19 september 2012

De begrafenis van een hoofdredacteur


MEDIA en POLITIEK - ANDERS GELEZEN

 
Verrassing in plaats van interessant
 
De periode van Peter Vandermeersch als hoofdredacteur van De Standaard is definitief verleden tijd. Bart Sturtewagen en Karel Verhoeven, namen enige tijd geleden zijn erfenis over en blijken nu definitief het tijdperk van hun voorganger te willen begraven. De krant zal niet langer “onverantwoord interessant” zijn, maar wil zich voortaan presenteren als een krant waarin we het  “onverwachte mogen verwachten”.

Zowat acht jaar geleden werd dS onder leiding van Peter Vandermeersch een “moderne” krant. Met hulp van onder meer mediaspecialist Jan Callebaut werd de zogezegd “stoffige notariskrant” in een eigentijds kleedje gestoken. En inderdaad, de krant werd mooier om naar te kijken, voluptueuzer ook. Naast de interessante bijdragen – hoewel soms onverantwoord eenzijdig – werd het een krant vol lifestyle en hapklare brokjes. Maar Peter Vandermeersch deed meer. In de editie van 2 januari 2003 schreef hij een heuse opdrachtverklaring die best even in herinnering mag worden gebracht:

“De Standaard, zo geloven we, moet zich niet onderscheiden door ideologische of politieke voorkeuren. Wél door de juiste, genuanceerde en gecontroleerde weergave van de feiten. Door gedegen duiding en scherpe analyse. Door diepgravende en betrokken reportages. Door de kolommen van de opiniepagina open te stellen voor de meest verscheiden en uiteenlopende meningen. Door dwarse en kritische commentaren. 

Moet De Standaard ook nog een strijdblad zijn? Ja, zonder enige twijfel. Een strijdblad voor een rechtvaardiger maatschappij. Voor een betere Noord-Zuid verhouding.  Voor de zwaksten in onze samenleving. Voor een harmonieus samenlevingsmodel. Voor een gemeenschap die ook oog heeft voor geestelijke en spirituele noden. Een blad dat de slachting op onze wegen onverminderd aan de kaak blijft stellen. Dat vraagt van politici dat zij meer ageren op de politieke fora dan op televisie. Dat eist dat politie en justitie functioneren. Dat ijvert voor het best mogelijke onderwijs — en de best mogelijke leraars — voor onze kinderen. Een krant die kritisch is voor de regering. Maar geen spreekbuis is van de oppositie. Een krant die geen oorlogstaal spreekt. Maar ook niet vervalt in naïef pacifisme. Een krant die de culturele productie onbevangen én kritisch tegen het licht houdt. Die de uitwassen van de vrijemarkteconomie aanklaagt. Die doorbraken in de wetenschap ook tegen een morele lat legt. Die mensen voorhoudt dat er rechten zijn én plichten. Ernst, stijl, nuance, betrokkenheid, correctheid en eerlijkheid zijn begrippen die in onze werking centraal staan.”

Of Peter Vandermeersch erin slaagde om deze zelfopgelegde opdracht waar te maken, is voer voor discussie maar in elk geval gaf hij de lezers een duidelijk beeld van wat de krant wou zijn en doen. Onder meer géén ideologische en politieke voorkeuren en een bruggenbouwer tussen Noord en Zuid. Het eerste zal bij veel kritische lezers de wenkbrauwen doen fronsen maar het tweede klopt alvast: in de duiding en de opinies primeerde een Belgische invalshoek boven een Vlaamse.

 Volgens de huidige hoofdredacteurs heeft de krant ondertussen bewezen dat ze dit aankan, interessant en uitdagend zijn en is het tijd voor een nieuwe uitdaging. Maar wat is er geworden van de opdrachtverklaring van hun voorganger? Het enige wat hierover te lezen viel was: “Het onverwachte aanreiken is voor de krant een cruciale opdracht. Verrassen is de opdracht die de redactie van De Standaard zichzelf geeft.” Wat ik als lezer mag verwachten blijft dus een verrassing en helemaal geen klare opdracht meer. Of dat een vooruitgang is zal moeten blijken.

