Er worden soms heel overtuigende argumenten bijeengesprokkeld om de onwetende toehoorder of lezer te overtuigen van het gelijk van een van de protagonisten in een discussie. Het kan overigens best zijn dat het ook zo is, maar toch even naar beide kanten luisteren kan geen kwaad. Zeker niet als men daardoor beseft dat het soms moeilijker is om de juiste toedracht te kennen, dan het lijkt.
Neem nu de Fortis affaire van de laatste dagen (stemming aandeelhouders) en de reacties van de federale regering. De stemming over de Fortis deals werd door de aandeelhouders weggestemd. Men verwees naar een mogelijke manipulatie van de regering om geschorste aandelen toch toe te laten om hun eraan verbonden stemrecht te laten gelden. Volgens de enen ging deze actie uit van de regering (Reynders), waarop Van Rompuy reageerde en bevestigde dat deze vraag uitging van Fortis bank. Wie heeft er gelijk?
Wanneer men uit de media deze passages aan mekaar linkt die voor Reynders belastend zijn (vooral vandaag in DS), is het niet moeilijk om mensen die al geen hoge pet van hem ophebben te overtuigen van zijn schandalige poging om de regeringsbeslissing alsnog erdoor te duwen.
Als men echter redenen zoek om het tegenovergestelde te geloven, zal men luisteren naar Van Rompuy die zegt dat het Fortis bank was die deze ongelukkige vraag stelde en niet Reynders. Dat hij in één adem een ander zwart schaap aanwijst, de chinees Pin An, doet er niet toe, maar of het zijn geloofwaardigheid versterkt? Wie u gelijk geeft zal dus afhangen van wat u wil horen en uiteraard de geloofwaardigheid van de protagonisten.
Voor wie geen vertrouwen meer heeft in de politici én de bankmanagers is er een derde mogelijkheid: dat Fortis bank de vraag wel stelde maar dat het plausibel is om te geloven dat Reynders Fortis bank opdracht gaf om deze poging te ondernemen zodat hijzelf buiten schot kon blijven. Dan heet dan zijn ver antwoordelijkheid ontlopen of in eenvoudige termen achterbaksheid. Dan heeft de hele regering boter op het hoofd en gooide Van Rompuy zijn aureool van integriteit en geloofwaardigheid te grabbel.
Want geloofwaardigheid dáár gaat het om en is dat nu niet precies het grote probleem van de bankmanagers en federale politici? Alleen kunnen bankmanagers weggestuurd worden, voor federale politici, die staan voor het Belgisch belang(?) lijkt dat veel moeilijker. Hun ultieme verdedigingsgordel is het verwijt dat ‘men’ – dat zijn wij allen, kritisch ingestelde toehoorders/lezers - de polarisatie voedt; nog meer ‘wij tegen zij’. Dan heb ik wel één vraag die ik graag aan de eerste minister zou willen stellen: zouden we dan mogen weten wat de politici en bankiers dan wel van ons verwachten?
De mediaoorlog tussen Delhaize en Unilever heeft deze week gezorgd voor enige ophef en toen ik het opnam voor één partij (Unilever, op het moment dat Delhaize als eerste dit probleem eenzijdig via de radio naar buiten bracht) kreeg ik prompt reactie van een vriend en trouwe lezer. Even beide kanten bekijken?
Delhaize stelt dat ze verplicht wordt om het Unilever gamma uit de rekken te nemen omdat Unilever een veel hogere prijs eist. In hun winkels staat bij elke lege plek een bordje met de aanbeveling om een ‘gelijkwaardig’ product te kopen dat ze wel in voorraad hebben. Unilever wordt publiek gehekeld als de boeman die onredelijke prijsverhogingen eist.
Unilever vertelt een heel ander verhaal, dat begint bij de vaststelling dat de winstmarge op de eigen producten beduidend kleiner is dan de winstmarge van Delhaize op diezelfde producten. Geen probleem voor Delhaize dat terecht zijn eigen prijzen mag bepalen, zolang de klanten deze maar billijk vinden. In september 2008 wordt Delhaize op de hoogte gebracht van de vraag om voor 2009 een nieuwe overeenkomst te onderhandelen (het gaat om jaarlijkse akkoorden), wat betekent dat Delhaize vanaf dan wist dat het lopende akkoord niet zou verlengd worden. Tot begin januari weigert Delhaize te onderhandelen over een nieuw akkoord. Gevolg: alle leveringen na 1 januari worden gefactureerd aan de volle prijs, vermits de toegekende kortingen deel uitmaken van een akkoord dat er niet is. De ‘volle pot’ prijs is niet hoger dan de inflatie in het voorbije jaar en dus best aanvaardbaar. Maar de grote kortingen die Delhaize krijgt zijn er niet meer waardoor Delhaize gelijk heeft als ze zeggen dat de aankoopkosten gestegen zijn met … 30% ? Een van die kortingen is de belangrijke korting voor klanten die het ganse assortiment nemen en daar ook de nodige promotie campagnes voor willen steunen. Dat is blijkbaar waar het schoentje voor Delhaize wringt.
