20 juni 2008

Confederalisme op zijn Belgisch

Le confédéralisme, c'est le fédéralisme des cons.

In Le Soir van 18 juni ’08 spreekt Moureaux voor het eerst over een confederale staatsvorm … op voorwaarde dat er aan de geldstromen niet wordt geraakt.

In De Standaard van 19 juni vraagt Bart Sturtewagen om de opening die Moureaux (PS Brussel) maakte naar een confederalisme niet te onderschatten. Het is een omwenteling in het Franstalig denken, beweert hij.

Béatrice Delvaux (hoofdredactrice Le Soir) laat in dezelfde DS noteren: “Er valt geen tijd meer te verliezen om een nieuwe vorm van samenleven te verzinnen waarin de gemeenschappen hun waardigheid terugvinden, ook al is hun eenheid zoek. De tijd van de romantiek van een utopisch België is voorbij”.
In Le Soir (16 juni) geeft Luc Delfosse in zijn editoriaal volgend advies aan de Franstalige politici: “ga zonder uiteraard de faciliteiten op te geven, onderhandelen over een mature (?) confederatie, bestaande uit drie geëmancipeerde regio's. In het Zuiden, plaats voor twee regio's op voet van gelijkheid: Wallonië en Brussel. Beide beheren samen de interfrancofone solidariteit binnen een culturele gemeenschap..die zich niets aantrekt van grenzen.."

Tijd voor Anders Nieuws om deze uitspraken te situeren in de juiste context en aldus bij te dragen tot een beter begrip.

Niet onderschatten maar vooral goed inschatten !

Laten we beginnen bij het begin:
Wat betekent een confederale staatsvorm?

“Er bestaat in de constitutionele doctrine geen enkele discussie over het feit dat een confederatie of statenbond een samenwerkingsverband is waarbij onafhankelijke staten bij verdrag regelen welke bevoegdheden ze samen wensen uit te oefenen. Met andere woorden, wie zegt voorstander te zijn van een confederale Belgische staat is meteen ook vóór de onafhankelijkheid van de deelstaten. Een confederaal België impliceert dan ook dat aan de deelstaten een volledige soevereiniteit wordt gegeven en dat zij nadien in een internationaal verdrag afspreken om bepaalde bevoegdheden samen uit te oefenen. Dit verdrag is evenwel op elk ogenblik opzegbaar. Hoe dan ook houdt een confederaal België in dat er een einde wordt gemaakt aan de grondwet en dat deze wordt vervangen door een internationaal verdrag. Confederalisme is dus geen doorgedreven vorm van federalisme”. (Prof. Dr. Koen Lemmens, Prof. Dr. Paul de Hert en Prof. Dr. Serge Gutwirth, VUB in een Vrije Tribune in De Morgen)

In de opening van Moureaux is er dus absoluut geen sprake van confederalisme. Trouwens ook CD&V die tijdens een congres in Kortrijk wel opkwam voor een confederaal België heeft nooit gezegd wat men daarmee precies bedoelde.

In feite zegt Moureaux dat de Franstaligen ENKEL bereid zijn te praten over een “confederale” staat op hun voorwaarden. En die zijn niet min. In de eerste plaats moeten de geldstromen tussen Vlaanderen en Wallonië blijven bestaan. De betekenis hiervan is duidelijk: meer eigen fiscale verantwoordelijkheid voor de socio-economische domeinen en de sociale zekerheid is er niet bij én het mag niks kosten. Dat zoiets in tegenspraak is met de confederale gedachte deert hem niet. Confederalisme staat voor vrijwillige samenwerking onder volkeren die met mekaar willen verder gaan. Dat een Brusselse Franstalige deze term misbruikt om eisen te stellen getuigt niet van veel respect. Maar zelfs dat is nog veel te verregaand voor de andere Franstaligen die in hem een afvallige zien. Confederalisme is blijkbaar maar een modeterm om goedgelovige Vlamingen te misleiden.

