31 juli 2011

De formateursnota

De splitsing van het gerechtelijk arrondissement

ANDERS GELEZEN


Een nota als basis voor onderhandelingen aanvaarden om ze vervolgens in diverse domeinen af te schieten is een riskante en zelfs onrealistische onderneming. Immers, halfweg tussen ‘demandeurs de rien’ en zij die een copernicaanse hervorming willen is er geen goed bestuur mogelijk, laat staan een pacificatie. De kans op een voor beide gemeenschappen aanvaardbare (dat wil zeggen maatschappelijk gedragen en niet enkel electoraal aanvaardbaar) compromis, is quasi onbestaande.

Een analyse van de formateursnota toont aan dat in de voorgestelde splitsing van het gerechtelijk arrondissement BHV de voorrechten van de Franstaligen instandgehouden of zelfs versterkt worden: dat is onrechtvaardig en polariserend.

Zoals blijkt uit de aanhef van de formateursnota is deze hervorming ingegeven door de wil om een beter functioneren van het gerecht mogelijk te maken. Dergelijke louter administratieve ingreep zou in een normaal werkend federaal systeem geen probleem mogen opleveren vermits zowel Vlamingen als Franstaligen gebaat zijn bij een goed functionerende justitie. In elk geval kan deze hervorming geen aanleiding geven tot compensaties. Een correcte rechtspraak kent immers geen bevoorrechten en houdt rekening met de taalkundige indeling van het federale België.

Letterlijk, de tekst van de nota Di Rupo over de splitsing van het gerechtelijk arrondissement BHV:
Gezien de omvang en de verscheidenheid van de situaties waarmee men op het terrein geconfronteerd wordt in het arrondissement, de strenge eisen op het vlak van tweetaligheid en de hoge werklast, in het bijzonder gelinkt aan de rol van Brussel, moet het gerechtelijk arrondissement BHV hervormd worden om het beter te laten werken.
Deze hervorming zal gebaseerd zijn op volgende elementen:
• Binnen het gerechtelijk arrondissement BHV, komt er een parket van
Brussel alsook een parket van Halle-Vilvoorde en wordt het geheel van rechtbanken ontdubbeld worden. De tweetaligheidsvereisten worden bijgevolg aangepast.
• De rechten in verband het taalgebruik in gerechtelijke materies, van de Franstaligen in
Halle-Vilvoorde en de Nederlandstaligen in Brussel worden volledig behouden en gegarandeerd. Een rechtstreeks beroepsrecht voor een tweetalige kamer van het Hof van Cassatie wordt ingevoerd voor het geval deze procedurele rechten en garanties geschonden worden.
• De specifieke situatie van de zes faciliteitengemeenten zal in het kader van
de huidige hervorming behouden worden en de bijzondere modaliteiten zullen voorzien worden voor de burgers van deze gemeenten.
• Binnen het gerechtelijk arrondissement van BHV kunnen de partijen met
wederzijdse toestemming zich wenden tot een rechtbank in de taal van hun keuze.
• De personeelskaders zullen verdeeld worden in functie van de werklast.

Eerste opvallende vaststelling: er bestaan ook in het nieuwe gerechtelijke arrondissement Halle Vilvoorde verschillende soorten ‘klanten’. Er is blijkbaar nood aan afzonderlijke regels voor Franstalige Vlamingen en er bestaat nog een derde expliciet vermeldde categorie, de (Franstalige) inwoners van de zes faciliteitengemeenten. Waarom anderstaligen die eveneens in grote getale in Vlaams Brabant wonen niet vermeld worden – en dus uitgesloten worden van een geprivilegieerde behandeling – bewijst de onevenwichtige benadering van deze oplossing. Dat de Nederlandstaligen in Waals Brabant niet kunnen genieten van gelijkaardige voorrechten, duidt op het oneerlijke karakter van deze eenzijdige oplossing.

Helemaal onbegrijpelijk stelt Di Rupo in de nota de tweetaligheid van Halle Vilvoorde gelijk met de tweetaligheid in Brussel. Dat is een provocerende negatie van het officieel tweetalig statuut van Brussel versus de bestuurlijke eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië. Wie deze tekst in een groter verband leest kan niet anders dan vaststellen dat dit voorstel perfect kadert in de beoogde uitbreiding van het tweetalige hoofdstedelijk gebied, zoals dit ook in andere onderdelen van de nota wordt verwoord. De facto wordt zo de positie van het Frans als officiële voertaal behouden/versterkt in het arrondissement Halle Vilvoorde en dat kan bezwaarlijk beschouwd worden als een blijk van goede wil. Maar het is nog erger want deze voorrechten staan goed bestuur in de weg, zoals bleek uit een recente evaluatie van de taal- en veiligheidssituatie in Vilvoorde door burgemeester Marc Van Asch (CD&V). Hij kwam tot twee conclusies:
1. Het restrictiever woningbeleid werpt vruchten af en de kennis van het Nederlands neemt snel toe bij de allochtone bevolking. Enkel de Franstalige inwijkelingen doen onvoldoende moeite. Hij stelt vast dat de positie van het Nederlands - in tegenstelling tot wat sommige Brusselse Vlamingen ons graag willen doen geloven – niet verzwakt is en er wel degelijk uitzicht is op het behoud van het Nederlandstalig – maar veelkleurig – karakter van de rand en meer bepaald van zijn stad.
2. De splitsing van het gerechtelijk arrondissement is cruciaal voor de veiligheidssituatie in Vilvoorde vermits in de huidige omstandigheden een beperkte bende Franstalige straatcriminelen telkens ontsnappen aan vervolging door te kiezen voor de Franstalige procedure. Door dit voorrecht in stand te houden staat Di Rupo een kordaat beleid in de weg en dat is géén bewijs van goed bestuur, wel integendeel. Het hoeft geen betoog dat het lakse Franstalige beleid de frustratie bij de veiligheidsdiensten en bevolking doet toenemen. Meer polarisatie in plaats van pacificatie.

