafel wordt geschoven zoals Verhofstadt dat 8 jaar lang heeft gedaan. Maar op dat harde brood heeft ondertussen een ambitieuze premier zijn tanden stuk gebeten: de scherpe profilering van het dossier heeft uiteraard de weerstand bij de Franstaligen nog groter gemaakt.
Kunt u zich een goede reden indenken waarom de Franstaligen wel zouden toegevingen doen, wetende dat op korte termijn zij ditmaal een prijs zullen moeten betalen door het aanvaarden van meer eigen verantwoordelijkheid?
Michel Doomst: Ik heb altijd duidelijk gesteld dat we voor communautaire dossiers gaan omdat ze verbonden zijn aan het sociaal-economische: het voordeel van de huidige crisis is dan ook dat niemand nog de eigen verantwoordelijkheid kan negeren. Wie nu nog ontkent dat een eigen arbeidsmarktbeleid tot betere resultaten leidt in de deelgebieden is onverantwoordelijk tegenover duizenden gezinnen.
Laten we even ingaan op de situatie in het Pajottenland en gans Vlaams Brabant.
Over alle partijgrenzen heen wordt uw inzet voor het Vlaams karakter van de Vlaams Brabantse gemeenten naar waarde geschat. Kunt u even ons geheugen opfrissen over hoe het allemaal begon?
Michel Doomst: Het resultaat van onze actie is te danken aan het feit dat burgemeesters over de partijgrenzen heen de handen in mekaar hebben geslagen. In 2003 werd het als een kaakslag ervaren dat de stemmen uit het buitenland die vooral Franstalig stemmen waren zomaar bij het kanton Lennik op de hoop werden gegooid. Op basis van het Arrest van het grondwettelijk Hof hebben wij dan in het zicht van de verkiezingen telkens met acties het ongerijmde en voorbijgestreefde karakter van een niet-gesplitste kieskring in Halle-Vilvoorde aangetoond. Het grootste succes van de actie van al die collega’s is het feit dat dit dossier niet meer weg te krijgen is.
Ziet u nog heil in een onderhandelde oplossing voor BHV en hoe zou u het probleem aanpakken?
Michel Doomst: Het is de eerste keer in de geschiedenis van dit dossier dat een wetsvoorstel in commissie is gestemd: die logica moeten wij doortrekken. We willen niet in de rol van bedelaar worden geduwd: we vragen niets en dus moet er ook niet gegeven worden. Het klopt niet dat de Franstaligen geen vragende partij zijn: wie nu pleit voor een status-quo zegt indirect iets over de “vadis-quo”waar ze op uit zijn. Uiteraard zou een akkoord van beide landsgedeelten belangenconflicten en alarmbellen vermijden, maar ik vrees dat er nu al bewezen is dat alleen praten geen resultaat baart.
Nu verschillende gemeenten waaronder Gooik het voorbeeld van Lennik en Affligem volgen en geen medewerking verlenen aan de komende verkiezingen voor het EU parlement, heb ik de indruk dat daarmee het dossier BHV in de streek een belangrijk thema zal zijn bij de regionale verkiezingen. Wat denkt u?
Michel Doomst: Het zal minder uitgesproken zijn omdat we eerlijk moeten toegeven dat het Arrest van het Grondwettelijk Hof niet rechtstreeks op Europa slaat en het natuurlijk ook Vlaamse verkiezingen zijn. Het Vlaams karakter van de Rand zal natuurlijk en terecht een thema zijn en dus ook onze politieke actie die opnieuw door 15 gemeenten wordt gedragen zal zeker weerklank krijgen. Wij zullen immers voor de Europese verkiezingen geen kieslijsten aanmaken of kiesbrieven verzenden. Het is positief dat in vele gemeenten in de Rand de voorbije jaren acties werden opgezet en beslissingen genomen om de eigenheid van de streek te versterken.
Het is een publiek geheim dat binnen uw partij niet iedereen op dezelfde lijn zit. Kunt u in grote lijnen de twee strekkingen samenvatten?