Daarnaast blijkt uit het verdere artikel dat hij de faciliteitengemeenten wil inlijven bij Brussel maar – oh ironie - in de andere Vlaamse gemeenten de Franstaligen wil aanzetten (“on devrait leur dire que …”) tot het gebruiken van het Nederlands in hun relatie met de lokale overheid. Anders gelezen klinkt het duidelijk: Beste Vlamingen, wij, Franstaligen geven onze eisen om Frans te mogen spreken in gans Vlaanderen op in ruil voor territorium, zijnde de annexatie van zes Vlaamse gemeenten. De “droit du sol” kan dus wél als het hen goed uitkomt! Gezien de context zegt hij daarmee ook dat deze ‘confederatie’ moet bestaan uit drie evenwaardige regio’s: Bruxelles, Wallonie en Vlaanderen.

Aan Bart Sturtewagen wil ik zeggen: Neen, beste Bart, weldenkende Vlamingen onderschatten deze opening helemaal niet.

Maar laten we de uitspraken vanuit Franstalige kant eens situeren in een “federaal kader” waarin de regio’s helemaal niet onafhankelijk zijn en voor elke belangrijke beslissing een consensus moet gevonden worden. Dan lijkt deze opening enkel op de bereidheid om een grote staatshervorming te realiseren binnen een kader waarin de Franstaligen alles kunnen blijven blokkeren. Mag ik dan nog eens herhalen wat elke inwoner gedurende 13 maanden heeft vastgesteld: dat er geen politieke consensus meer bestaat waarvoor een maatschappelijk draagvlak aanwezig is in beide gemeenschappen.

Is er een uitweg?

Neen er is geen enkele ‘maatschappelijk aanvaardbare’ uitweg zolang Brussel Halle Vilvoorde niet definitief is gesplitst zonder wijziging van de taalgrens/staatsgrens. Gezien het grote belang en de unieke kans voor Vlaanderen om dit op een wettelijke manier via het parlement te realiseren bij gewone meerderheid, zou het idioot zijn om deze weg op te geven voor onnodige toegevingen met verstrekkende gevolgen. Is onze volgehouden solidariteit dan geen voldoende bewijs van onze sympathie voor onze ‘landgenoten’ en België?

Gezien de radicalisering van beide gemeenschappen lijken slechts twee opties maatschappelijk nog mogelijk, behalve de onmiddellijke splitsing:

Een confederale samenwerking waarbij een zelfstandig Vlaanderen en Wallonië op vrijwillige basis samenwerken en onder meer samen Brussel als confederale hoofdstad beheren. Dan kan Vlaanderen eveneens op een vrijwillige basis een transparante solidariteit met Wallonië en Brussel handhaven en kunnen beide samen domeinen zoals Buitenlandse Zaken, Defensie … beheren. Hiervoor zijn wel goede afspraken nodig met Brussel, waarvan de eigenheid moet gerespecteerd blijven.

De tweede mogelijkheid is het confederalisme op zijn Belgisch, wat nu reeds het geval is want zowel met federale als confederale trekjes, waarbij aan het artikel 35 van de grondwet een lijst wordt toegevoegd van beleidsdomeinen die we nog samen willen beheren op federaal niveau. Belangrijk is te beseffen dat in dergelijk systeem de samenwerking verplicht is. Men moet dus vooraf zeker zijn dat we in deze domeinen éénzelfde visie hebben vooraleer ze samen te beheren, zoniet zal het leiden tot immobilisme en geldverspilling, zoals nu het geval is. Men moet ook aan de bevolking duidelijk maken dat men later voor elke wijziging aan deze lijst telkens opnieuw een prijs zal moeten betalen. Naargelang de bijkomende politieke grendels kan dat leiden tot nog minder democratie en nog meer afhankelijkheid van een meerderheid.

Beste Lezers,
Het is maar een voorbijvliegende gedachte maar zou het niet rustgevend zijn om op vrijwillige basis onze solidariteit met Wallonië en Brussel te kunnen bewijzen én samen te werken zonder daartoe gedwongen te worden? We zouden een prachtvoorbeeld zijn voor Europa!

Pjotr

16 juni 2008

Splitsing BHV voor een spotprijs?