Niet alleen de CD&V burgemeester van Vilvoorde zal bezwaren hebben want het eigen voorstel van CD&V senator Vandenberghe is volledig in tegenspraak met de nota. Voor CD&V moet het parket territoriaal gesplitst worden zodat al wie in het Nederlandstalig rechtsgebied woont zich moet richten tot een Nederlandstalige rechtbank en waar de werktaal van het parket eveneens Nederlandstalig is. Di Rupo heeft deze voorrechten voor Franstaligen vooraf niet afgetoetst en dus hoeft Cd&V noch de andere Vlaamse partijen deze arrogante toevoeging niet te aanvaarden.

Een ander opmerkelijk deel van de tekst slaat op de verdeling van de personeelskaders in functie van de werklast. Hoewel te vaag om concreet te kunnen uitmaken wat precies bedoeld wordt, kan deze tekst aanleiding geven tot een achteruitstelling van de Nederlandstalige parketten in Brussel. Zo kunnen de Franstaligen bij geldgebrek prioriteit geven aan de invulling van de onbezette functies op de Franse taalrol.

Waarom is dit voorstel onrechtvaardig?
Het behoudt/versterkt de taalvoorrechten van de Franstaligen in het Vlaamse arrondissement Halle Vilvoorde. Daarenboven werkt het gerecht door deze voorrechten met twee maten en twee gewichten, zoals blijkt uit bovenstaande voorbeeld. Deze voorrechten moeten verdwijnen en alle anderstaligen hebben recht op dezelfde rechten: het gebruik van een tolk zo ze dit wensen.
Waarom polariseert dit voorstel?
De schending van het principe van gelijkheid, noodzakelijk voor een vreedzaam samenleven, dient de pacificatie niet. Zonder pacificatie op basis van een wederzijds respect is elk maatschappelijk draagvlak utopisch.

Conclusie: Het voorstel van de formateur inzake de splitsing van het gerechtelijk arrondissement is geen aanvaardbare basis voor onderhandelingen. Vlaamse partijen die de voorgestelde splitsing zouden aanvaarden zonder de wegwerking van de voorrechten voor de Franstaligen zullen moeilijk kunnen uitleggen waarom ze bereid waren om een prijs te betalen voor de bestuurlijke eentaligheid van de Vierde Macht in Vlaanderen. In elk geval mogen de Vlamingen van hen verwachten dat ze ons voorafgaand uitleg verschaffen vooraleer ze ons confronteren met een beslissing die noch goed bestuur noch rust brengt.

Pjotr

25 juli 2011

Radicaal

ANDERS GELEZEN

De radicale wending in de regeringsonderhandelingen, ten gevolge van de bocht die CD&V nam - na lange tijd samen met N-VA front gevormd te hebben – om nu wel te willen onderhandelen op basis van de fameuze formateursnota van Di Rupo kan niet onderschat worden. Weliswaar zijn er enkele voorafgaandelijke voorwaarden gesteld, maar of dat voldoende is om van deze nota een basis voor onderhandelingen te maken is zeer twijfelachtig. Een precair evenwicht volgens Bart Sturtewagen in DS en terecht want vanuit een Vlaamsgezinde invalshoek is deze nota op talrijke punten helemaal niet evenwichtig. Tijdens de onderhandelingen zal zoals gebruikelijk bij een Belgisch compromis, elke bijkomende eis leiden tot marchanderen om uiteindelijk te resulteren in een zoveelste “scheve dromedaris” zoals Gaston Eyskens deze onzalige compromissen ooit noemde.

Gezichtbedrog: Welles, nietes.
Welles, N-VA heeft zichzelf buitenspel gezet door neen te zeggen.
Nietes, N-VA werd door de onaanvaardbare eisen van de PS – zo blijkt overduidelijk uit de recente reacties van onder meer Onckelinck (dS) en Milquet (DM) - verplicht om eruit te stappen zoniet zou ze haar kiezers bedriegen. Dat Wouter Beke hoort tot de aanhangers van de welles argumentatie en kiezersbedrog erbij neemt, is niet alleen moeilijk verteerbaar voor de Vlaamsgezinde CD&V vleugel maar voor alle Vlaamsgezinden. Of hoe CD&V toeliet dat het Vlaams front uiteengespeeld werd door de Franstaligen en waardoor de Vlaamse beweging, waaronder ook niet N-VA gezinden zoals de Gravensteengroep uitgesloten worden van machtsdeelname. Wat mij in mijn contacten vooral droef stemde was de vaststelling dat zelfs enkele Vlaamsgezinde sterkhouders binnen CD&V eveneens de welles redenering verdedigen en N-VA de rug toekeren. Net zoals voor de verkiezingen van 2010 toen CD&V de Vlaamse onderstroom bagatelliseerde, lijkt het er sterk op dat de partij opnieuw het breed gedragen front van misnoegden negeert. Nochtans weet men maar al te goed dat in de nota Di Rupo voldoende brandstof te vinden is voor vernietigende commentaren. Elk negatief voorstel, en zo zijn er nogal wat, zal als een onrechtvaardige of te dure toegeving worden ervaren. Zelfs een intelligente Wouter Beke zal daar zonder tsjeventaal weinig verweer tegen hebben. Meer zelfs, gezien een Vlaams afwijzingsfront over de partijgrenzen heen voor de hand ligt, zal dra blijken dat de nota Di Rupo alleen een assertieve Francofone agenda dient die zelfs niet Belgisch kan genoemd worden. Wie de moeite doet om deze nota te toetsen aan de Baert doctrine maar dan vanuit de visie van een onafhankelijk Wallo-Brux – zodra België niet meer loont - zal tot de vaststelling komen dat deze tekst perfect tegemoet komt aan deze doctrine. Dat de traditionele Vlaamse partijen hieraan willen meewerken is verbazingwekkend. Hoe kunnen ze geloofwaardig blijven?