Gaat het alleen om een nieuwe promotionele facelift? Of schuilt er achter deze baseline ook een inhoudelijke gedaanteverwisseling? Een krant geschreven vanuit een andere maatschappelijke invalshoek? Maar de hamvraag blijft onbeantwoord: heeft de redactie gekozen voor meer kwaliteit zoals aanbevolen door de Nederlandse journalisten, Warna Oosterbaan en Hans Wansink, die onderzoek deden naar de toekomst van de kranten?

Zal er meer aandacht zijn voor een evenwichtiger aanbod inzake duiding en opinie? Daarover schrijven de beide hoofdredacteurs in de krant van 15 september het volgende: “Natuurlijk selecteert een krant, dat is waarvoor ze bestaat. Meer dan ooit heeft ze nu de opdracht om uit die oeverloze stroom aan informatie dat aan te reiken wat de lezer een eind verder kan brengen. De krant is niet zozeer een gids, ze wil spannender zijn. Ze confronteert je met het onverwacht nieuwe.”  Dat een krant keuzes moet maken is evident maar niet zozeer het brengen van het nieuwe nieuws (zowel de waan van de dag als het extravagante of het ongebruikelijke) maakt van een krant een hoogstaande kwaliteitskrant. Het onderscheid tussen tabloid en kwaliteit ligt in de duiding, de kritische commentaar die inzicht verschaft. Zolang het nieuwe duo hoofdredacteuren hierover geen klaarheid schept – en nergens vond ik een verwijzing naar het kwaliteitsniveau - blijft het bij het zoveelste promotiepraatje, ditmaal uitgevonden door de reclamemakers van de Mortierbrigade. Ongetwijfeld een referentie!

Wij, lezers, worden inderdaad overstelpt met nieuws. Maar wie eens een dag lang kritisch de radio- en TV-programma’s volgt en online de kranten doorneemt, zal vooral vaststellen dat ze het soms schaarse nieuws allemaal tot in den treure herhalen. Meestal aangeboden door persagentschappen en andere “betrouwbare bronnen”, zonder commentaar of duiding. Waar de “meerwaardelezer” naar zoekt is uitleg over het nieuws. Interpretaties voor zover ze alle invalshoeken onder onze aandacht brengen is één manier. Een andere is een journalistieke bijdrage die een synthese maakt van de invalshoeken en zo de lezers door de aangebrachte nuance méér biedt dan wat hijzelf al lang wist. Maar misschien wordt dit steeds moeilijker voor een krant die in de eerste plaats commercieel moet zijn. Onze enige hoop ligt in de slotzin: “Een medium floreert maar voor zover het iets relevants te vertellen heeft. Aan u om te beoordelen of wij die lat halen.” Indien de nieuwe hoofdredacteurs werkelijk wakker liggen van wat de lezers denken dan zou dat alvast een belangrijke stap voorwaarts zijn.
 
De krant van Reynebeau

Dat de nieuwe dS nog niet voor morgen is, bewezen ondertussen enkele opiniebijdragen, onder meer van Marc Reynebeau (journalist-columnist) die zich geviseerd voelde door zijn collega-columnist, Bart De Wever. Dat columnisten nu een robbertje mogen uitvechten in de krant moet ons verrassen? Even anders lezen.

