Splitsing België
In dS (22 oktober) schrijft emeritus hoogleraar Luc Huyse een opiniebijdrage onder de titel ‘Geen reden tot paniek’. Hij erkent dat politieke instellingen niet eeuwig zijn en dat een splitsing van België als alternatief kan. Maar volgens hem zijn de voorwaarden voor een splitsing niet vervuld, te weten: (1) er is geen duidelijke meerderheid, (2) er is geen nuchtere analyse waaruit blijkt dat er meer winst dan verlies zal zijn en (3) er is geen blauwdruk van hoe dat onafhankelijk Vlaanderen er politiek, sociaal en cultureel moet gaan uitzien. Laten we nu even de wenselijkheid of niet buiten beschouwing, en beoordelen we de argumenten op hun waarde.
Het klopt dat er momenteel geen meerderheid is in Vlaanderen, net zoals er geen was toen België ontstond. Bizar dat een academicus die de geschiedenis toch kent, zich beroept op dit argument. Alle specialisten zeggen dat men met de resultaten van de recente bevragingen heel voorzichtig moet zijn. Ze zeggen dikwijls meer over wie de vragen stelt (de keuze van de vragen is cruciaal) dan over de antwoorden. Dikwijls ontbreekt nuance, zijn de vragen tendentieus en soms zijn de ondervraagden niet representatief. Daar tegenover staat dat de laatste verkiezingsresultaten aangeven dat het Belgisch huis alvast niet goed in de Vlaamse markt ligt, want 75 % wil het grondig verbouwen terwijl in Wallonië 75 % slechts een nieuwe laag verf wil betalen.
Het tweede argument, dat we niet weten of er meer winst dan verlies zal zijn, is een beetje ‘tricky’, bedrieglijk. Weet hij dan niet dat zelfs academici geen waterdichte prognoses kunnen maken? Niet op korte en al helemaal niet op middellange of lange termijn. Geen mens die hierop een zinnig antwoord kan geven zolang het niet uitgeprobeerd wordt. Wat we wel kunnen zeggen is dat er zeer waarschijnlijk veel minder energie zal verloren gaan in geschillen met onze buurlanden dan actueel in de voortdurende politieke ruzie met onze landgenoten. Dat het verdwijnen van het federale immobilisme op zich al een grote (vooral maatschappelijke) winst zal opleveren. Hoe zit het met de efficiëntiewinst van een staat waar men slecht één taal spreekt? Was dat indertijd niet hét argument waarom België ééntalig Frans diende te worden? Hoe plakt men een prijs op de lange lijst van zowel voor- als nadelen van een splitsing?
Tenslotte zou hij graag vooraf weten hoe Vlaanderen er politiek, sociaal en cultureel moet uitzien. Dat lijkt verdacht veel op een onredelijke eis van een erkend socialist die alleen in een onafhankelijk Vlaanderen wil leven indien de politieke toekomst ervan overeenstemt met de eigen links progressieve maatschappijvisie. Ergo, hij liever blijft bij het België waar de Parti Socialiste de plak zwaait en waar hij en zijn kompanen zich wel thuis voelen. Vlaanderen zal socialistisch zijn, of niet - la Belgique sera francophone ou pas?
Wallonië krijgt 495 miljoen minder
Dat zou volgens bolleboos Frank Vandenbroucke het verlies zijn dat Wallonië zou lijden door het voorstel van koninklijke verduidelijker Bart De Wever die er wel bij schreef dat dit verlies althans in het begin moet gecompenseerd worden door de federale solidariteit. De grote winnaars zouden Vlaanderen en Brussel zijn die meer krijgen. Vandenbroucke mag dan wel sterk zijn in cijfers, politiek is zijn bewering gebaseerd op een kromredenering. Hij weegt de bedragen af uitgaande van een scheefgetrokken financiering die hij behoudt in zijn evaluatie. Terwijl het omgekeerde ook kan en mag gezegd worden, namelijk dat Wallonië sinds decennia, 495 miljoen euro teveel krijgt en Vlaanderen en Brussel in diezelfde periode te weinig. Want daar gaat het toch om, wanneer men spreekt over politieke responsabilisering? De balans op termijn in evenwicht brengen, beginnend met de tering naar de nering te zetten in elke regio? Dat er compensaties ingebouwd worden tot op zeker hoogte is aanvaardbaar, maar een beperkte verarming is niet uit te sluiten omdat er anders gewoon geen sprake is van een responsabilisering. Vandenbroucke wil eigenlijk dat alles financierbaar blijft zonder dat de scheeftrekking aan de inkomstenzijde wordt aangepakt. Is dat correct? Toch wel tijd dat iedereen aan Vlaamse kant inziet dat zonder een financiële uitdaging om beter te doen er in links Wallonië nooit iets zal veranderen.
Ter informatie, de inkomsten van België uit de personenbelasting 2008: Vlaams gewest: 22,52 miljard euro; Wallonië + oostkantons: 10,11 miljard euro en Brussel: 3,028 miljard euro. Dat Brussel 20 % van het BBP genereert maar nauwelijks goed is voor 8 % van de belastinginkomsten (voor 10 % van de bevolking) bewijst alleen maar dat onder meer (er zijn meerdere redenen) de rijken er verhoudingsgewijs veel minder belastingen betalen dan de hardwerkende (vooral Vlaamse) middenklasse die niet kan genieten van dezelfde fiscale voordelen. Een Vlaamse ondernemer die zijn maatschappelijke zetel in Brussel had en zich geviseerd voelde week uit naar ... Charleroi! Was deloyale concurrentie geen van de criteria voor de financieringswet? Dan toch naar de vennootschapsbelastingen regionaliseren om de reeds bestaande deloyale concurrentie tegen te gaan?