Het strategisch belang van een boswegel annex 10.000 bomen

Terwijl Leterme blijft aandringen op een onderhandelde oplossing voor BHV en CD&V blijft herhalen dat ze België niet willen splitsen hebben de Franstaligen de Rubicon reeds overgestoken. Ze moeten zelfs hun strategie niet geheim houden want het zijn toch de Vlamingen die separatisten zijn?

Wie denkt dat het slechts een boze droom is zal wakker worden in een onafhankelijk verpauperend Vlaanderen.

Uitgaande van een splitsing van België is men in Wallonië en Franstalig Brussel tot een eerste belangrijke conclusie gekomen: er is slechts een toekomst voor een exclusief Franstalige staat mogelijk als “Bruxelles et Wallonie” een federatie vormen. De hoop van sommige naïeve Vlamingen, dat de Brusselaars ooit zouden kiezen voor Vlaanderen in plaats van Wallonië ligt hiermee definitief aan diggelen.

Deze strategische keuze voor een gemeenschappelijke staat, nouvelle Belgique(?), veronderstelt op basis van juridisch advies dat er een territoriale link moet komen tussen Brussel en Wallonië. Uit internationale hoek verwacht men immers dat de bestaande grenzen van de gewesten zullen erkend worden als de nieuwe staatsgrenzen van de opvolgstaten van België. Vermits de Vlaamse politieke partijen “ten allen prijze” BHV willen splitsen zien de Franstaligen de kans schoon om hun prijs op te drijven. Het klinkt oh zo onschuldig, een stukje bos van amper 8 vierkante km, is dat zo erg? Ik verwed er een fles champagne op dat argeloze Vlamingen er helemaal geen probleem zullen in zien. Zelfs belangrijke politici lijken ermee te kunnen leven: BHV eindelijk gesplitst voor een stukje bos; wat een schitterende overwinning!

Voor de aandachtige waarnemer met enige contacten op de juiste plaats is deze overwinning echter niets anders dan het slechts denkbare scenario voor Vlaanderen op lange termijn. Mede dank zij mijn goede contacten leest dit voorstel immers als een nachtmerrie voor alle weldenkende Vlamingen die de toekomst van hun kinderen niet willen compromitteren.

Late we beginnen met het groter verhaal. Op de onderhandelingstafel ligt naast deze territoriale eis ook nog het Franstalig voorstel om een werkplaatsbelasting in te voeren ter vervanging (aanvankelijk gedeeltelijk) van de inning van de belastingen in de woonplaats. Momenteel is er reeds een begin gemaakt, maar deze bedraagt amper 10 % en is dus nog niet zo belangrijk dat het zichtbare gevolgen heeft.

Waarom is ook deze eis zo belangrijk? Wel voor de leefbaarheid van deze toekomstige exclusief Franstalige staat is de economie natuurlijk dé topprioriteit. Terwijl men in Vlaanderen onverkort pleit voor het behoud van de interpersonele solidariteit en hoopt op een splitsing van BHV en een grote hervorming via onderhandelingen hebben de Franstalige deze optie overboord gegooid en topeconomen hun huiswerk laten doen: leven zonder Vlaamse solidariteit. Hun conclusie luidt dat deze Etat belge, “Wallobrux” op korte termijn een leefbare staat zal worden. Wanneer zullen onze economisten de opdracht krijgen om de werkelijke kostprijs van deze strategische optie te berekenen. Hoeveel belastinggeld van de duizenden Vlamingen die werken in Brussel en vooral ook van de talrijke grote bedrijven met sociale zetel in Brussel, zullen verdwijnen in de zakken van Wallobrux? Denk maar even aan de bank van hier!

Op die manier kan de afhankelijkheid van de Vlaamse solidariteitsbijdrage reeds gevoelig worden verminderd. Geen Vlaming die nadien hieraan nog iets kan doen. Deze wijziging van de belastingwet waar zowel Wallonië als Vlaanderen tegen waren omdat het enkel gunstig is voor Brussel is in de nieuwe strategie geen probleem meer voor Wallonië. Integendeel het is een gemeenschappelijke eis, wat duidelijk betekent dat ze weten waar ze naartoe willen.