Bart De Wever had het in dS van 11 sep over de betekenis van de euro voor het aanvaarden van Europa als onderdeel van onze gelaagde identiteit. Volgend uittreksel maakt dit duidelijk: Terwijl u in de supermarkt tijdens het wachten aan de kassa naar uw munten kijkt om te zien of u geen exotisch exemplaar in de portemonnee draagt, internaliseert u ongemerkt een gevoel van verbondenheid: de eurolanden horen bij ons en wij samen zijn anders dan de landen die geen euro gebruiken. De Eurobarometer wijst uit dat men in de eurolanden die economisch diep in het moeras zitten de Europese munt het duidelijkst aanwijst als drager van een Europagevoel. Voor hen is Europa de euro, punt aan de lijn. Het geloof in ‘democratische waarden en vrijheid' om Europa aan elkaar te lassen ligt er alleszins beduidend lager dan in de sterkere eurolanden. Als je honger hebt, gaat de liefde nu eenmaal nog sterker door de maag. (…) Als de EU de ambitie wil hebben om geleidelijk door te groeien tot een voldragen politieke unie, dan zal een vaag appel op ‘democratische waarden en vrijheid' echt niet volstaan om dat waar te maken. De EU zal daarvoor een cohesie moeten bereiken in het sociaaleconomische bestuur van de eurozone die het voortbestaan van de eenheidsmunt kan verzekeren.”

Marc Reynebeau is bij de lezing van de column van De Wever (dS 12 sep; Rot op verlichte geest) blijven steken bij de eerste zin: Lang voordat verlichte geesten het identiteitsbesef van de mens begonnen te vergelijken met lasagne, …”

Onverteerbare lasagne voor Marc Reynebeau, die zichzelf identificeert met die “verlichte geest” en de stelling van De Wever ziet als een aanval op zijn vermeend co-vaderschap van deze “gelaagde” benadering. Bij Reynebeau klinkt het zo: Maar moet een krant zich wel verlagen tot straatvechterstaal? Het wat beschaafdere schelden (sic) stond gisteren in deze krant, in de column van N-VA-voorzitter Bart De Wever. Die noemde uw dienaar een ‘verlichte geest', om daar meteen aan toe te voegen dat wat dit sujet ooit eens bedacht, hooguit wat opgewarmde kost kon zijn, misschien wel plagiaat, omdat het eigenlijk al twee eeuwen eerder uit iemand anders' koker kwam, die van de Duitse idealistische filosoof Fichte. Rot op, verlichte geest?”

Anders gelezen: Wat dS-lezer daarbij denkt, weet ik niet, maar de kans dat hij/zij op de lange tenen staat van Marc Reynebeau is wezenlijk groter dan dat men zich kwetst aan de hoekiger kantjes van Bart De Wever.
 
Citaat van de week

In De man die donderdag was legt Gilbert K. Chesterton in de mond van een van de personages: “De arme man heeft werkelijk belang bij het wel en wee van het land. De rijke man niet; hij kan met zijn jacht naar Nieuw-Guinea gaan. De armen hebben er zich soms tegen verzet slecht te worden geregeerd; de rijken hebben er zich altijd tegen verzet geregeerd te worden.” De Arnaults en Frères laten zich niet regeren, ze bedienen zich. Rik Van Cauwelaert

Pjotr

Anders Gelezen
 

 

 

 

 

 

02 september 2012

Even geduld

De eerstvolgende Anders Gelezen mag u verwachten na 15 september. Tot weldra. Pjotr