Splitisng van BHV in de Kamer is onmogelijk en elke poging zinloos
CD&V blijft radicaal voor een snelle splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, maar dan wel via een onderhandelde oplossing.
Nu alle traditionele Vlaamse partijen geen stemming willen omdat deze procedure zinloos is en niet kan leiden tot een effectieve splitsing, is het tijd om de kromredenering door te prikken die aan de basis ligt van deze politieke beslissing.
Vanuit een Belgischgezinde invalshoek is het blijkbaar normaal dat de Vlaamse belangen ondergeschikt zijn aan het Belgisch belang – daarom is enkel een onderhandelde oplossing mogelijk - maar tegelijk en zonder verpinken aanvaarden diezelfde Vlamingen dat het Belgisch belang – zijnde een goed functionerende parlementaire democratie – opgeofferd wordt aan het Franstalig belang – zijnde de negatie van een parlementaire meerderheid. Raar toch?
Het wordt helemaal moeilijk om volgen wanneer vanuit dezelfde invalshoek ook nog beweerd wordt dat dit België, waar het Franstalig belang primeert, een meerwaarde heeft voor Vlaanderen. Dat blijkt alvast niet uit dit dossier.
Pjotr
27 oktober 2010
21 oktober 2010
Pleidooi voor een andere logica
ANDERS GELEZEN
Alle voorbije communautaire onderhandelingen gingen uit van het axioma dat België een meerwaarde biedt en dus zoveel mogelijk moet behouden blijven. Daarom zitten tijdens institutionele onderhandelingen, ook de huidige, telkens één vragende partij tegenover een andere voor wie niets hoeft te veranderen. Het laat zich raden wat de uitkomst was en zal zijn van dergelijke onderhandeling. De partij, demandeur de rien, bepaalt het ritme, het resultaat en de te betalen prijs. Helaas of mag ik zeggen gelukkig, is er nu geen geld meer en komt er ruimte voor een andere logica.
Het wordt tijd dat Vlaanderen het axioma van een Belgische meerwaarde in vraag stelt of ten minste de logica die aan de basis ervan ligt omkeert. Dat België slechts het product is van de meerwaarde die door de deelstaten – al of niet – wordt gegenereerd. Vanuit deze invalshoek zijn andere onderhandelingen mogelijk dan deze die nu gevoerd worden. De vraag is niet meer wat België mag vragen aan de deelstaten maar wat de deelstaten mogen verwachten van België. Pas dan zijn onderhandelingen mogelijk waar beide partijen belang hebben bij veranderingen; het wit blad waarop elke partij een positief verhaal mag schrijven, uitgaande van hun eigen deelstatenbeleid. In de wetenschap dat goed functionerende onderdelen ook de beste garantie vormen voor het geheel. Of kan iemand zich inbeelden dat België slechter wordt wanneer Vlaanderen goed presteert? Kan iemand zich inbeelden dat België er beter van wordt als Brussel en Wallonië blijvend achterophinken?
Het is duidelijk dat vanaf nu de onderhandelingen moeten gaan over de vraag wat wij, Vlamingen en Franstaligen beter samen doen op confederaal niveau. De invulling van art 35 van de grondwet moet echter voldoen aan twee essentiële voorafgaandelijk af te toetsen voorwaarden, namelijk over wat beide gemeenschappen willen én wat ze beter kunnen samen doen.
De bereidheid om dingen samen te doen is afhankelijk van de maatschappelijke cohesie. Hierin speelt de erkenning van mekaars cultuur, taal en grondgebied een belangrijke rol. Pas wanneer beide partijen zich gerespecteerd weten en hun territorium niet in vraag gesteld wordt, zal er ook een voldoende wil zijn om samen te werken. Dat houdt ook in dat de Brusselaars erkennen dat ze naast het cultiveren van een eigen (?) identiteit, als hoofdstad eveneens verantwoording schuldig zijn aan de gemeenschappen. Zoniet dient Brussel deze functie te weigeren en kan het zijn eigen weg gaan.
De tweede vraag of deze al bij al kleine schaalvergroting ook voordelen oplevert is geen eenvoudige vraag. Maar er is wel een minimum zonder hetwelke een efficiënt gemeenschappelijk beleid onmogelijk is, te weten, éénzelfde visie over het beleidsdomein. Hierin speelt vooral de tegenstelling tussen een links progressief en een rechts conservatief beleid een grote rol en is het toeval of niet, maar ook deze breuklijn loopt gelijk met de culturele breuklijn tussen Noord en Zuid. Dat is wellicht de grootste moeilijkheid voor een coherente samenwerking.
Waarom zijn de Franstaligen bang voor de invulling van art 35 van de grondwet? Waarom kan niet elke gemeenschap en gewest zijn eigen beleid voeren en vanuit een welbegrepen eigenbelang samenwerken met de andere als daar een voordeel bij is? Het antwoord op deze vraag is dat Franstalig België bang is wanneer het Vlaanderen niet meer aan de ketting kan leggen via het federaal immobilisme. Dat, om het met de woorden van Di Rupo te zeggen, wij niets te zeggen hebben in Wallonië (en Brussel zoals duidelijk bleek uit zijn ultiem voorstel) ook omgekeerd geldt en de Franstaligen zich niet meer te moeien hebben met Vlaanderen. Met andere woorden, een confederale staat waarin, met behoud van een draaglijke interpersonele solidariteit, de deelstaten volledig zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen beleid.