Bij een eventuele splitsing van België zullen ze eveneens mogen rekenen op EU steun, net zoals indertijd Ierland, terwijl Vlaanderen – zonder het armlastig Wallonië een netto betaler wordt. Opnieuw een negatief resultaat voor Vlaanderen. Wanneer zal men ons vertellen hoeveel dat ons gaat kosten?
Daarbij komt dat Vlaanderen er alleen voor staat om de eigen vergrijzing en gezondheidszorgen te betalen. Niet dat we moesten rekenen op Franstalige solidariteit, maar het bewijst wel dat de solidariteit alleen van onze kant komt.

Een splitsing wordt dus voor Wallobrux geen catastrofe maar een realistische optie waardoor ze voor eens en voor altijd verlost zijn van die Vlaamse racisten en separatisten die zich weigeren te conformeren naar de Franse taal en cultuur. Na één jaar agressieve anti-Vlaamse retoriek in de Franstalige media is er zelfs een maatschappelijk draagvlak voor deze optie. Wie zal hen tegenhouden? Leterme?

Ook een confederale toekomst wordt voor de Frandtaligen verenigd in Wallobrux een positieve mogelijkheid. Immers met drie federale deelstaten wordt Vlaanderen structureel een minderheid in de confederatie. De verfransing rond Brussel zal zich doorzetten en deze Franstalige inwijkelingen zullen steeds agressiever worden en nog minder geneigd tot integratie en respect. Ze kunnen immers terugvallen op de dominante rol van Wallobrux. Dominante macht? Inderdaad er is geen passender woord. Als Vlaanderen na Brussel verloren te hebben geconfronteerd wordt met een expansionistisch Wallobrux zal elke vraag tot splitsing op hun voorwaarden zijn. Trouwens voor een Vlaanderen zonder hoofdstad bestaat er zelfs geen maatschappelijk draagvlak in Vlaanderen. Willen we niet betalen, zullen we lijdzaam moeten toezien hoe Wallobrux de Vlamingen in Brussel op allerlei manieren onder druk zet om zich te bedienen van de Franse taal. Natuurlijk zullen de Van Hengel en andere Smetjes de eerstkomende verkiezingen nog een verkiesbare plek krijgen op de MR/VLD of PS/SP.A lijst maar ook dat zal maar zeer tijdelijk blijken te zijn.

Is dat een foute analyse, een boze droom? Goedgeplaatste personen vrezen toch dat Leterme en andere politieke zwaargewichten van de meerderheid bereid zijn om in deze koehandel mee te stappen. Er is wel één voorwaarde: dat het “kan uitgelegd worden” aan de achterban.

Volg even deze redenering. BHV splitsen in ruil voor een boswegel annex 10.000 bomen is toch een aanvaardbare prijs? Daar verliest men nauwelijks kiezers mee. Men kan bovendien pronken met een taalgrens die staatsgrens geworden is. Men zwijgt natuurlijk in alle talen over het fenomenale strategisch belang van deze beslissing op lange termijn. Après nous le déluge. Trouwens, wij zijn toch geen separatisten en de Walen toch ook niet, of wel soms?

Eenmaal de Franstaligen deze buit binnen hebben stemmen ze toe om enkele (niet allemaal natuurlijk) sociaal-economisch hefbomen te regionaliseren mits een financiering via het gewijzigde belastingssysteem. Leterme kan pronken met twee oplossingen voor een ogenschijnlijk aanvaardbare prijs. Let wel, deze maatregelen zullen onuitvoerbaar blijven zolang BHV niet gesplitst is en de territoriale link (de definitieve regionale grenzen) niet zijn ingeschreven in de grondwet. De herfinanciering zoals hierboven beschreven kan als een overwinning verkocht worden in Wallonië en Brussel en in Vlaanderen kan men dezelfde beslissing voorstellen als de responsabilisering van de gewesten. Goed bestuur toch?