28 augustus 2012

Het is maar hoe je het bekijkt


 
ANDERS GELEZEN

Het geschreven woord
Wanneer historici zich zullen buigen over het recente streven naar zelfstandigheid van Vlaanderen, dan denk ik dat er twee publicaties zeker zullen vermeld worden: "Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa" uitgegeven in november 2005 door de Denkgroep “In de Warande” onder voorzitterschap van Remi Vermeiren, dat voor het eerst concrete cijfers over de Vlaamse solidariteit publiek bekend maakte. Een zeer onwelkome waarheid voor het Franstalig establishment. Het kostte sommige ondertekenaars hun job of was een voldoende reden om persona non grata te worden in koninklijke kringen. De tweede belangrijke publicatie is het boek "Land op de tweesprong" uitgegeven in 2012 door de Gravensteengroep, waarin vanuit een Vlaamse invalshoek een analyse wordt gemaakt van de democratische tekortkomingen van het Belgische politiek systeem. Naast rationele bezwaren heerst dus ook het gevoelen van onrechtvaardigheid en deze mix zorgt voor een zware druk op het politiek overleven van België. Alleen hebben de politici van de Vlaamse traditionele partijen hiervoor nog geen oplossing gevonden tenzij zich vertwijfeld vastklampen aan een quasi unaniem “Franstalig blok” dat het land liefst niet ziet veranderen. Enkel veranderingen “met de rem op” en voor elke eis van Vlaanderen is er de tegeneis voor compensaties waartoe geen enkele meerderheid in een normaal land zou bereid zijn.
Eén individuele vermelding (van de ondertekenaars van het Manifest) mag niet ontbreken: de overleden professor Juul Hannes, die een diepgaande studie uitvoerde over de transfers in het verleden en tot de slotsom kwam dat Vlaanderen altijd meer bijdroeg dan het ontving, ook toen het zelf straatarm was.
Een uitloper van het Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen was de oprichting van een Vlaamse denktank, VIVES (Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving) aan de KULeuven, die ervoor zorgt dat de feiten en cijfergegevens van het manifest geen eenmalige, gedateerde intellectuele oefening werd, maar actueel blijft dank zij de academisch onderbouwde analyses die het regelmatig publiceert via het web http://www.econ.kuleuven.be/vives/.
De impact van het tweede boek over “een land op de tweesprong” moet nog blijken. Maar nu reeds laat zich aanvoelen dat voor de toekomst van Vlaanderen ook de Gravensteengroep met deze publicatie een wezenlijk bijdrage heeft geleverd. Onrecht en het negeren van de democratische verzuchtingen van de Vlamingen krijgen in dit boek een zeer concrete invulling. Dit boek maakt vooral duidelijk dat deze Vlaamse eisen niet alleen gedragen worden door één welbepaalde (rechtse) politieke visie. Het gaat dus niet om de tegenstelling tussen een links Wallonië en een rechts Vlaanderen, maar tussen een weldenkend Vlaanderen versus een onrechtvaardig en verkwistend België (ook door de Vlaamse federale bewindvoerders). Het boek toont aan dat de traditionele politieke partijen, met hun Belgische invulling van de macht, niet meer tegemoetkomen aan de wensen van een brede groep weldenkende Vlamingen. Vooral dat laatste is een onwelkome waarheid waarmee niet enkel de politieke partijen maar ook de gezagsgetrouwe Nederlandstalige media het moeilijk hebben. Vandaar dat bijvoorbeeld de toonaangevende krant De Standaard niet eens het laatste manifest van de Gravensteengroep durfde publiceren in de gedrukte krant.