Ondertussen slepen de discussies aan en beseft iedereen dat deze onderhandelingen heilloos zijn en de kloof slechts kunnen verdiepen. Alleen blijken de media en de traditionele politieke tenoren vastbesloten om op dezelfde weg voort te gaan, met als ultieme boodschap dat er nog nooit zoveel op tafel heeft gelegen en De Wever deze kans niet mag laten liggen. Met zijn voorstel heeft De Wever niet alleen zijn nek uitgestoken maar ook de kans gemist om een andere onderhandelingsmethode voor te stellen die breekt met de logica van het typisch Belgisch compromis. Hier komt Vlaanderen nauwelijks beter uit.
In een ander België zal de kracht niet liggen in opgesplitste beleidsonderdelen maar in de samenvoeging van de capaciteiten van de gewesten en gemeenschappen om datgene te doen wat goed is voor henzelf en dus ook goed is voor België. Hoog tijd dat ook de conservatieve Belgischgezinde politici en opiniemakers inzien dat de meerwaarde van België geen axioma is. Integendeel, dat de beurswaarde van België afhankelijk is van de solidariteit en de socio-economische slagkracht van de deelstaten – of het gebrek eraan. Alleen dan kan een ander België nog een bestaansreden hebben.
Tijd voor een bezinningsperiode desnoods gevolgd door verkiezingen waarvan de inzet alvast duidelijk is: de erkenning en versterking van de Vlaamse meerwaarde, zowel cultureel, maatschappelijk als economisch.
Pjotr
Alle voorbije communautaire onderhandelingen gingen uit van het axioma dat België een meerwaarde biedt en dus zoveel mogelijk moet behouden blijven. Daarom zitten tijdens institutionele onderhandelingen, ook de huidige, telkens één vragende partij tegenover een andere voor wie niets hoeft te veranderen. Het laat zich raden wat de uitkomst was en zal zijn van dergelijke onderhandeling. De partij, demandeur de rien, bepaalt het ritme, het resultaat en de te betalen prijs. Helaas of mag ik zeggen gelukkig, is er nu geen geld meer en komt er ruimte voor een andere logica.
Het wordt tijd dat Vlaanderen het axioma van een Belgische meerwaarde in vraag stelt of ten minste de logica die aan de basis ervan ligt omkeert. Dat België slechts het product is van de meerwaarde die door de deelstaten – al of niet – wordt gegenereerd. Vanuit deze invalshoek zijn andere onderhandelingen mogelijk dan deze die nu gevoerd worden. De vraag is niet meer wat België mag vragen aan de deelstaten maar wat de deelstaten mogen verwachten van België. Pas dan zijn onderhandelingen mogelijk waar beide partijen belang hebben bij veranderingen; het wit blad waarop elke partij een positief verhaal mag schrijven, uitgaande van hun eigen deelstatenbeleid. In de wetenschap dat goed functionerende onderdelen ook de beste garantie vormen voor het geheel. Of kan iemand zich inbeelden dat België slechter wordt wanneer Vlaanderen goed presteert? Kan iemand zich inbeelden dat België er beter van wordt als Brussel en Wallonië blijvend achterophinken?
Het is duidelijk dat vanaf nu de onderhandelingen moeten gaan over de vraag wat wij, Vlamingen en Franstaligen beter samen doen op confederaal niveau. De invulling van art 35 van de grondwet moet echter voldoen aan twee essentiële voorafgaandelijk af te toetsen voorwaarden, namelijk over wat beide gemeenschappen willen én wat ze beter kunnen samen doen.
De bereidheid om dingen samen te doen is afhankelijk van de maatschappelijke cohesie. Hierin speelt de erkenning van mekaars cultuur, taal en grondgebied een belangrijke rol. Pas wanneer beide partijen zich gerespecteerd weten en hun territorium niet in vraag gesteld wordt, zal er ook een voldoende wil zijn om samen te werken. Dat houdt ook in dat de Brusselaars erkennen dat ze naast het cultiveren van een eigen (?) identiteit, als hoofdstad eveneens verantwoording schuldig zijn aan de gemeenschappen. Zoniet dient Brussel deze functie te weigeren en kan het zijn eigen weg gaan.
De tweede vraag of deze al bij al kleine schaalvergroting ook voordelen oplevert is geen eenvoudige vraag. Maar er is wel een minimum zonder hetwelke een efficiënt gemeenschappelijk beleid onmogelijk is, te weten, éénzelfde visie over het beleidsdomein. Hierin speelt vooral de tegenstelling tussen een links progressief en een rechts conservatief beleid een grote rol en is het toeval of niet, maar ook deze breuklijn loopt gelijk met de culturele breuklijn tussen Noord en Zuid. Dat is wellicht de grootste moeilijkheid voor een coherente samenwerking.
Waarom zijn de Franstaligen bang voor de invulling van art 35 van de grondwet? Waarom kan niet elke gemeenschap en gewest zijn eigen beleid voeren en vanuit een welbegrepen eigenbelang samenwerken met de andere als daar een voordeel bij is? Het antwoord op deze vraag is dat Franstalig België bang is wanneer het Vlaanderen niet meer aan de ketting kan leggen via het federaal immobilisme. Dat, om het met de woorden van Di Rupo te zeggen, wij niets te zeggen hebben in Wallonië (en Brussel zoals duidelijk bleek uit zijn ultiem voorstel) ook omgekeerd geldt en de Franstaligen zich niet meer te moeien hebben met Vlaanderen. Met andere woorden, een confederale staat waarin, met behoud van een draaglijke interpersonele solidariteit, de deelstaten volledig zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen beleid.