In de Van Dale staat daarvoor een woord: volksverlakkerij. Want in feite gaat het om een vulgaire gebiedsroof van imperialisten met separatistische neigingen en diefstal van inkomsten die verstrekkende gevolgen zullen hebben voor de welvaart van Vlaanderen. De solidariteitsbijdrage wordt op deze manier geïnstitutionaliseerd! Het is het ultieme bewijs van een gebrek aan politieke solidariteit en gebrek aan respect voor Vlaanderen. In zo’n ANDER België wordt Vlaanderen politiek totaal onmachtig en zal voor een eventuele definitieve splitsing een zeer hoge prijs moeten betalen. Is dat het België dat weldenkende Vlamingen voorstaan? Dat ze het luidop verkondigen!

Dames en Heren Vlaamse Politici,
Hopelijk zal iedereen nu wel beseffen dat de splitsing van BHV enkel kan via de parlementaire weg en NIET door toe te geven aan de Franstaligen. Het kan toch niet uw bedoeling zijn om de strategische belangen van Vlaanderen te schaden en de Vlaamse gemeenschap te herleiden tot een minderheid waarop zelfs de minderhedenrechten niet van toepassing zullen zijn.
Dat is het belang van een boswegel annex 10.000 bomen.

Pjotr

09 mei 2008

La dernière classe

verschenen onder de naam Poulidor in LLB rubriek débats.

Petit rappel historique sur un scénario qui pourrait revenir vite dans certaine périphérie d'une grande ville d'Europe...

La dernière classe, d'Alphonse Daudet (Franse schrijver, 1840 - 1897)