Gelukkig verkleinen de kansen dat de gezagsgetrouwe media er zullen in slagen om de bevolking om de tuin te leiden en de ware draagwijdte van de voor Vlaanderen negatieve punten te verdoezelen of te negeren. Oh ja, ze zullen het wel proberen zoals bleek in DS (23/07) waar men de reactie van N-VA afdoet als oppositietaal; “het zal voor N-VA nooit genoeg zijn”. Het is zo voorspelbaar, maar dank zij de diverse nieuwe communicatiekanalen zal op zijn minst ook de kritiek op de formateursnota luider klinken dan Beke, Gennez en De Croo wel zouden willen. Ook de lezers van Anders Gelezen kunnen rekenen op degelijke informatie. Wordt vervolgd.

LLB 19/07 Francis Van de Woestyne in zijn editoriaal (vrije vertaling):
De Vlaams nationalisten wilden geen akkoord en onderhandelen met hen was gekkenwerk. Helaas moeten we wel onderhandelen met CD&V want ze zijn numeriek en politiek noodzakelijk. Tiens, de grootste partij van het land is dat niet?
Beke gedraagt zich als een verwend kind die eerst alles wil krijgen vooraleer te onderhandelen. Hem vandaag gelijk geven zou hem in de toekomst nog op slechtere gedachten kunnen brengen. Het schoothondje van N-VA is nu een verwend kindje geworden? In elk geval volstaan kleine stappen niet meer en dus is het tijd voor radicale veranderingen op voorwaarde dat de Franstaligen een federatie Wallonie-Bruxelles krijgen met uiteraard een geografische link tussen beide.

In zijn Journaal citeert Mark Grammens p.4663 journalist Monteyne (LLB) die het heeft over EU Raadsvoorzitter Herman Van Rompuy. Tijdens zijn rede onder meer voor de Vlaamse gemeenschapscommissie op 14 juni sprak hij met lof over de meertaligheid van de EU waar elkeen zijn eigen taal mag gebruiken. Helaas deed hij dat uitsluitend in het Frans hiermee de foute indruk geeft dat België een Franstalig land is en zijn moedertaal hem blijkbaar te min geworden is sinds hij zichzelf (althans op zijn visitekaartje) ‘The President’ noemt. Vermits hij zich openlijk bekent lid te zijn van de Orde van den Prince, mag hierbij vermeld worden dat dergelijke houding strijdig is met de gelofte die hij aflegde, namelijk om in zijn persoonlijk en maatschappelijk leven de Nederlands taal en cultuur te bevorderen. Het is een beetje zoals prominent Princelid indertijd die het genootschap verliet omdat hij niet verkozen werd tot afdelingsvoorzitter en vervolgens, uit schrik dat zijn lidmaatschap zijn toekomst in het Belgicistisch establishment zou hinderen, poogde alle sporen van zijn lidmaatschap te laten wissen. Hij werd baron, terwijl de stichter van de Orde van den Prince, Guido Van Gheluwe weerstond aan de pogingen tot beïnvloeding door het Hof.