Ondertussen slepen de discussies aan en beseft iedereen dat deze onderhandelingen heilloos zijn en de kloof slechts kunnen verdiepen. Alleen blijken de media en de traditionele politieke tenoren vastbesloten om op dezelfde weg voort te gaan, met als ultieme boodschap dat er nog nooit zoveel op tafel heeft gelegen en De Wever deze kans niet mag laten liggen. Met zijn voorstel heeft De Wever niet alleen zijn nek uitgestoken maar ook de kans gemist om een andere onderhandelingsmethode voor te stellen die breekt met de logica van het typisch Belgisch compromis. Hier komt Vlaanderen nauwelijks beter uit.
In een ander België zal de kracht niet liggen in opgesplitste beleidsonderdelen maar in de samenvoeging van de capaciteiten van de gewesten en gemeenschappen om datgene te doen wat goed is voor henzelf en dus ook goed is voor België. Hoog tijd dat ook de conservatieve Belgischgezinde politici en opiniemakers inzien dat de meerwaarde van België geen axioma is. Integendeel, dat de beurswaarde van België afhankelijk is van de solidariteit en de socio-economische slagkracht van de deelstaten – of het gebrek eraan. Alleen dan kan een ander België nog een bestaansreden hebben.
Tijd voor een bezinningsperiode desnoods gevolgd door verkiezingen waarvan de inzet alvast duidelijk is: de erkenning en versterking van de Vlaamse meerwaarde, zowel cultureel, maatschappelijk als economisch.
Pjotr
19 oktober 2010
Met het vallen van de bladeren
ANDERS GELEZEN
Even recapituleren.
België was een unitaire staat. De Belgische politieke partijen werden opgesplitst in Vlaamse en Franstalige partijen omdat ze binnen dezelfde politieke familie niet meer overeen kwamen. Het Belgisch maatschappelijk weefsel verkruimelde naarmate het democratischer werd. België werd van lieverlede een federale staat, afgekocht met Vlaams geld. Vlaamse en Franstalige politici verdeelden steeds meer het land, zowel de geesten als de harten. Maar de staatsmannen vertikten het om de beide gemeenschappen een kans te geven om zelf een verantwoord beleid te voeren in plaats van het met spuugsel bijeengehouden restant België. Politiek werd de parlementaire democratie vergrendeld om toch een soort van godsvrede mogelijk te maken. Leterme wint de verkiezingen van 2007 op basis van een communautair programma. De Franstalige minderheid gijzelt de Vlaamse parlementaire meerderheid naar aanleiding van het wetsvoorstel tot splitsing van BHV. De Franstaligen grijpen elke gelegenheid aan om Yves Leterme te verketteren. De Vlaamse media spelen het spelletje graag mee. NON is het antwoord op de bescheiden vragen voor meer zeggenschap van de gewesten en gemeenschappen. Leterme verklaart dat de grenzen van de federale logica bereikt zijn. De federale regering ligt op apegapen, wordt gereanimeerd, doet alsof ze regeert, rustige vastheid is het enige waartoe opvolger Herman Van Rompuy nog in staat is. Ondertussen blijven de Vlaamse solidariteitsstromen welkom; de énige bewegende componente van het federale beleid. Justitie kraakt onder de slechte werking. De buitenlanders blijven welkom ook al is er geen plaats meer. De smeerolie voor een nieuw rondje compromitterende compromissen is op. De Wever wint de verkiezingen van 2010 op basis van een communautair programma. De Franstaligen grijpen elke gelegenheid aan om De Wever als nazi en ander fraais te demoniseren. De Wever doet een voorstel waarop de Franstaligen eerst NON zeggen maar dan wel weer willen over onderhandelen. De Koning is aan zijn zoveelste reanimatiepoging bezig. We zijn 18 oktober 2010, 127 dagen na de verkiezingen. Geen enkele partij wil nieuwe verkiezingen.
In dS (18/10) maakt Dave Sinardet een correcte analyse. Het voorstel dat nu op tafel ligt is niet wat België nodig heeft, maar enkel wat N-VA aan Vlaamse kant wil. Hetzelfde geldt voor wat de PS aan Waalse kant wil, de vrijwaring van de politieke en financiële belangen van Wallonië en Brussel. Zijn conclusie: citaat, die onderhandelingen kwamen altijd al neer op een strijd tussen Vlaamse en Franstalige belangen. Hij waagt het zelfs om de schuld te leggen bij de loodgieters van weleer. Zij hebben N-VA groot gemaakt. Tot zover de correcte analyse. Wat daarna volgt is het zoveelste pleidooi van een PAVIA adept voor méér België.
Anders gelezen? Opmerkelijk is dat Sinardet toegeeft dat de onderhandelingen altijd gaan om Vlaamse versus Franstalige belangen. Blijkbaar heeft hij ingezien dat het Belgisch algemeen belang niet bestaat, want al té dikwijls in tegenspraak met het Vlaamse of Franstalige belang. Dat belet hem niet om als PAVIA adept, net zoals zijn collega adept Kris Deschouwer (dS 19/10) te blijven beweren dat de communautaire problemen voor de mensen niet zo belangrijk zijn. Meer zelfs, het communautaire is zelfs geen belangrijk verkiezingsthema. Maar de studie waaruit dat moet blijken en waar ik een jaar geleden al naar vroeg blijkt nog altijd niet beschikbaar te zijn en dus moeten wij een groep academici met een politieke doelstelling zomaar geloven? Het zou interessant zijn om alleen al eens te mogen weten welke vragen wel en welke niet gesteld werden. Was het niet hoogleraar Carl Devos die bekende dat het academisch milieu nog meer hypocriet is dan de politiek? Zouden deze heren academici in het vervolg hun bijdragen in de dS willen ondertekenen met ‘lid van de PAVIA groep die ijvert voor méér België’. Dat zou alvast getuigen van intellectuele eerlijkheid.