Ce matin-là j'étais très en retard pour aller à l'école, et j'avais grand-peur d'être grondé, d'autant que M. Hamel nous avait dit qu'il nous interrogerait sur les participes, et je n'en savais pas le premier mot. Un moment l'idée me vint de manquer la classe et de prendre ma course à travers champs. Le temps était si chaud, si clair. On entendait les merles siffler à la lisière du bois, et dans le pré Rippert derrière la scierie, les Prussiens qui faisaient l'exercice. Tout cela me tentait bien plus que la règle des participes; mais j'eus la force de résister, et je courus bien vite vers l'école. En passant devant la mairie, je vis qu'il y avait du monde arrêté près du petit grillage aux affiches. Depuis deux ans, c'est de là que nous sont venues toutes les mauvaises nouvelles, les batailles perdues, les réquisitions, les ordres de commandature; et je pensai sans m'arrêter: «Qu'est-ce qu'il y a encore?» Alors, comme je traversais la place en courant, le forgeron Wachter, qui était là avec son apprenti en train de lire l'affiche, me cria: --«Ne te dépêche pas tant, petit; tu y arriveras toujours assez tôt à ton école!» Je crus qu'il se moquait de moi, et j'entrai tout essoufflé dans la petite cour de M. Hamel. D'ordinaire, au commencement de la classe, il se faisait un grand tapage qu'on entendait jusque dans la rue, les pupitres ouverts, fermés, les leçons qu'on répétait très haut tous ensemble en se bouchant les oreilles pour mieux apprendre, et la grosse règle du maître qui tapait sur les tables: «Un peu de silence!» Je comptais sur tout ce train pour gagner mon banc sans être vu; mais justement ce jour-là tout était tranquille, comme un matin de dimanche. Par la fenêtre ouverte, je voyais mes camarades déjà rangés à leurs places, et M. Hamel, qui passait et repassait avec la terrible règle en fer sous le bras. Il fallut ouvrir la porte et entrer au milieu de ce grand calme. Vous pensez, si j'étais rouge et si j'avais peur! Eh bien, non. M. Hamel me regarda sans colère et me dit très doucement: «Va vite à ta place, mon petit Frantz; nous allions commencer sans toi.» J'enjambai le banc et je m'assis tout de suite à mon pupitre. Alors seulement, un peu remis de ma frayeur, je remarquai que notre maître avait sa belle redingote verte, son jabot plissé fin et la calotte de soie noire brodée qu'il ne mettait que les jours d'inspection ou de distribution de prix. Du reste, toute la classe avait quelque chose d'extraordinaire et de solennel. Mais ce qui me surprit le plus, ce fut de voir au fond de la salle, sur les bancs qui restaient vides d'habitude, des gens du village assis et silencieux comme nous, le vieux Hauser avec son tricorne, l'ancien maire, l'ancien facteur, et puis d'autres personnes encore. Tout ce monde-là paraissait triste; et Hauser avait apporté un vieil abécédaire mangé aux bords qu'il tenait grand ouvert sur ses genoux, avec ses grosses lunettes posées en travers des pages. Pendant que je m'étonnais de tout cela, M. Hamel était monté dans sa chaire, et de la même voix douce et grave dont il m'avait reçu, il nous dit: «Mes enfants, c'est la dernière fois que je vous fais la classe. L'ordre est venu de Berlin de ne plus enseigner que l'allemand dans les écoles de l'Alsace et de la Lorraine... Le nouveau maître arrive demain. Aujourd'hui c'est votre dernière leçon de français. Je vous prie d'être bien attentifs.» Ces quelques paroles me bouleversèrent. Ah! les misérables,voilà ce qu'ils avaient affiché à la mairie. Ma dernière leçon de français!... Et moi qui savais à peine écrire! Je n'apprendrais donc jamais! Il faudrait donc en rester là!... Comme je m'en voulais maintenant du temps perdu, des classes manquées à courir les nids ou à faire des glissades sur la Saar! Mes livres que tout à l'heure encore je trouvais si ennuyeux, si lourds à porter, ma grammaire, mon histoire sainte me semblaient à présent de vieux amis qui me feraient beaucoup de peine à quitter. C'est comme M. Hamel. L'idée qu'il allait partir, que je ne le verrais plus me faisait oublier les punitions et les coups de règle. Pauvre homme! C'est en l'honneur de cette dernière classe qu'il avait mis ses beaux habits du dimanche, et maintenant je comprenais pourquoi ces vieux du village étaient venus s'asseoir au bout de la salle. Cela semblait dire qu'ils regrettaient de ne pas y être venus plus souvent, à cette école. C'était aussi comme une façon de remercier notre maître de ses quarante ans de bons services, et de rendre leurs devoirs à la patrie qui s'en allait... J'en étais là de mes réflexions, quand j'entendis appeler mon nom. C'était mon tour de réciter. Que n'aurais-je pas donné pour pouvoir dire tout au long cette fameuse