Maar er is helaas ook het verbaal geweld en de geschreven woorden die de onderlinge twisten tussen Vlamingen pijnlijk duidelijk maken. Dat zelfs de Vlaamsgezinde boegbeelden van de  meerderheids-partijen verbaal uithalen naar de Vlaamse oppositie (o.a. N-VA = groot bakkes maar korte pootjes) getuigt niet van een eensgezindheid die de partijgrenzen overstijgt, integendeel. Dat een burgemeester in Vlaams-Brabant blij is dat zijn gemeente voortaan “vrij is van Brusselse legumekes” kan ik begrijpen maar niet dat een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers ook blij is ondanks de zware prijs die Vlaanderen voor deze halfbakken splitsing moet betalen. Van daar naar een brief met de opsomming van alle dure eden die deze en andere burgemeesters in Vlaams Brabant eerder op papier zetten, is slechts een kleine stap, maar tegelijk een pijnlijke escalatie in een broederstrijd. Wat rest er nog van de Vlaamse eensgezindheid van de 29 burgemeesters nu blijkbaar alleen nog het partijbelang spoort met het eigenbelang? Want dat zal men vooral onthouden: dat in de traditionele partijen vooral de Vlaamsgezinden niet de moed van hun overtuiging hebben en zo niet enkel hun eigen geloofwaardigheid maar ook deze van de ganse partij ondergraven.
Over geloofwaardigheid
“Van alle gedopeerden waren Eddy Merckx, Lance Armstrong, ... de besten”
dS 25 aug: “Het is overigens níet zo dat er tegen Armstrong geen direct bewijs zou zijn. In 2005 is aangetoond dat urine van Armstrong uit de Tour van 1999 epo bevatte en nog geen klein beetje. Er was evenwel geen B-staal meer, omdat het eigenlijke B-staal pas werd geanalyseerd in 2005. In 1999, toen zijn A-staal werd onderzocht, was nog geen opsporing van epo mogelijk. In 2001 is Armstrong ook nog eens betrapt op corticosteroïden, maar dat is met terugwerkende kracht geregulariseerd via een doktersattest. Rond die tijd heeft Armstrong ook een schenking van 200.000 dollar gedaan aan de internationale wielerunie UCI, later uitgelegd als een gift om de dopingopsporing te helpen.” Anders Gelezen: Is het eigenlijk abnormaal dat vedetten hun superioriteit te danken hebben aan doping in een milieu waar 95 % zich dopeert? Het zou pas nieuws zijn mochten we kunnen schrijven dat Merckx, Armstrong en Co de besten waren van de niet gedopeerden. De hypocrisie in het wielermilieu is toch wel heel storend. Het doet denken aan de ongeloofwaardigheid van de al even talrijke omgevallen politieke vedetten in een wereld waar de norm blijkbaar bepaald wordt door wie geld heeft.
Geloofwaardig? Besten Oilsteneer, as vesgebakken geimpoteerden kom ik eir men geloeofsbrieven loten zing. Ik ben het gepistoneird zoentjen van de Karel en zijn Murielle, hoe zok anders den 1sten op den blauw lijst kennen zen hein. ‘k hem in geeil mij leven nog gene klop gedaan ( ben dat ook nie van plan ), mor ik wil ons profiteurs tradietje voeis zetten. Mijnen echt vlomsen noom Jean-jacques hemmik aan mijn moeier te danken, ge weit wel dienen ook gepistoneerde poliesje rechter die altijed met onze pa mee op reijs es, ge moeit der van profiteren hein, her pree lupt toch voeis. Meine Pa heid een grote bakkes op een ander mor thois moetten zwoigen, ons moeder verkupt toch alles zonder tem te vrougen. (Da zeiten toch). Allee, om ‘t kert te mouken, stemt ver moi en misschien kaanik erren volgenden berremeester werren binnen a mondj of twee, Verhofstadt en de Croo emmet mei tog al beloefd. Op meinen kop stemmen hein!! JJ de Klucht Ps Ik ben al eiven arrogant as mei voir, misschieng iets minder as de Guy,hi,hi.
Pjotr
Anders Gelezen