In dS (15/10) pleit Bruno De Wever, historicus aan de UGent in het kader van de denktank Rethinking Belgium, voor het Engels als lingua franca voor het federale België. Ook al geeft hij toe dat het lang zal duren voor zoiets kan, toch vindt hij het een mogelijkheid om het (oudgriekse) polis, zeg maar gemeenschappelijkheid, het natie-gevoel te herstellen. Net zoals de PAVIA groep heeft deze academische groep ‘Rethinking Belgium’ een politieke doelstelling: in te gaan tegen de roep naar regionale zelfstandigheid door de Belgische natie-staat te reanimeren.
Anders gelezen? Het lijkt inderdaad maar een theoretische poging om te pleiten voor het voortbestaan van België. Een lovenswaardig alternatief, daar niet van, maar helaas gaat historicus Bruno - broer van Bart - De Wever voorbij aan de andere waardevolle dimensie van een taal, namelijk de taal als drager van een cultuur. Wat zou Vlaanderen zijn zonder zijn eigen taal? Wat zouden andere naties zijn zonder hun eigen taal (en een grondgebied waar ze thuis zijn)? Hoe kan een historicus voorbijgaan aan het belang van de moedertaal als één van de belangrijkste sociale bindmiddelen van een gemeenschap? Maar ook voor wie geen boodschap heeft aan het culturele aspect van de taal, geeft de historicus geen antwoord op de vraag waarom Franstaligen en Vlamingen wél zouden overeenkomen als ze Engels spreken? Misschien kan de denktank Rethinking Belgium in zijn taal – het Engels – hierover uitsluitsel geven in een volgende academische ‘paper’?
De Brusselse identiteit is een fabel.
De recente catastrofale cijfers over armoede, vooral in Brussel met zijn torenhoge jeugdwerkloosheid, waren het zoveelste signaal dat de federale sponsor en het Brussels beleid niet opgewassen zijn tegen de hedendaagse uitdagingen. Brussel, dat pronkt met het hoogste bruto binnenlands product maar minder bijdraagt tot de fiscale inkomsten dan het gemiddelde per capita en nog veel belangrijker er niet in slaagt om de armoede te doen krimpen, bewijst door deze schizofrene toestand dat het géén eigen identiteit heeft. Immers als er één stadsgewest is in België waar het verschil tussen rijk en arm zo groot is en de onderlinge solidariteit zo klein, dan wel Brussel. Dat de Franstalige politici solidariteit verwachten van buitenuit terwijl ze tegelijk binnen de eigen grenzen van het hoofdstedelijk gewest toelaten dat de welstellende baronieën er alles aan doen om de problemen (van de arme gemeenten) buiten hun grenzen te houden, is ronduit hypocriet en asociaal op de koop toe.
In Knack (13/10) schrijft Elke Roex, SP.A fractieleider in het Brussels parlement, dat Actiris - de Brusselse tegenhanger van de VDAB - over evenveel geld als de VDAB beschikt om werklozen te begeleiden. Alleen heeft de VDAB vier keer meer consulenten om de werklozen te begeleiden en geeft Actiris zijn geld liever uit aan gesubsidieerde jobs die het cadeau doet aan bevriende gemeentebesturen en dito vzw’s.
Misschien moeten de Vlamingen zich bij deze Brusselse regionale eigenheid toch eens vragen stellen. Zou Brussel dan niet beter zijn eigen boontjes doppen, zonder onderscheid van taal en cultuur, zoals het hoort in een stadgewest dat zijn eigen identiteit belangrijker vindt dan zijn functie als hoofdstad. Mocht Vlaanderen dezelfde maatstaf gebruiken voor haar solidariteit dan Sint-Lambrecht-Woluwe (burgemeester Olivier Mangain) ten overstaan van Sint-Jans-Molenbeek (burgemeester Philippe Moureaux), zou de bijdrage heel wat lager liggen dan actueel wordt geëist.
De sterren blinken,
rijk bij dag en arm bij nacht,
Brussel bestaat echt.
Pjotr
Even recapituleren.