Michel Doomst: Uiteraard zijn de gevoeligheden bij de ene wat groter dan de andere, maar mijn partij heeft een programma onderschreven dat heel sterk Vlaams is: op zijn zachtst gezegd hebben andere partijen mee aan de poten onder dat programma gezaagd omdat het blijkbaar te straf in de oren van de Vlaamse kiezer klonk. Iedereen in de partij is het dus met de doelstellingen eens. Het is begrijpelijk dat na het moeilijk voorbije anderhalf jaar over de strategie wordt gediscussieerd om dat doel ook te bereiken.
Uit de informatie op uw blog blijkt duidelijk dat u grote moeite heeft met de Belgische constructie, onder meer omdat de belangen van Vlaanderen en België niet gelijklopend zijn, soms zelfs tegengesteld. Denkt u dat CD&V er ooit zal in slagen om de interne tweespalt te overstijgen en een duidelijke keuze te maken tussen het ‘Belgisch belang’ of zo u wil de ‘zestien’ en het ‘Vlaams belang’ ?
Michel Doomst: Ik vind dat we het confederaal model moeten uittekenen waarop de toekomstige organisatie van dit land naar de toekomst moet steunen. Die opdracht is moeilijk omdat bij andere confederaties deelstaten zich van onder uit verzamelen terwijl wij de beweging van boven uit moeten maken. Maar grotere verantwoordelijkheid van de deelstaten is de enige weg om goed bestuur mogelijk te maken en ons uit de rode cijfers te halen. Het federale kookboek op grootmoeders wijze levert geen smakelijke gerechten meer op, we hebben nood aan een nieuw confederaal kookboek.
Met dank voor de antwoorden.
Pjotr
In 2007 had uw partij samen met N-VA een duidelijk mandaat gekregen van de kiezer om de communataire problemen aan te pakken. Denkt u dat de Franstaligen halstarrig geweigerd hebben omdat CD&V het aandurfde om het communautair dossier als inzet van de verkiezingen te maken en dan nog in kartel met de N-VA die in Wallonië gedemoniseerd wordt? Dat Leterme niet mocht slagen want een slecht voorbeeld dat moest afgestraft worden?
Michel Doomst: We krijgen soms het verwijt te horen dat we het inderdaad te hard en te luid hebben gespeeld: dit heeft echter het grote voordeel dat het communautaire dossier nu niet meer onder de regeringstafel wordt geschoven zoals Verhofstadt dat 8 jaar lang heeft gedaan. Maar op dat harde brood heeft ondertussen een ambitieuze premier zijn tanden stuk gebeten: de scherpe profilering van het dossier heeft uiteraard de weerstand bij de Franstaligen nog groter gemaakt.
Kunt u zich een goede reden indenken waarom de Franstaligen wel zouden toegevingen doen, wetende dat op korte termijn zij ditmaal een prijs zullen moeten betalen door het aanvaarden van meer eigen verantwoordelijkheid?
Michel Doomst: Ik heb altijd duidelijk gesteld dat we voor communautaire dossiers gaan omdat ze verbonden zijn aan het sociaal-economische: het voordeel van de huidige crisis is dan ook dat niemand nog de eigen verantwoordelijkheid kan negeren. Wie nu nog ontkent dat een eigen arbeidsmarktbeleid tot betere resultaten leidt in de deelgebieden is onverantwoordelijk tegenover duizenden gezinnen.
Laten we even ingaan op de situatie in het Pajottenland en gans Vlaams Brabant.
Over alle partijgrenzen heen wordt uw inzet voor het Vlaams karakter van de Vlaams Brabantse gemeenten naar waarde geschat. Kunt u even ons geheugen opfrissen over hoe het allemaal begon?
Michel Doomst: Het resultaat van onze actie is te danken aan het feit dat burgemeesters over de partijgrenzen heen de handen in mekaar hebben geslagen. In 2003 werd het als een kaakslag ervaren dat de stemmen uit het buitenland die vooral Franstalig stemmen waren zomaar bij het kanton Lennik op de hoop werden gegooid. Op basis van het Arrest van het grondwettelijk Hof hebben wij dan in het zicht van de verkiezingen telkens met acties het ongerijmde en voorbijgestreefde karakter van een niet-gesplitste kieskring in Halle-Vilvoorde aangetoond. Het grootste succes van de actie van al die collega’s is het feit dat dit dossier niet meer weg te krijgen is.