règle des participes, bien haut, bien clair, sans une faute; mais je m'embrouillai aux premiers mots, et je restai debout à me balancer dans mon banc, le coeur gros, sans oser lever la tête. J'entendais M. Hamel qui me parlait: «Je ne te gronderai pas, mon petit Frantz, tu dois être assez puni... voilà ce que c'est. Tous les jours on se dit: Bah! j'ai bien le temps. J'apprendrai demain. Et puis tu vois ce qui arrive... Ah! ç'a été le grand malheur de notre Alsace de toujours remettre son instruction à demain. Maintenant ces gens-là sont en droit de nous dire: Comment! Vous prétendiez être Français, et vous ne savez ni parler ni écrire votre langue!... Dans tout ça, mon pauvre Frantz, ce n'est pas encore toi le plus coupable. Nous avons tous notre bonne part de reproches à nous faire. «Vos parents n'ont pas assez tenu à vous voir instruits. Ils aimaient mieux vous envoyer travailler à la terre ou aux filatures pour avoir quelques sous de plus. Moi-même n'ai-je rien à me reprocher? Est-ce que je ne vous ai pas souvent fait arroser mon jardin au lieu de travailler? Et quand je voulais aller pêcher des truites, est-ce que je me gênais pour vous donner congé?...» Alors d'une chose à l'autre, M. Hamel se mit à nous parler de la langue française, disant que c'était la plus belle langue du monde, la plus claire, la plus solide: qu'il fallait la garder entre nous et ne jamais l'oublier, parce que, quand un peuple tombe esclave, tant qu'il tient sa langue, c'est comme s'il tenait la clef de sa prison... Puis il prit une grammaire et nous lut notre leçon. J'étais étonné de voir comme je comprenais. Tout ce qu'il disait me semblait facile, facile. Je crois aussi que je n'avais jamais si bien écouté, et que lui non plus n'avait jamais mis autant de patience à ses explications. On aurait dit qu'avant de s'en aller le pauvre homme voulait nous donner tout son savoir, nous le faire entrer dans la tête d'un seul coup. La leçon finie, on passa à l'écriture. Pour ce jour-là, M. Hamel nous avait préparé des exemples tout neufs, sur lesquels était écrit en belle ronde: France, Alsace, France, Alsace. Cela faisait comme des petits drapeaux qui flottaient tout autour de la classe pendu à la tringle de nos pupitres. Il fallait voir comme chacun s'appliquait, et quel silence! on n'entendait rien que le grincement des plumes sur le papier. Un moment des hannetons entrèrent; mais personne n'y fit attention, pas même les tout petits qui s'appliquaient à tracer leurs bâtons, avec un coeur, une conscience, comme si cela encore était du français... Sur la toiture de l'école, des pigeons roucoulaient bas, et je me disais en les écoutant: «Est-ce qu'on ne va pas les obliger à chanter en allemand, eux aussi?» De temps en temps, quand je levais les yeux de dessus ma page, je voyais M. Hamel immobile dans sa chaire et fixant les objets autour de lui comme s'il avait voulu emporter dans son regard toute sa petite maison d'école... Pensez! depuis quarante ans, il était là à la même place, avec sa cour en face de lui et sa classe toute pareille. Seulement les bancs, les pupitres s'étaient polis, frottés par l'usage; les noyers de la cour avaient grandi, et le houblon qu'il avait planté lui-même enguirlandait maintenant les fenêtres jusqu'au toit. Quel crêve-coeur ça devait être pour ce pauvre homme de quitter toutes ces choses, et d'entendre sa soeur qui allait, venait, dans la chambre au-dessus, en train de fermer leurs malles! car ils devaient partir le lendemain, s'en aller du pays pour toujours. Tout de même il eut le courage de nous faire la classe jusqu'au bout. Après l'écriture, nous eûmes la leçon d'histoire; ensuite les petits chantèrent tous ensemble le BA BE BI BO BU. Là-bas au fond de la salle, le vieux Hauser avait mis ses lunettes, et, tenant son abécédaire à deux mains, il épelait les lettres avec eux. On voyait qu'il s'appliquait lui aussi; sa voix tremblait d'émotion, et c'était si drôle de l'entendre, que nous avions tous envie de rire et de pleurer. Ah! je m'en souviendrai de cette dernière classe... Tout à coup l'horloge de l'église sonna midi, puis l'Angelus. Au même moment, les trompettes des Prussiens qui revenaient de l'exercice éclatèrent sous nos fenêtres... M. Hamel se leva, tout pâle, dans sa chaire. Jamais il ne m'avait paru si grand. «Mes amis, dit-il, mes amis, je... je... » Mais quelque chose l'étouffait. Il ne pouvait pas achever sa phrase. Alors il se tourna vers le tableau, prit un morceau de craie, et, en appuyant de toutes ses forces, il écrivit aussi gros qu'il put: «VIVE LA FRANCE!» Puis il resta là, la tête appuyée au mur, et, sans parler, avec sa main il nous faisait signe: «C'est fini...allez-vous-en.»