België was een unitaire staat. De Belgische politieke partijen werden opgesplitst in Vlaamse en Franstalige partijen omdat ze binnen dezelfde politieke familie niet meer overeen kwamen. Het Belgisch maatschappelijk weefsel verkruimelde naarmate het democratischer werd. België werd van lieverlede een federale staat, afgekocht met Vlaams geld. Vlaamse en Franstalige politici verdeelden steeds meer het land, zowel de geesten als de harten. Maar de staatsmannen vertikten het om de beide gemeenschappen een kans te geven om zelf een verantwoord beleid te voeren in plaats van het met spuugsel bijeengehouden restant België. Politiek werd de parlementaire democratie vergrendeld om toch een soort van godsvrede mogelijk te maken. Leterme wint de verkiezingen van 2007 op basis van een communautair programma. De Franstalige minderheid gijzelt de Vlaamse parlementaire meerderheid naar aanleiding van het wetsvoorstel tot splitsing van BHV. De Franstaligen grijpen elke gelegenheid aan om Yves Leterme te verketteren. De Vlaamse media spelen het spelletje graag mee. NON is het antwoord op de bescheiden vragen voor meer zeggenschap van de gewesten en gemeenschappen. Leterme verklaart dat de grenzen van de federale logica bereikt zijn. De federale regering ligt op apegapen, wordt gereanimeerd, doet alsof ze regeert, rustige vastheid is het enige waartoe opvolger Herman Van Rompuy nog in staat is. Ondertussen blijven de Vlaamse solidariteitsstromen welkom; de énige bewegende componente van het federale beleid. Justitie kraakt onder de slechte werking. De buitenlanders blijven welkom ook al is er geen plaats meer. De smeerolie voor een nieuw rondje compromitterende compromissen is op. De Wever wint de verkiezingen van 2010 op basis van een communautair programma. De Franstaligen grijpen elke gelegenheid aan om De Wever als nazi en ander fraais te demoniseren. De Wever doet een voorstel waarop de Franstaligen eerst NON zeggen maar dan wel weer willen over onderhandelen. De Koning is aan zijn zoveelste reanimatiepoging bezig. We zijn 18 oktober 2010, 127 dagen na de verkiezingen. Geen enkele partij wil nieuwe verkiezingen.
In dS (18/10) maakt Dave Sinardet een correcte analyse. Het voorstel dat nu op tafel ligt is niet wat België nodig heeft, maar enkel wat N-VA aan Vlaamse kant wil. Hetzelfde geldt voor wat de PS aan Waalse kant wil, de vrijwaring van de politieke en financiële belangen van Wallonië en Brussel. Zijn conclusie: citaat, die onderhandelingen kwamen altijd al neer op een strijd tussen Vlaamse en Franstalige belangen. Hij waagt het zelfs om de schuld te leggen bij de loodgieters van weleer. Zij hebben N-VA groot gemaakt. Tot zover de correcte analyse. Wat daarna volgt is het zoveelste pleidooi van een PAVIA adept voor méér België.
Anders gelezen? Opmerkelijk is dat Sinardet toegeeft dat de onderhandelingen altijd gaan om Vlaamse versus Franstalige belangen. Blijkbaar heeft hij ingezien dat het Belgisch algemeen belang niet bestaat, want al té dikwijls in tegenspraak met het Vlaamse of Franstalige belang. Dat belet hem niet om als PAVIA adept, net zoals zijn collega adept Kris Deschouwer (dS 19/10) te blijven beweren dat de communautaire problemen voor de mensen niet zo belangrijk zijn. Meer zelfs, het communautaire is zelfs geen belangrijk verkiezingsthema. Maar de studie waaruit dat moet blijken en waar ik een jaar geleden al naar vroeg blijkt nog altijd niet beschikbaar te zijn en dus moeten wij een groep academici met een politieke doelstelling zomaar geloven? Het zou interessant zijn om alleen al eens te mogen weten welke vragen wel en welke niet gesteld werden. Was het niet hoogleraar Carl Devos die bekende dat het academisch milieu nog meer hypocriet is dan de politiek? Zouden deze heren academici in het vervolg hun bijdragen in de dS willen ondertekenen met ‘lid van de PAVIA groep die ijvert voor méér België’. Dat zou alvast getuigen van intellectuele eerlijkheid.
In dS (15/10) pleit Bruno De Wever, historicus aan de UGent in het kader van de denktank Rethinking Belgium, voor het Engels als lingua franca voor het federale België. Ook al geeft hij toe dat het lang zal duren voor zoiets kan, toch vindt hij het een mogelijkheid om het (oudgriekse) polis, zeg maar gemeenschappelijkheid, het natie-gevoel te herstellen. Net zoals de PAVIA groep heeft deze academische groep ‘Rethinking Belgium’ een politieke doelstelling: in te gaan tegen de roep naar regionale zelfstandigheid door de Belgische natie-staat te reanimeren.
Anders gelezen? Het lijkt inderdaad maar een theoretische poging om te pleiten voor het voortbestaan van België. Een lovenswaardig alternatief, daar niet van, maar helaas gaat historicus Bruno - broer van Bart - De Wever voorbij aan de andere waardevolle dimensie van een taal, namelijk de taal als drager van een cultuur. Wat zou Vlaanderen zijn zonder zijn eigen taal? Wat zouden andere naties zijn zonder hun eigen taal (en een grondgebied waar ze thuis zijn)? Hoe kan een historicus voorbijgaan aan het belang van de moedertaal als één van de belangrijkste sociale bindmiddelen van een gemeenschap? Maar ook voor wie geen boodschap heeft aan het culturele aspect van de taal, geeft de historicus geen antwoord op de vraag waarom Franstaligen en Vlamingen wél zouden overeenkomen als ze Engels spreken? Misschien kan de denktank Rethinking Belgium in zijn taal – het Engels – hierover uitsluitsel geven in een volgende academische ‘paper’?
De Brusselse identiteit is een fabel.