Doorbraak – JP Rondas: Hoor, de koning ontbloot luidskeels zijn kroon.
“Baggot” zei de koning, alsof hij de Engelse naam die hij bedoelde wou laten rijmen op “maggot”. Het klonk als een vers scheldwoord. Waarom heeft geen enkele taalkundige raadgever hem verteld dat Sir Walter Bagehot zijn eigen naam liever liet rijmen op “gadget”? (…) Welke hoveling heeft de koning ingefluisterd om deze Engelse constitutionalist (1826-1877) in te zetten in een redenering die kant noch wal raakt? Waarom heeft geen enkele juridische raadgever de koning de goeie raad gegeven om die hele Bagehot onvermeld te laten? Het ligt nochtans voor de hand om in zo’n koninklijk leven (als van Albert II) minstens één keertje de drie belangrijke rechten te vermelden die de Victoriaan Bagehot aan de Britse vorst nog wou inruimen: het recht om door zijn ministers geconsulteerd (en dus vooraf geïnformeerd) te worden, het recht hen aan te moedigen, en het recht hen te waarschuwen. Het is deze klassieker uit de literatuur over de monarchie die door Albert werd geciteerd als rechtvaardiging om nu eens een publieke waarschuwing tot alle politici te richten. Waarom had hij dat beter niet gedaan?
Wel, om te beginnen was die Bagehot een zeer koele minnaar van de monarchie. Wie hem citeert, moet weten dat zijn verdediging ervan gebaseerd was op de goedgelovigheid van het volk in een koning die regeert bij Gods genade. Bagehot justifieert de monarchie als theatrale volksverlakkerij, als een magische poppenkast die het daglicht schuwt (“But we must not let in daylight upon magic”). (…) De constitutionele monarchie, schrijft hij, functioneert als een maskerade die het de werkelijke heersers toelaat onderling van plaats te verwisselen zonder dat de onoplettende (heedless) onderdanen het beseffen. (…) Tussen twee legislaturen in heeft de koning volstrekt niets te zeggen, en zo is het sinds Bagehot en tot de dag van vandaag nog altijd gebruikelijk in Groot-Brittannië. Het hoofdstuk “Regeringsvormingen manipuleren en beïnvloeden” komt in zijn boek The English Constitution niet voor. Dit is een specialiteit van het Belgische hof, waarvoor je dus niet naar de Engelse geleerde kunt verwijzen. Maar er is meer. Albert noemt de voormelde rechten (geïnformeerd worden, aanmoedigen, waarschuwen) namelijk “prerogatieven”. Niet alleen is dat een heel erg feodaal klinkend woord dat gedoemd lijkt om door de guillotine van zijn prefix te worden ontdaan. Het beduidt ook net het omgekeerde van wat Bagehot bedoelde. Voor deze auteur gaat het om een beperking (de koning mag slechtsdie dingen doen) en een taak (minstens dat moet hij doen), en niet om een prerogatief. Hij bedoelde evenmin dat de koning die waarschuwingen in het publiek mag uitdelen, integendeel. Alleen zijn ministers mag hij waarschuwen, en zeker niet alle politici via de toegesproken burgers. Deze ministers mogen ook slechts privé, in het kader van het heilige “colloque singulier”, gewaarschuwd worden. Deze colloque singulier, die door onze Franstalige landgenoten op een middeleeuwse manier “sacré” wordt genoemd, werd nu door de koning zelf verbroken. Dit alles heeft de koning op 21 juli dus met voeten getreden – en daardoor heeft hij luidkeels zelf zijn kroon ontbloot. Toch raar dat geen enkel journalist zoiets wil of kan schrijven. (…) Al in 2006 speelde de koninklijke scribent het klaar om de begrippen “omfloerst separatisme”, “subnationaliteit”, en “repli sur soi-même” in één alinea onder te brengen, allemaal ondubbelzinnig op de Vlaamse nationalisten gemikt. De koninklijke toespraken zijn namelijk gericht tot Franstalige oren, die heel goed begrijpen dat hij niet hen bedoelt, maar dat hij, over de Vlaamse koppen heen, tot hen over recalcitrante Vlamingen spreekt. Het afgezaagde “repli sur soi-même” en het opnieuw opgedolven poujadisme maken deel uit van de Franstalige woordenschat, niet van de Vlaamse. Daarom zijn Franstalige politici het ook altijd zo roerend eens met de koninklijke woorden. Door zo te spreken accentueert de koning de verdeeldheid, terwijl het ook anders zou kunnen. Maar daartoe moet hij eventjes in de toekomst kijken. Ook dit kan hij leren uit het Handboek van de koning van Robert Senelle (van motto tot conclusie). Waarmee ik niet wil suggereren dat het Senelle was die de hand van de koninklijke scribent vasthield. De toespraak moet geschreven zijn door iemand die Senelles boek slecht verteerd heeft. Want stel dat de monarchie een eenheidsfactor zou willen blijven, ook na een zeer ingrijpende hervorming die echte autonome deelstaten binnen een losse Belgische statenbond creëert, danzou de koning van zijn drie prerogatieven moeten gebruik maken tegenover de Vlaamse nationalisten. Juist hen zou hij dus moeten aanmoedigen, door hen zou hij zich moeten laten voorlichten, precies zonder hen permanent beledigend te waarschuwen. Hij zou van hen even “bang” moeten zijn als van de Waalse socialisten. Maar inzake de Vlaamse Beweging verder kijken dan de huidige dag kan de Coburgse familie nu eenmaal niet, dat hebben ze genoegzaam bewezen. Het resultaat is voorspelbaar: solus Rex.

Beste lezers, wat ik voorlopig uit de commentaren en talrijke reacties van de lezers onthou zijn vooral vragen waarop de politici van de Vlaamse traditionele partijen een antwoord moeten geven willen ze aan geloofwaardigheid winnen: geloven ze echt dat de onderhandelingen op basis van deze formateursnota zullen resulteren in een copernicaanse hervorming met duidelijk afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheid zonder federale compensaties? Dat er nadien minder polarisatie zal zijn tussen de twee taalgemeenschappen? Mocht het antwoord negatief zijn dan blijft als resultaat van de CD&V bocht alleen het cordon sanitaire rond de Vlaamse beweging over. Kan dat de ultieme bedoeling zijn?

Pjotr
Anders Gelezen

18 juli 2011

Een cruciale periode

ANDERS GELEZEN

In vorige Anders Gelezen las ik de formateursnota niet enkel als een manier om N-VA eraf te rijden, maar ook en wellicht nog belangrijker, als een manier om de traditionele Vlaamse partijen te bewegen tot een zoveelste Belgisch compromis waarvoor – zoals het past in het Belgique à papa” – pas nadien een maatschappelijk draagvlak moet gezocht worden met steun van de gezagsgetrouwe media. Zondagavond had ik een interessante babbel met een partijpolitiek geëngageerde dame die de problemen met de onderhandelingen terugvoerde tot het gebrek aan discretie van de politici waardoor voorstellen vooraleer ze goed en wel begrepen zijn reeds afgeschoten worden in de media. Media die ervan leven maar tegelijk oproepen om toch wat meer discretie aan de dag te leggen, tenminste als het overeenstemt met hun eigen politieke mening. Daarom, aldus deze bron, weet ook het CD&V partijbestuur niet meer wat de onderhandelingen precies inhouden. Ze twijfelt zelfs of Leterme nog tot de inner circle behoort.

Het redelijke van discretie zal iedereen wel inzien maar is het ook een garantie op een goede oplossing? Uit ervaring – vooral met langdurige onderhandelingen – kan men leren dat tussen de onderhandelaars een irreële wereld ontstaat en het heel gevaarlijk is om hen in dergelijke omstandigheden te laten beslissen om pas nadien – wat inherent is aan deze methode –de confrontatie aan te gaan met de voornaamste aandeelhouders, partijleden en kiezers. Het Antwerpse Lange Wapper dossier is er een schoolvoorbeeld van. Men besliste ‘en petit comité’ en zocht daarna een draagvlak. Quid non en gelukkig maar, want deze oude politieke zeden heeft precies geleid tot de onzalige compromissen die het Belgisch draagvlak volledig hebben uitgehold. Vandaag is de machtigste spelbepaler niet langer N-VA, die het als non-conformistische partij verplicht is om eerst aan de kiezers te denken, maar CD&V dat om meerdere redenen voor een cruciale periode in haar bestaan staat. Even ander lezen.