Delhaize wil met goedkopere producten de concurrentie aangaan met ALDI. Daarom willen ze hun assortiment in deze prijsklasse promoten en uitbreiden. Dat staat haaks op het grote assortiment van Unilever en veroorzaakt praktische problemen (ruimte en grotere stocks en gelijktijdige promotiecampagnes voor twee verscheiden strategieën). Naamsbekendheid versus de goedkoopste zonder merknaam. Strategische keuzes hebben natuurlijk ook consequenties.
Unilever staat sterk want niet zo afhankelijk van deze klant, maar het doet geen deugd en ook Delhaize zal een aantal klanten verliezen. Delhaize dreigt zijn imago van de ‘betere winkel’ te verliezen. Beide kampen zullen uiteindelijk tot een vergelijk komen en dan zal men zich afvragen of het wel nodig was om zo lang te wachten en het uit te vechten via de media.
Ondertussen is het bij Colruyt en andere afnemers van het Unilever assortiment kassa, kassa. En als later de prijs stijgt in Delhaize zal ook hun winstmarge groter worden.
Voor wie Delhaize volgt en de vervangingsproducten koopt: HLN heeft de moeite gedaan om de prijzen voor het volledige pakket te vergelijken (de voorgestelde vervangingsproducten in plaats van Unilever producten) en kwam tot de vaststelling dat de klant 290 euro moet betalen in plaats van 240 euro. Zo goedkoop lijken alle vervangingsartikelen dus niet te zijn!
Pjotr
13 februari 2009
28 januari 2009
Ten Paleize
(voor de nieuwjaarsreceptie)
Herman Van Rompuy letterlijk :
Onze samenleving is al te veel getekend door het vijanddenken, door de indeling in “Wij en Zij”. ‘Zij’ zijn de schuld van alles en ‘Wij’ hebben altijd gelijk. Genuanceerd denken en spreken is niet tegengesteld aan duidelijkheid. Ik wou u dit alleen maar gezegd hebben.
Ja, Herman Van Rompuy heeft gelijk; sorry, maar ik denk nog steeds niet aan hem als premier, maar dat komt wel. Het Wij / Zij denken is toegenomen en zou ons moeten doen nadenken over het waarom en hoe we er iets kunnen aan doen. In enkele lijnen kan dat niet … maar even bij stilstaan wel.
Onlangs schreef ik hem over de vaststelling dat in Vlaanderen de grote politieke families er niet meer in slagen om zeer veel weldenkende Vlamingen politiek onderdak te bieden, waardoor hun maatschappelijk draagvlak aangetast is. Na mijn argumentatie besloot ik met: “Daarom ligt naar mijn bescheiden mening de schuld niet bij de kiezers, maar ‘grotendeels’ bij de leidende politici van deze families”.
Hierop reageerde hij als volgt:
Uw besluit is wel wat al te gemakkelijk. Het houdt de kiemen in precies van het populisme: het 'goede' volk tegenover de 'slechte' politici.
Dit voorbeeld om aan te tonen hoe snel wij kunnen vastzitten in een WIJ/ZIJ redenering. Nochtans zal ik bij de eersten zijn om politici te verdedigen als ze onterecht met alle zonden Israëls worden overladen. Maar omgekeerd, mag men zich niet verbergen achter deze tegenstelling om de problemen niet te benoemen, onbespreekbaar te houden. Deze wij/zij gebruiken als een afweerschild kan niet de bedoeling zijn.
Dat vijanddenken lijkt mij trouwens een beetje overtrokken. Het is wel waar dat veel meer mensen geschoold zijn en beter dan vroeger het politiek gebeuren kunnen volgen; een eigen mening hebben. Het is eveneens waar dat politici zich nu veel meer publiek manifesteren, waardoor zowel hun goede als kleine kanten worden uitvergroot. Maar dat de kiezers assertiever geworden zijn lijkt mij geen kwalijke zaak; integendeel.
Er is nooit téveel kennis onder gelijken (democratie), wel als men de ongelijkheid (paternalisme) wil bestendigen.