De recente catastrofale cijfers over armoede, vooral in Brussel met zijn torenhoge jeugdwerkloosheid, waren het zoveelste signaal dat de federale sponsor en het Brussels beleid niet opgewassen zijn tegen de hedendaagse uitdagingen. Brussel, dat pronkt met het hoogste bruto binnenlands product maar minder bijdraagt tot de fiscale inkomsten dan het gemiddelde per capita en nog veel belangrijker er niet in slaagt om de armoede te doen krimpen, bewijst door deze schizofrene toestand dat het géén eigen identiteit heeft. Immers als er één stadsgewest is in België waar het verschil tussen rijk en arm zo groot is en de onderlinge solidariteit zo klein, dan wel Brussel. Dat de Franstalige politici solidariteit verwachten van buitenuit terwijl ze tegelijk binnen de eigen grenzen van het hoofdstedelijk gewest toelaten dat de welstellende baronieën er alles aan doen om de problemen (van de arme gemeenten) buiten hun grenzen te houden, is ronduit hypocriet en asociaal op de koop toe.
In Knack (13/10) schrijft Elke Roex, SP.A fractieleider in het Brussels parlement, dat Actiris - de Brusselse tegenhanger van de VDAB - over evenveel geld als de VDAB beschikt om werklozen te begeleiden. Alleen heeft de VDAB vier keer meer consulenten om de werklozen te begeleiden en geeft Actiris zijn geld liever uit aan gesubsidieerde jobs die het cadeau doet aan bevriende gemeentebesturen en dito vzw’s.
Misschien moeten de Vlamingen zich bij deze Brusselse regionale eigenheid toch eens vragen stellen. Zou Brussel dan niet beter zijn eigen boontjes doppen, zonder onderscheid van taal en cultuur, zoals het hoort in een stadgewest dat zijn eigen identiteit belangrijker vindt dan zijn functie als hoofdstad. Mocht Vlaanderen dezelfde maatstaf gebruiken voor haar solidariteit dan Sint-Lambrecht-Woluwe (burgemeester Olivier Mangain) ten overstaan van Sint-Jans-Molenbeek (burgemeester Philippe Moureaux), zou de bijdrage heel wat lager liggen dan actueel wordt geëist.
De sterren blinken,
rijk bij dag en arm bij nacht,
Brussel bestaat echt.
Pjotr
12 oktober 2010
Een nieuw krantenperspectief?
ANDERS GELEZEN
Is het gezichtsbedrog of is dS sinds het vertrek van Peter Vandermeersch als hoofdredacteur, inderdaad aan het vervellen? Of zijn het de lezers die met hun stem voor Vlaanderen in juni 2010 het signaal hebben gegeven dat ze ook belang hechten aan een Vlaamse invalshoek wanneer men bericht over de politieke en maatschappelijke uitdagingen?
Peter Vandermeersch, nu NRC Handelsblad, zal ongetwijfeld de tweede reden aanhalen waarom dS sinds augustus 2010 meer Vlaamse stemmen aan het woord laat. In een bericht op www.geenstijl.nl konden we een interview van hem lezen waarin hij de NRC journalisten kapittelt omwille van publicaties ‘waarop de lezers niet zitten te wachten’ en mag ik hieraan toevoegen voor de Belgische kranten, waarmee de sponsorende overheid evenmin gediend is. Inderdaad een eigentijdse krant, althans volgens het marketeerdenken, schrijft vooral wat de lezers (en de sponsors) graag lezen en is nauwelijks nog bekommerd om dieper te graven dan nodig voor de doorsnee lezer. Dat blijkt ook noodzakelijk voor een kwaliteitskrant zoals NRC Handelsblad, die ondanks de grotere journalistieke mogelijkheden, moeite heeft om te overleven.
Tevens wijst Vandermeersch op het belang van botsende meningen in de rubriek opinies. Als het van hem afhangt dient daarvoor veel meer publicatieruimte te worden vrijgemaakt. Nochtans zijn specialisten niet overtuigd van de informatiewaarde van deze techniek, maar wel is men het eens dat het lezers aanspreekt en dat is vanzelfsprekend het doorslaggevend argument. ‘Hoe meer woedende lezersbrieven, hoe beter’ schrijft hij. Emotie als toetssteen voor een kwaliteitskrant?
In dS (11/10; De juiste Nobelprijs) schrijft Mia Doornaert een column over de reactie van China op de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Liu Xiaobo, gevangene van het Chinese regime. In de aanvang verwijst ze naar de Neue Zurcher Zeitung (NZZ), waarin op de voorpagina een lezenswaardige bijdrage over 20 jaar Duitse hereniging stond. Dat is durven, schrijft ze. Terecht, voor wie meegaat in de denkwereld van de marketeer en zoals dS op zaterdag de ganse tabloid voorpagina gebruikt om lezers te lokken met een zo opvallend mogelijke foto en een boodschap bestaande uit maximaal zes woorden die de lezer/kijker moet overtuigen dat er binnenin de krant iets onverantwoord interessant te lezen valt. Meer mag dat niet zijn. Kan iemand begrijpen waarom ik gedurende meerdere jaren met veel plezier die oubollige NZZ las en dS daarnaast maar een doorsnee krantje vond?
In haar column geeft Doornaert aan dat China zich als een bullebak gedraagt in de regio. Dat klopt en zelfs in diplomatieke kringen was de arrogantie van mijn Chinese collega defensieattaché heel opvallend. Het is echter geen fenomeen eigen aan de Chinese mentaliteit: ook Japan heeft zich tijdens zijn opmars naar regionale en mondiale speler zeer arrogant gedragen, bevestigden Australische vrienden meermaals. Het duurt altijd even voor mensen op een beschaafde manier kunnen omgaan met hun nieuw verworven rijkdom en macht. Nieuwe rijken, zoals de Russen die met hun gevulde beurs neerstreken in Karlovy Vary, Genève, de Franse Azurenkust en vele andere plaatsen, doen zelfs geen moeite om hun ongemanierdheid te verbergen. Overigens, hoelang heeft de Europese elite er over gedaan om zich beschaafd te gedragen?