In de staatgetrouwe media, waaronder dS werd CD&V gekleineerd wegens geen eigen stem en karikaturaal voorgesteld als het ‘schoothondje’ dat N-VA achterna liep. De pennenridders deden dat niet zomaar. Ze verhulden nauwelijks hun politiek doel: CD&V diende zich te distantiëren van N-VA. N-VA, hoe eerbaar ook dit vreemde eendje voorgesteld, werd op last van de Franstalige partijen, de traditionele Nederlandstalige partijen én de pers wat graag in een nieuw cordon sanitaire gestopt. Zo werd zonder ook maar enig weerwerk de ganse Vlaamse beweging aan de kant gezet. Opgeruimd staat blijkbaar netjes.

Ongerustheid heerst in Vlaamsgezinde kringen nu N-VA afhaakte en CD&V ondanks alle voorgaande verklaringen duidelijk bereid is om onderhandelingen zonder N-VA te beginnen. Ongerustheid omdat men vreest dat de nieuwe CD&V uiteindelijk te veel toegevingen zal doen vanuit haar traditionele staatsdragende visie. In hoeverre zullen de botsende visies binnen de partij een rol spelen in de besluitvorming? Voor partijvoorzitter Beke wordt het zeer moeilijk om zowel de Vlaamse als de Belgicistische vleugel onder controle te houden. Electoraal zou het toch duidelijk moeten zijn dat CD&V in de toekomst enkel opnieuw kan groeien door haar Vlaamsgezinde kiezers terug te halen. De Belgicistische – vooral ACW - kiezers zijn in de partij gebleven en zullen, ongeacht het compromis of het afwijzen ervan, blijven om de eenvoudige reden dat ze geen alternatief hebben. De vraag is in hoeverre het uiteindelijk compromis waarvoor Wouter Beke duidelijk klaar is, verteerbaar zal zijn voor de positie van Kris Peeters als minister president van de Vlaamse regering. De kans dat de media erin slagen om het compromis te laten klinken als een overwinning wordt alsmaar kleiner, nu de mondige kiezers andere communicatiewegen hebben om een eigen mening te vormen en de doorzichtige spelletjes van de ‘spelers zonder kleur’ zoals Peter Vandermeersch zijn journalisten noemde, niet meer de invloed hebben die ze voordien wel hadden.

Maar waaraan moet het compromis dan wel getoetst worden? Aan de zeer algemene doelstellingen van bij voorbeeld de gedateerde Octopus nota – met onvermijdelijke compensaties voor elke toegeving - of moet het vooral rekening houden met de zeer concrete kritiek op elk afzonderlijk onderdeel. De lezing van de bezwaren die professor Vuye liet noteren in DM (zie vorige AG) zou alvast CD&V behoeden voor een onzalig BHV compromis waarvoor in Vlaams Brabant helemaal geen draagvlak bestaat, zoals te lezen is op de webstek van sterkhouder, CD&V burgemeester Michel Doomst.

In het concert van botsende meningen schreef Guido Vanden Wijngaert in dS (18/07) terecht dat ten gronde de communautaire discussie gaat over het democratisch gehalte van België. De Franstaligen beseffen dat nu toegeven (over BHV) aan de Vlaamse meerderheid het einde betekent van hun geprivilegieerde positie met bescherming van de minderheid. In het nieuwe België zou de Vlaamse meerderheid ook in andere dossiers het recht van de sterkste kunnen opeisen. Een horror situatie die voor de Franstaligen veel erger is dan de splitsing van het land; daarom hun plan B. De conclusie van deze interessante opinie – de keuze tussen blijven bij een evenwichtige machtsdeling of de splitsing van het land - gaat echter voorbij aan de mogelijkheid om een nieuw verhaal te schrijven voor België waarin de beide gemeenschappen mekaar niet meer kunnen afblokken door ze elk hun eigen weg te laten gaan. Een confederatie met samenwerking die niet meer afgewogen wordt tegen de electorale en financiële winst of verlies voor de partij, maar gebaseerd is op welbegrepen eigenbelang van zelfstandige gemeenschappen. Waarom deze visie in Vlaanderen nauwelijks aan bod komt in de Nederlandstalige media hoewel steeds meer vooraanstaande opiniemakers en politicologen erkennen dat dit de beste oplossing zou zijn om tot goed bestuur en pacificatie te komen, mag een raadsel heten. Hoelang nog zullen de ‘spelers zonder kleur’ blijven rondjes draaien?

DIT België willen steeds meer weldenkende Vlamingen niet meer en voor een splitsing is er geen Vlaamse meerderheid, maar een ANDER – confederaal - België blijft onbespreekbaar? Hierover zou de discussie moeten gaan en op deze maatschappelijk wel gedragen vraag moet in de eerste plaats Wouter Beke en CD&V ten gronde een antwoord geven. Durft CD&V de oude compromisteksten opzij schuiven en een nieuw verhaal schrijven in plaats van een compromis te aanvaarden waardoor het beleid nog ingewikkelder wordt (dixit Vanden Broucke over de financieringswet) en de toegevingen van vandaag vooral wrevel veroorzaken in de toekomst? Of zal Wouter Beke in de traditie van de oude CVP, toch beslissingen nemen zonder voldoende maatschappelijk draagvlak? Alle ogen zijn gericht op CD&V in deze cruciale periode.