21 augustus 2012

Alliantie



ANDERS GELEZEN

Macht of democratie
De zomerse komkommertijd in de klassieke media is blijkbaar een vruchtbare tijd voor alternatieve publicisten om dieper in te gaan op een of ander maatschappelijk probleem. Voor Anders Gelezen moeilijk om een keuze te maken. Alvast één aanrader, die ook het uitgangspunt is voor deze “anders gelezen”:  “Vaarwel democratie?” door Jan Blommaert. De opmerkelijk goed onderbouwde maar wat lang uitgevallen opiniebijdrage (9 blz) is te lezen op http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/08/18/vaarwel-democratie
Blommaert heeft het over de foute benadering van de Europese crisis die volgens hem geen economische maar wel een cruciale politieke crisis is.  Zo schrijft hij: “Interessant genoeg is deze oligarchie (de technocraten die de belangen van de financiële wereld behartigen) ontstaan omdat we met z’n allen een bepaalde, foute definitie hebben aanvaard: we hebben aanvaard dat deze crisis een economische crisis is. Het aanvaarden van deze definitie is een vergissing van historisch formaat. De crisis is immers een diepe politieke crisis en voor zover we dat nodig hebben is de opinie van Jean-Luc Dehaene en Maurice de Hond (die de parlementaire democratie verouderd vinden) daarvoor doorslaggevend bewijs. De economie heeft de politiek geheel overgenomen en dus moeten de regels en procedures van de politiek snel-snel aan die van de economie aangepast worden. In afwachting daarvan plaatsen we dezelfde mensen aan de top van allebei deze domeinen: economen en bankiers (cfr de regeringen in Griekenland en Italië). Het oplossen van de economische crisis verscherpt zo de politieke crisis. (…) De EU is als systeem volkomen uit balans; het is dan ook geen orgaan dat democratische rechtvaardigheid uitdraagt en het is geen orgaan dat democratische legitimiteit bezit.”
Zijn conclusie is dan ook,  “dat we er alleen uitraken wanneer ons hele systeem terug in democratische balans is en elk onderdeel van de samenleving – incluis de economie – ‘zijn verantwoordelijkheid neemt’ en het eigen belang tegen het algemeen belang afweegt.” Tot zover de verwijzing naar dit sterk aanbevolen opiniestuk.
Binnen de groeiende groep van opmerkzame opiniemakers die een EU-kritische stem laten horen, waaronder ook Rik Van Cauwelaert, neemt de afkeer van deze nieuwe ondemocratische orde overhands toe. Maar precies omdat, zoals Blommaert terecht concludeert, de oplossing enkel politiek kan zijn, is enig pessimisme niet onterecht. Tegenover de macht van het geld staat immers alleen het voluntarisme en de integriteit van “hoogstaande” politieke leiders. Een kwalificatie die samen met de afgang van al die “vooraanstaande” politici in de vuilnisbak verdween. Vandaag zijn de  politici zozeer verstrengeld met de financiële wereld (denk maar in  ons land aan de doorslaggevende rol die het DEXIA probleem speelde bij de totstandkoming van de regering Di Rupo) dat het fundament van het democratisch handelen, verkiezingen, enkel nog een “formele” verplichting zijn. Het gaat niet enkel om de stuitende voorbeelden à la Verhofstadt (die kiesomschrijvingen aanpaste aan partijbelangen) en Dehaene (de exponent van de economische graaicultuur), want ook de “kleine politici” worden via bestuursmandaten en allerhande vergoedingen monddood gemaakt. Immers, voor sjoemelaars op het hoogste niveau is er niets lonender dan de groep afhankelijke politici zo groot mogelijk houden. De kosten dat dit met zich meebrengt worden immers toch afgewenteld op de belastingbetalers. Kan het cynischer?
Ook in de regelmatig terugkerende discussie over goed bestuur en de onderlinge verhoudingen tussen het beleidsniveau (ministers) en hun administratie is deze belangenvermenging met de economische machten soms oorzaak van heftige debatten. Wie kent geen projecten waarvan men zich afvraagt wie daar nu baat bij heeft, behalve de bouwheer? Welke politicus van enig belang durft nog recht te staan en publiekelijk te verklaren dat hij enkel het algemeen belang dient, of tenminste zorgt voor een balans tussen de verschillende belangengroepen die aan zijn mouw trekken? Het Europees parlement is verworden tot één grote lobbymachine. Geen enkel Europees zwaargewicht heeft het ooit aangedurfd om de democratische verzuchtingen van zijn volk te verdedigen tegen die economische machten. Wie dat toch doet  riskeert de banbliksems van diezelfde Europese technocraten. Zo gelezen is het toch wel straf dat vooral Links pro-Europees is en zo de hegemonie van obscure Financiële Machten dient, terwijl de eurosceptici vooral te vinden zijn ter rechterzijde.