07 mei 2008

Pacificatie- versus conflictmodel

Een commentaar op het artikel in De Standaard
Back to basics
geschreven door Bart Maddens, politicoloog KU Leuven

Anders gelezen

Dit artikel maakt naast de BHV problematiek iets anders duidelijk: de modus operandi eigen aan twee verschillende visies om tot een resultaat te komen.

Wanneer men kiest voor het pacificatiemodel dan is het logisch om als methode te kiezen voor onderhandelingen. Dat is de welbekende “Belgische compromis methode” waarbij men door geven en nemen een (labiel) evenwicht bewaart tussen de beide grote gemeenschappen. Deze methode heeft ongetwijfeld zijn voordelen. Immers niemand wil oorlog.

De tweede visie berust op een conflictmodel waarbij men de confrontatie aangaat wegens onverzoenbare, tegengestelde visies: de modus operandi wordt dan het gebruik van een ‘breekijzer’ dat erop neerkomt de andere gemeenschap op een (democratische) manier te dwingen om toe te geven. In het geval van BHV, kan dat door het gebruik van twee breekijzers: de inzet van de Vlaamse numerieke meerderheid in het parlement en daarnaast het politieke breekijzer, de weigering om toe te treden tot een regering als de splitsing geweigerd wordt.

Het interessante aan de actuele situatie is dat men voor het probleem van BHV aan Vlaamse kant gedurende vele jaren de pacificatiemethode toepaste maar uiteindelijk op 7 november 2007 overstapte naar het conflictmodel en meerderheid tegen minderheid stemde voor de splitsing. Vermits de Franstaligen geen regeringscrisis konden veroorzaken, er bestond immers geen regering om te doen vallen, werd opnieuw overgeschakeld op de pacificatiemethode en werd gepoogd om opnieuw tot een onderhandelde oplossing te komen.
Tegen de achtergrond van een dreigende nieuwe stemronde in het parlement, begin mei, poogt Leterme alsnog tot een onderhandelde oplossing te komen.

Twee mogelijke evoluties

Het pacificatiemodel leidt onvermijdelijk tot een oplossing waarbij men ‘een prijs’ betaalt voor de splitsing van BHV. Conclusie: deze prijs zal voor de groeiende Vlaamsvoelende gemeenschap altijd te hoog zijn, waardoor de polarisatie zal toenemen, zeker in Vlaams Brabant. De volgende communautaire crisis staat dan al geprogrammeerd. Ook de ‘Wijze staatsmannen’ beseffen maar al te goed dat ‘scheve dromedarissen’ geen lang leven beschoren zijn.
De voorstanders van deze oude methode verdedigen die prijs door te stellen dat er anders geen sprake zal zijn van de andere hervormingen die nog belangrijker zijn voor Vlaanderen. Met andere woorden via het pacificatiemodel kan Vlaanderen enkel vooruitgang boeken in de mate dat de Franstaligen dat willen en door de hoge prijs te betalen die ze daarvoor eisen. Gezien vanuit Franstalige hoek is dat een normale zaak: wie absoluut iets wil betaalt altijd méér dan de marktprijs. Dat de voorstanders deze waarheid liever verdoezelen is begrijpelijk. Dat ze de andere methode voorstellen als onmogelijk is intellectueel oneerlijkheid. Daarin heeft Bart Maddens volkomen gelijk.

Wie het conflictmodel wil volgen moet rekening houden met een lange periode van politieke onrust. Het volstaat immers niet om in het parlement de splitsing te stemmen. Tegelijk kan niet toegegeven worden op de eisen voor regionalisering en responsabilisering van de socio-economische hefbomen. Zowel voor de Vlamingen als de Franstaligen is dergelijke methode nieuw. Het vergroot de kans dat men hetzij tot een totale impasse komt met het fatale uiteenvallen van de staat als enig alternatief, hoewel dat weinig waarschijnlijk is, hetzij dat de crisis een catharsis veroorzaakt waardoor er toch een verregaande staatshervorming komt. Het einde van DIT België dat de plaats moet ruimen voor een ANDER België. Een staat waar de beide gemeenschappen elk hun eigen maatschappelijke visie kunnen waarmaken en enkel datgene samen doen waarover ze het eens zijn; dezelfde visie delen. Gezien de Belgische spitsvondigheid durf ik hierop geen naam plakken. Als we in staat zijn om de buitenwereld te overtuigen dat ons huidig model federaal is, zullen we er ook wel in slagen om een confederaal model te verkopen als een unieke federatie.

In beide modellen, pacificatie of confrontatie, zal de uitkomst naarmate ze uitblijft ook meer emotioneel geladen worden. De overwinning of de nederlaag des te groter. De media – waarbij het om veel meer gaat dan de klassieke kranten, tijdschriften en TV - zullen hierin een belangrijke rol spelen.

Ben ik er ver naast als ik denk dat het pacificatiemodel tijdelijke politieke oplossingen aanreikt maar tevens de polarisatie voedt en op langere termijn het gemeenschappelijk maatschappelijk draagvlak verkleint, terwijl het confrontatiemodel leidt tot een breuk in de (artificiële) Belgische samenleving waardoor een grotere stap naar beter bestuur mogelijk wordt en het wederzijds respect en verdraagzaamheid door de loutering uiteindelijk kan groeien?

Pjotr