Pjotr
ANDERS GELEZEN

12 juli 2011

Duidelijkheid

ANDERS GELEZEN

Aan allen een feestelijke groet ter gelegenheid van de Vlaamse feestdag.

Er zijn van die momenten, zoals nu, dat politieke duidelijkheid als een zucht van verlichting werkt. Nu nog even deze klaarheid anders lezen, of de formateursnota doorgeprikt. Jean Pierre Rondas in DS 9/07 en professor Hendrik Vuye in DM 9/07 fileren het communautaire luik BHV en wie ben ik om hen ongelijk te geven?!

Rondas verdiept zich in de francofone Brusselse hersenspinsels die aan de grondslag liggen van Di Rupo’s voorstel. Opmerkelijk maar terecht neemt hij de ondertussen bekende francofone Vlaming, Philippe Van Parijs op de korrel en beschuldigt hem van separatisme. De Brusselse stadstaat, uiteraard Franstalig, die zich wil onafhankelijk maken van de Vlaamse invloed. Wie mijn kritiek las op de eerste (september 2010) nota van Di Rupo zal hiervan veel terugvinden in de kritiek van Rondas. Even citeren uit zijn bijdrage onder de titel Het Brussels separatisme: “De inmenging van de Vlaamse Gemeenschap in het dagelijkse leven van de Brusselaar via onderwijs en cultuur zou zelfs de oorzaak zijn van de slechte prestaties van het Franstalige onderwijs. Puur door zijn aanwezigheid in het Brusselse onderwijslandschap zou Vlaanderen de Franstaligen verhinderen zich psychologisch te identificeren met een eigen, stimulerend stadsonderwijsproject (zo luidt de ietwat overtrokken conclusie van een onderzoek van Rethinking Belgium met o.a Van Parijs). (…) Tot nu toe hebben we de staat gestructureerd op basis van een compromis des Belges tussen beide opties. Dit compromis willen de Franstaligen nu ondermijnen en vervolgens opblazen. Daarmee ondergraven ze de hoofdstedelijke functie van de stad Brussel, maar op lange termijn ook het bestaan van hun geliefkoosde staat. Blijkbaar kan ze dat niet schelen. Daarom gaat het hier om separatisme. Het separatisme en zelfs het nationalisme van een middelgrote stadsagglomeratie: splijtzwam van België. Om dit doel te bereiken, zijn de Franstaligen overgegaan tot usurperende maatregelen, zoals de recente eenzijdige beslissing van het Brusselse Gewest om het belangrijke gemeenschapsmonopolie op onderwijsorganisatie in Brussel te doorbreken. Daarmee profileren ze zich als méér dan een volwaardig derde gewest; daarmee maken ze aanspraak op het statuut van een volwaardige derde gemeenschap. Een tweede usurpatiepoging bestaat in het eenzijdig uitroepen van de Fédération Wallonie-Bruxelles. Wat betekent deze Wallo-Brux-federatie? (…) In de Belgische context kan dat alleen betekenen dat zij zich gezamenlijk teweer willen stellen tegen het gevaarlijke fascinosum dat Vlaanderen heet. Samen willen zij het hoofd bieden, ofwel aan een autonomer of soeverein (maar toch nog transfers afdragend) Vlaanderen in een confederaal-Belgische context, ofwel aan de dreiging van een onafhankelijk (en geen transfers meer afdragend) Vlaanderen in de toekomst. Wie dit helemaal niet doorheeft, is de naïeve Johan Vande Lanotte. Na zijn mislukte informatieopdracht kwam hij de Gentse studenten vertellen dat zijn honderd dagen hem toch iets hadden geleerd, namelijk dat de Vlamingen ‘zich een gedacht gingen moeten maken over Brussel'. Later bleek wat hij daarmee bedoelde: de Vlamingen zouden de Vlaamse Gemeenschap in Brussel moeten opgeven. (…) Waarom maakten de Franstaligen zo'n haast met de installatie van hun ongrondwettige federatie, die tijdens de lopende regeringsonderhandelingen de verhouding met de Vlamingen zeker nog meer zou verzuren? Een eerste reden zou kunnen liggen in de omstandigheid dat de Franse Gemeenschap haar eigen onderwijsbevoegdheid in Wallonië en Brussel niet meer aankan, noch financieel, noch inhoudelijk. Door de vlucht vooruit te kiezen en onderwijsbevoegdheden te usurperen, ‘federaliseert' het Brusselse Gewest de kosten die de Franstalige Gemeenschap zelf niet meer kan dragen (wat dus wil zeggen dat Vlaanderen die kosten voor twee derde zal moeten betalen). In dat kader merkt men tegelijkertijd hoe het Vlaams onderwijs in Brussel wel degelijk beroemde tweetaligen aflevert. De school van Lukaku en de klas van Vincent Kompany spreken (Nederlandstalige) boekdelen. De Franstalige bevolking begint zich van haar eigen onderwijs af te keren, en met reden. Men begrijpt heel goed dat de francofonie het Nederlandstalig onderwijs in Brussel uit handen van de Vlaamse Gemeenschap wil nemen om het te vervangen door een zogenaamd ‘veeltalig' onderwijs dat, naar men beweert, veel beter zou scoren – een onbewezen stelling waarin vooral groene Vlaamse politici meegaan. Men weet onderhand wat het aanleren van de tweede taal (Nederlands) in het Brusselse Franstalige onderwijs voorstelt. Een tweede reden waarom er zo'n haast was bij de stichting van de Wallo-Brux-constructie als gemeenschapsvervangend instrument, ligt in de nu wel acuut geworden reorganisatie van het circus der negentien gemeenten. Al jaren waarschuwt Philippe Van Parijs tegen een Vlaams-Waals ‘condominium' van Brussel, als mogelijk resultaat van een compromis tussen Vlamingen en Franstaligen aangaande het beheer van Brussel. Toch is het gemeenschappelijke beheer van de Belgische hoofdstad niet zo'n extreem idee. Integendeel, want de ‘proximité' (subsidiariteit) zou gerespecteerd worden, en de stad zou alleen qua Europese, ecologische, externe mobiliteits- en gemeenschapsmateries bevoegdheden moeten delen met het federale niveau en met de gemeenschappen. Al de rest valt onder de soevereine Brusselse bevoegdheid. Welke hoofdstad in Europa zou daar niet voor tekenen? Jammer genoeg wordt zo'n mogelijke regeling van cobeheer nu al een hele poos door Van Parijs als ‘kolonialisme' gebrandmerkt, zonder dat iemand hem tegenspreekt. Vlaanderen en Wallonië zouden op die manier Brussel ‘koloniseren'. Zou Van Parijs dat echt zelf geloven? Of zou hij bij nader inzien en na vluchtig onderzoek van wat kolonialisme in de wereld echt heeft betekend, toegeven dat hij hier een wel zwaar aangezette retorische truc hanteert? Ik pleit voor het tweede. Wat boezemt de Brusselaars zo'n angst in? Stel dat de negentien gemeenten met hun annexen worden opgeruimd – en dat is nodig, want het Brusselse bestel staat op instorten – dan zou de machtsvermindering aan de kant van deze districtjes gecompenseerd worden door machtsvermeerdering op een hoger echelon, in dit geval de beide gemeenschapscommissies, de Vlaamse en de Franstalige. Vanzelf, en zonder enige wetsherziening of staatshervorming, zou er dus meer macht revolueren naar de vermaledijde Vlaamse Gemeenschap. Dat moet te allen prijze vermeden worden. Dat wil zeggen dat men nog liever de negentien laat aanmodderen dan dat men de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) wil versterken en zo de Vlamingen een groter aandeel in het Brusselse bestuur geven. Naast de al vermelde subnationaliteit is dit het grootste onheil wat Brussel kan overkomen. Maar omdat de Franstaligen ook wel inzien dat er snel schoon schip moet worden gemaakt, bestaat de oplossing van hun dilemma erin de gemeenschappen, en dus zeker de VGC, zo te belasteren dat ze buitenspel worden gezet. En omdat het niet de bedoeling is de Franse Gemeenschap te ontmantelen, heeft de PS de andere Waalse partijen makkelijk zo ver gekregen dat ze die gemeenschap anticiperend een metamorfose hebben gegund in de Wallo-Brux-constructie. Vooraleer de circusbaronnen failliet gaan, moet de Vlaamse Gemeenschap in Brussel gecastreerd worden.”