Opdat Blommaert met zijn oproep aan de politici om hun verantwoordelijkheid op te nemen enige kans op slagen zou hebben moet er veel gebeuren. Een nieuwe politieke cultuur die niet moet gaan over de tegenstellingen tussen links en rechts maar over de  politieke besluitvorming en de rol van de belangengroepen.
België zal Vlaams zijn of niet?
In België is het staatsapparaat lange tijd in handen geweest van een Franstalige elite die zichzelf bediende. Vandaag ligt het staatsbestel nog steeds onder vuur wegens de tegengestelde belangen van de twee gemeenschappen. In een opmerkelijk artikel in Le Vif/Express (19/08) heeft Pascal De Sutter (politiek psycholoog en sexuoloog) het over « Tout francophone qui ose se plaindre de la mainmise flamande sur l'armée, la diplomatie et l'ensemble des hauts postes de l'Etat fédéral serait étiqueté nationaliste francophone.» Dat de aangescherpte taalvereisten een van de belangrijkste oorzaken is van de terugval van de ééntalige Franstalige aanwezigheid in deze departementen mag voor De Sutter geen argument zijn. Overigens werden deze taaleisen ten tijde van Louis Michel als buitenlandminister omzeild door ééntalige Frantalige contractuelen aan te werven.
Maar misschien is het de auteur ook niet te doen om de taal maar om de genomen beleidsopties, waarin Vlaanderen en Wallonië eveneens verschillen van mening. In elk geval is een (democratische) Vlaamse dominantie voor De Sutter een voldoende reden om tot een duidelijke conclusie te komen: « Pour ma part, je n'ai tout simplement pas envie de vivre dans un pays où mes enfants n'auraient plus accès aux meilleures fonctions de l'Etat parce qu'ils ont le malheur d'avoir été éduqués en français. Je respecte les ambitions flamandes, mais je n'ai pas envie de m'y soumettre. Je me considère simplement comme un "francophone insoumis". Ce n'est pas moi qui ai voulu la régionalisation, la frontière linguistique et toutes les prémisses du divorce. Mais maintenant que nous en sommes là, je suis de ces francophones qui ne tremblent pas de peur devant l'éventualité d'une séparation. Je suis certain que nous formerons d'excellents voisins. Comme la Norvège s'est bien entendue avec sa voisine quand elle s'est séparée de la puissante Suède qui voulait la dominer. Je préfère le défi d'une autonomie qui demandera de se retrousser les manches à une soumission prolongée, mais rien ne vous oblige à penser comme moi...»
Mocht aan Vlaamse zijde iemand zoiets schrijven dat werd hij in de klassieke media doodgezwegen ofwel kreeg hij het etiket van onverbeterlijke bekrompen nationalist opgeplakt. Een Vlaamse “insoumis” – die zich weigert te onderwerpen aan de wettelijke orde – bestaat (nog) niet.
Een Vlaams bondgenootschap
Het heuglijke nieuws is dat er aan Vlaamse kant zoiets als een Vlaams bondgenootschap aan het groeien is. Weldenkende Vlamingen uit het ganse politiek spectrum die bereid zijn om samen te werken aan een nieuwe orde: niet om de belangen van één bepaalde groep/partij te dienen maar een bondgenootschap dat open staat voor iedereen die het algemeen belang wil dienen. Wanneer Bart De Wever en de Nieuw-Vlaamse Alliantie hiervan de spreekbuis willen zijn, is elke afwijkende profilering weg van het centrum verkeerd. N-VA kan niet anders dan in het midden van het Vlaamse bed liggen, wil het aantrekkelijk blijven voor alle Vlaamsgezinden. Of, om het met de woorden van filmregisseur en theatermaker Jan Verheyen (lid Gravensteengroep) te zeggen (in Zondagskrant): “Ik ben politiek dakloos: rechts op gebied van veiligheid, links op ethisch vlak en economisch in het midden. (…) Ik vind N-VA niet per definitie een rechtse partij. Ik kan me vaak vinden in hun analyses en hoor zelden dingen die mij tegen de borst stoten.”
In Wikipedia kan men het volgende lezen over Alliantie: Een alliantie kan ook staatkundig  zijn, eventueel als uitloper van een militaire alliantie. Zwitserland is hier een voorbeeld van. Dit land ontstond als een vooral militaire alliantie tegen al te veel bemoeinissen van de Habsburgse vorsten van Oostenrijk, en mondde uit in een confederatie en aldus de staat Zwitserland.
Pjotr
ANDERS GELEZEN