Ziet u nog heil in een onderhandelde oplossing voor BHV en hoe zou u het probleem aanpakken?
Michel Doomst: Het is de eerste keer in de geschiedenis van dit dossier dat een wetsvoorstel in commissie is gestemd: die logica moeten wij doortrekken. We willen niet in de rol van bedelaar worden geduwd: we vragen niets en dus moet er ook niet gegeven worden. Het klopt niet dat de Franstaligen geen vragende partij zijn: wie nu pleit voor een status-quo zegt indirect iets over de “vadis-quo”waar ze op uit zijn. Uiteraard zou een akkoord van beide landsgedeelten belangenconflicten en alarmbellen vermijden, maar ik vrees dat er nu al bewezen is dat alleen praten geen resultaat baart.
Nu verschillende gemeenten waaronder Gooik het voorbeeld van Lennik en Affligem volgen en geen medewerking verlenen aan de komende verkiezingen voor het EU parlement, heb ik de indruk dat daarmee het dossier BHV in de streek een belangrijk thema zal zijn bij de regionale verkiezingen. Wat denkt u?
Michel Doomst: Het zal minder uitgesproken zijn omdat we eerlijk moeten toegeven dat het Arrest van het Grondwettelijk Hof niet rechtstreeks op Europa slaat en het natuurlijk ook Vlaamse verkiezingen zijn. Het Vlaams karakter van de Rand zal natuurlijk en terecht een thema zijn en dus ook onze politieke actie die opnieuw door 15 gemeenten wordt gedragen zal zeker weerklank krijgen. Wij zullen immers voor de Europese verkiezingen geen kieslijsten aanmaken of kiesbrieven verzenden. Het is positief dat in vele gemeenten in de Rand de voorbije jaren acties werden opgezet en beslissingen genomen om de eigenheid van de streek te versterken.
Het is een publiek geheim dat binnen uw partij niet iedereen op dezelfde lijn zit. Kunt u in grote lijnen de twee strekkingen samenvatten?
Michel Doomst: Uiteraard zijn de gevoeligheden bij de ene wat groter dan de andere, maar mijn partij heeft een programma onderschreven dat heel sterk Vlaams is: op zijn zachtst gezegd hebben andere partijen mee aan de poten onder dat programma gezaagd omdat het blijkbaar te straf in de oren van de Vlaamse kiezer klonk. Iedereen in de partij is het dus met de doelstellingen eens. Het is begrijpelijk dat na het moeilijk voorbije anderhalf jaar over de strategie wordt gediscussieerd om dat doel ook te bereiken.
Uit de informatie op uw blog blijkt duidelijk dat u grote moeite heeft met de Belgische constructie, onder meer omdat de belangen van Vlaanderen en België niet gelijklopend zijn, soms zelfs tegengesteld. Denkt u dat CD&V er ooit zal in slagen om de interne tweespalt te overstijgen en een duidelijke keuze te maken tussen het ‘Belgisch belang’ of zo u wil de ‘zestien’ en het ‘Vlaams belang’ ?
Michel Doomst: Ik vind dat we het confederaal model moeten uittekenen waarop de toekomstige organisatie van dit land naar de toekomst moet steunen. Die opdracht is moeilijk omdat bij andere confederaties deelstaten zich van onder uit verzamelen terwijl wij de beweging van boven uit moeten maken. Maar grotere verantwoordelijkheid van de deelstaten is de enige weg om goed bestuur mogelijk te maken en ons uit de rode cijfers te halen. Het federale kookboek op grootmoeders wijze levert geen smakelijke gerechten meer op, we hebben nood aan een nieuw confederaal kookboek.
Met dank voor de antwoorden.
Pjotr
Abonneren op:
Posts (Atom)