Onder de titel Geen staatsmanschap maar boerenbedrog fileert professor Vuye het BHV luik minder plastisch dan Rondas maar al even vakkundig. Even meelezen: “ Wat Elio Di Rupo voorstelt is geen zuivere splitsing van B-H-V, maar wel een onzuivere uitbreiding van Brussel. (…) Unisono werd geschreven dat dit een vrij zuivere splitsing is. Dit is juist wanneer men alleen het hoofdstuk over B-H-V leest. De kieskring wordt gesplitst in drie kieskringen: Brussel, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. Het enige onzuivere element is dat de inwoners van de zes Vlaamse randgemeenten ook kunnen stemmen voor de kieskring Brussel, net alsof ze Brusselaars waren. Deze splitsing heeft tot gevolg dat geen enkele Vlaming zal verkozen zijn te Brussel. Maar hier toont Di Rupo zich vrijgevig. Hij vervangt de gecoöpteerde senatoren door gecoöpteerde Kamerleden, zodat de Vlaamse partijen één of meerdere Brusselaars kunnen aanduiden als Kamerlid. Hij noemt dit het corrigeren van "ondervertegenwoordigingen". Tot hier niets dan staatsmanschap en verdiend applaus. Maar wat staat er in de andere hoofdstukken? Wat het gerechtelijk arrondissement betreft volgt Di Rupo ogenschijnlijk het wetsvoorstel-Vandenberghe. Het parket wordt verticaal gesplitst in een parket Halle-Vilvoorde en Brussel. De rechtbanken worden horizontaal gesplitst in eentalige rechtscolleges. Welhaast onschuldig voegt de nota eraan toe dat binnen het gerechtelijk arrondissement B-H-V partijen zich kunnen wenden tot de rechtbank van hun taalkeuze. En voor de randgemeenten zullen er "bijzondere modaliteiten" komen. Wat een prachtige valkuil! Di Rupo wijzigt wezenlijke elementen van de taalwet in gerechtszaken van 1935 en niemand bemerkt het. Voor de burger die dit wenst, wordt Frans de gerechtstaal, net alsof men niet in Vlaanderen woont. In een ander hoofdstuk komt het taalgebruik in de randgemeenten aan bod. Voor een periode van zes jaar verlopen de contacten met de gemeente in het Frans. Na verloop van zes jaar krijgt men een Franstalig schrijven met het verzoek deze periode te verlengen. Dit betekent dat de Franstaligen in de zes Vlaamse randgemeenten nooit een Nederlandstalig contact hebben met hun gemeentebestuur, net alsof ze niet in Vlaanderen wonen. Hoe zit het dan met wat Mangain omschrijft als de "democratisch verkozen burgemeesters"? Een burgemeester wordt niet verkozen, maar benoemd door de gewestregering. Dit is niet alleen in Vlaanderen zo, maar ook in Brussel en Wallonië. In 1988, met de zogenaamde Pacificatiewet, hebben de Franstaligen al verkregen dat de schepenen in de zes randgemeenten rechtstreeks worden verkozen, net als de gemeenteraadsleden. Bovendien bepaalt de Pacificatiewet dat er een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat deze mandatarissen Nederlands kennen. Surrealistischer kan moeilijk: zelfs indien een mandataris kennelijk geen woord Nederlands spreekt, dan wordt hij wettelijk geacht Nederlands te kennen. Dit is het soort van akkoorden uit de tijd van grote staatsmannen als Mark Eyskens en Louis Tobback, twee Leuvense orakels die nu graag de les lezen aan anderen. De enige gemeentemandataris waar de Vlaamse regering nog vat op heeft is de burgemeester. Wat stelt nu de nota-Di Rupo? Indien de Vlaamse regering weigert een burgemeester te benoemen, dan kan deze benoemd worden door het Grondwettelijk Hof. Op deze wijze ontsnapt de benoeming aan de Vlaamse voogdij, net alsof deze gemeenten geen Vlaamse gemeenten zijn.
Een ander hoofdstuk roept een samenwerkingsorgaan tussen gewestregeringen, provincies en gemeenten in het leven, de Brusselse "grootstedelijke gemeenschap" onder meer bevoegd op het vlak van werk, economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit, openbare werken en milieu. Wat er staat, is echter niet wat het is. Door gemeenten te laten toetreden tot dit orgaan wordt ook een culturele samenwerking mogelijk - handig verzwegen in de nota - tussen een Brusselse gemeente en een verfranste gemeente uit de rand. Beide kunnen dan bijvoorbeeld gezamenlijk op Vlaams grondgebied een Franstalige bibliotheek oprichten die subsidies krijgt van de Franse Gemeenschap. Dit zijn extraterritoriale bevoegdheden en dus een doorbreken van het territorialiteitsbeginsel. Zo wordt de Franse Gemeenschap bevoegd in Vlaamse gemeenten, net alsof het Brusselse gemeenten zijn. En wat met de toepassing van de taalwetgeving? Voortaan is niet langer een Nederlandstalige kamer van de Raad van State bevoegd, maar wel het taalparitair samengestelde Grondwettelijk Hof. Subtiel gevonden, maar in de feiten komt dit neer op een afzwakken van de taalwetgeving. Waar de Raad van State steeds heeft gewaakt over het territorialiteitsbeginsel, beoefent het Grondwettelijk Hof, naar de woorden van emeritus voorzitter Paul Martens, een "belgitude juridictionnelle". Ruim geïnterpreteerde faciliteiten neigen naar tweetaligheid, net alsof deze gemeenten Brusselse gemeenten zijn. Als toetje maakt de nota ook het Brusselse en het Waalse Gewest bevoegd voor de ring rond Brussel. Ook dit zijn extraterritoriale bevoegdheden. En de kers op de taart is dat 10 Kamerleden verkozen worden in een federale kieskring, zodat men van Oostende tot Hasselt kan stemmen voor Franstalige kandidaten. Is dit groot staatsmanschap? Of is dit boerenbedrog? Wat Di Rupo voorstelt is geen zuivere splitsing van B-H-V, maar wel een onzuivere uitbreiding van Brussel.