Maar haar bijdrage gaat ten gronde over ‘Allem voran die Freiheit’ of, Vóór alles de vrijheid, zoals op de voorpagina van de NZZ stond. Ze schrijft, Vrijheid is, zoals Liu Xiaobo onvermoeibaar herhaalt, een onvervreemdbaar recht waarmee elke mens geboren wordt. Maar daarnaast is ze is ook een factor van vrede. Dat bracht mij bij volgende bedenking: zou deze vrijheid ook de Vlamingen gegund worden? Om méér vrijheid te krijgen en zo de vrede te dienen in eigen land? Of heeft het Belgisch establishment deze omslag naar de vrijheid nog niet gemaakt en is deze bijdrage zoals sommige lezers die interpeteerden, slechts een toepassing van twee maten en twee gewichten?
Pjotr
ANDERS GELEZEN
Is het gezichtsbedrog of is dS sinds het vertrek van Peter Vandermeersch als hoofdredacteur, inderdaad aan het vervellen? Of zijn het de lezers die met hun stem voor Vlaanderen in juni 2010 het signaal hebben gegeven dat ze ook belang hechten aan een Vlaamse invalshoek wanneer men bericht over de politieke en maatschappelijke uitdagingen?
Peter Vandermeersch, nu NRC Handelsblad, zal ongetwijfeld de tweede reden aanhalen waarom dS sinds augustus 2010 meer Vlaamse stemmen aan het woord laat. In een bericht op www.geenstijl.nl konden we een interview van hem lezen waarin hij de NRC journalisten kapittelt omwille van publicaties ‘waarop de lezers niet zitten te wachten’ en mag ik hieraan toevoegen voor de Belgische kranten, waarmee de sponsorende overheid evenmin gediend is. Inderdaad een eigentijdse krant, althans volgens het marketeerdenken, schrijft vooral wat de lezers (en de sponsors) graag lezen en is nauwelijks nog bekommerd om dieper te graven dan nodig voor de doorsnee lezer. Dat blijkt ook noodzakelijk voor een kwaliteitskrant zoals NRC Handelsblad, die ondanks de grotere journalistieke mogelijkheden, moeite heeft om te overleven.
Tevens wijst Vandermeersch op het belang van botsende meningen in de rubriek opinies. Als het van hem afhangt dient daarvoor veel meer publicatieruimte te worden vrijgemaakt. Nochtans zijn specialisten niet overtuigd van de informatiewaarde van deze techniek, maar wel is men het eens dat het lezers aanspreekt en dat is vanzelfsprekend het doorslaggevend argument. ‘Hoe meer woedende lezersbrieven, hoe beter’ schrijft hij. Emotie als toetssteen voor een kwaliteitskrant?
In dS (11/10; De juiste Nobelprijs) schrijft Mia Doornaert een column over de reactie van China op de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan Liu Xiaobo, gevangene van het Chinese regime. In de aanvang verwijst ze naar de Neue Zurcher Zeitung (NZZ), waarin op de voorpagina een lezenswaardige bijdrage over 20 jaar Duitse hereniging stond. Dat is durven, schrijft ze. Terecht, voor wie meegaat in de denkwereld van de marketeer en zoals dS op zaterdag de ganse tabloid voorpagina gebruikt om lezers te lokken met een zo opvallend mogelijke foto en een boodschap bestaande uit maximaal zes woorden die de lezer/kijker moet overtuigen dat er binnenin de krant iets onverantwoord interessant te lezen valt. Meer mag dat niet zijn. Kan iemand begrijpen waarom ik gedurende meerdere jaren met veel plezier die oubollige NZZ las en dS daarnaast maar een doorsnee krantje vond?
In haar column geeft Doornaert aan dat China zich als een bullebak gedraagt in de regio. Dat klopt en zelfs in diplomatieke kringen was de arrogantie van mijn Chinese collega defensieattaché heel opvallend. Het is echter geen fenomeen eigen aan de Chinese mentaliteit: ook Japan heeft zich tijdens zijn opmars naar regionale en mondiale speler zeer arrogant gedragen, bevestigden Australische vrienden meermaals. Het duurt altijd even voor mensen op een beschaafde manier kunnen omgaan met hun nieuw verworven rijkdom en macht. Nieuwe rijken, zoals de Russen die met hun gevulde beurs neerstreken in Karlovy Vary, Genève, de Franse Azurenkust en vele andere plaatsen, doen zelfs geen moeite om hun ongemanierdheid te verbergen. Overigens, hoelang heeft de Europese elite er over gedaan om zich beschaafd te gedragen?
Maar haar bijdrage gaat ten gronde over ‘Allem voran die Freiheit’ of, Vóór alles de vrijheid, zoals op de voorpagina van de NZZ stond. Ze schrijft, Vrijheid is, zoals Liu Xiaobo onvermoeibaar herhaalt, een onvervreemdbaar recht waarmee elke mens geboren wordt. Maar daarnaast is ze is ook een factor van vrede. Dat bracht mij bij volgende bedenking: zou deze vrijheid ook de Vlamingen gegund worden? Om méér vrijheid te krijgen en zo de vrede te dienen in eigen land? Of heeft het Belgisch establishment deze omslag naar de vrijheid nog niet gemaakt en is deze bijdrage zoals sommige lezers die interpeteerden, slechts een toepassing van twee maten en twee gewichten?
Pjotr
ANDERS GELEZEN
Abonneren op:
Posts (Atom)