Tot zover Vuye en Rondas. Hoe komt het dat journalisten van kwaliteitskranten – met uitzondering van Guy Tegenbos - deze bedenkingen niet zelf neerschreven en zo een ‘objectiever bijdrage’ leverden dan het oppervlakkig gemompel. Kunnen ze of willen ze het niet?

Wouter Van Besien (DS 11/07) : goed geprobeerd! Neen, Di Rupo viseert niet de gemiddelde Vlaming maar wel de A6 rijdende Belg met een welgevuld spaarboekje. Even kalm blijven. Ik behoor niet tot deze categorie en voel mij niet geroepen om hen te verdedigen, maar door één maatregeltje uit de formateursnota te halen, dat overigens nauwelijks iets zal opbrengen, poogt hij de globale Vlaamsgezinde kritiek onderuit te halen. TV en kranten sprongen erop zonder eenenkele kritische bedenking. Overigens, mochten al die zogezegde rijke Vlamingen er niet zijn, dan zou Wouter Van Besien de sociale zekerheid waar hij zoveel belang aan hecht mogen opdoeken. Dat hij vergeet dat dit geld door arbeid werd verdiend en daarop reeds belasting werd geheven kan de sympathieke Groen! voorzitter en Links in het algemeen, nauwelijks te deren. Kortzichtigheid troef.

Kris Peeters! Als er één reactie verdiende om de voorpagina te halen – quid non – dan wel zijn eis om de formateursnota te herschrijven. Schitterend door eenvoud en duidelijkheid. Want laten we wel wezen: mochten de echt Vlaamse partijen (niet Open VLD en SP.A) aan de tafel gaan zitten op basis van dergelijke onaanvaardbare eisen, dan verliezen ze altijd. Ik denk immers dat Di Rupo met zijn nota niet alleen N-VA eraf wilde rijden maar zoveel bijkomende eisen stelde om dan tijdens de gesprekken enkele te laten vallen en zo de Vlaamse partijen de kans te geven om naar hun electoraat toe te pogen een overwinning te claimen. De Franstaligen zullen heel bereidwillig deze toegevingen breed uitsmeren in de medeplichtige Nederlandstalige media en binnenskamers meesmuilen om zoveel domheid van Alexander De Croo en Co.

Di Rupo. Waarom zou hij premier moeten worden nu blijkt dat hij toch geen prijs wil betalen voor de Zestien? Hij spreekt niet eens de taal van de meerderheid en heeft op geen enkel manier blijk gegeven van onpartijdigheid.

Maar goed, waarom zou Di Rupo geen premier van België kunnen zijn, als Noord Korea de ontwapeningsconferentie van de Verenigde Naties mag voorzitten?

Pjotr
Anders Gelezen