Dat ‘genuanceerd denken en spreken niet tegengesteld is aan duidelijkheid’, hangt vooral af van de intentie. Als men de bedoeling heeft om zo getrouw mogelijk ‘de waarheid’ te vertellen, kunnen genuanceerde uitspraken zeer duidelijk zijn. Wanneer men echter ‘iets’ wil verzwijgen zal genuanceerd spreken niet duidelijk zijn en zal de attente toehoorder/lezer op zijn minst aanvoelen dat het niet helemaal klopt. Vandaar het grote verschil tussen (het gebrek aan) een ‘maatschappelijk draagvlak’ en een ‘communicatieprobleem’.
Het populisme biedt geen antwoord op de problemen maar heeft wel een belangrijk effect: het legt de zwakke kanten van het ‘denken maar niet doen’ bloot: analyses moeten leiden tot daden zoniet blijven ze onvruchtbaar. Het meetbare resultaat blijft de beste graadmeter voor om het even welk beleid. Zoals DIT België er vandaag zowel institutioneel als maatschappelijk aan toe is, stemt niet hoopvol voor de toekomst. Het ziet er eerder naar uit dat Rik Van Cauwelaert gelijk zal krijgen; ik citeer: dat we zoals de mandarijn van weleer op de oever zullen moeten wachten tot de lijken voorbij drijven.
Pjotr
Herman Van Rompuy letterlijk :
Onze samenleving is al te veel getekend door het vijanddenken, door de indeling in “Wij en Zij”. ‘Zij’ zijn de schuld van alles en ‘Wij’ hebben altijd gelijk. Genuanceerd denken en spreken is niet tegengesteld aan duidelijkheid. Ik wou u dit alleen maar gezegd hebben.
Ja, Herman Van Rompuy heeft gelijk; sorry, maar ik denk nog steeds niet aan hem als premier, maar dat komt wel. Het Wij / Zij denken is toegenomen en zou ons moeten doen nadenken over het waarom en hoe we er iets kunnen aan doen. In enkele lijnen kan dat niet … maar even bij stilstaan wel.
Onlangs schreef ik hem over de vaststelling dat in Vlaanderen de grote politieke families er niet meer in slagen om zeer veel weldenkende Vlamingen politiek onderdak te bieden, waardoor hun maatschappelijk draagvlak aangetast is. Na mijn argumentatie besloot ik met: “Daarom ligt naar mijn bescheiden mening de schuld niet bij de kiezers, maar ‘grotendeels’ bij de leidende politici van deze families”.
Hierop reageerde hij als volgt:
Uw besluit is wel wat al te gemakkelijk. Het houdt de kiemen in precies van het populisme: het 'goede' volk tegenover de 'slechte' politici.
Dit voorbeeld om aan te tonen hoe snel wij kunnen vastzitten in een WIJ/ZIJ redenering. Nochtans zal ik bij de eersten zijn om politici te verdedigen als ze onterecht met alle zonden Israëls worden overladen. Maar omgekeerd, mag men zich niet verbergen achter deze tegenstelling om de problemen niet te benoemen, onbespreekbaar te houden. Deze wij/zij gebruiken als een afweerschild kan niet de bedoeling zijn.
Dat vijanddenken lijkt mij trouwens een beetje overtrokken. Het is wel waar dat veel meer mensen geschoold zijn en beter dan vroeger het politiek gebeuren kunnen volgen; een eigen mening hebben. Het is eveneens waar dat politici zich nu veel meer publiek manifesteren, waardoor zowel hun goede als kleine kanten worden uitvergroot. Maar dat de kiezers assertiever geworden zijn lijkt mij geen kwalijke zaak; integendeel.
Er is nooit téveel kennis onder gelijken (democratie), wel als men de ongelijkheid (paternalisme) wil bestendigen.
Dat ‘genuanceerd denken en spreken niet tegengesteld is aan duidelijkheid’, hangt vooral af van de intentie. Als men de bedoeling heeft om zo getrouw mogelijk ‘de waarheid’ te vertellen, kunnen genuanceerde uitspraken zeer duidelijk zijn. Wanneer men echter ‘iets’ wil verzwijgen zal genuanceerd spreken niet duidelijk zijn en zal de attente toehoorder/lezer op zijn minst aanvoelen dat het niet helemaal klopt. Vandaar het grote verschil tussen (het gebrek aan) een ‘maatschappelijk draagvlak’ en een ‘communicatieprobleem’.
Het populisme biedt geen antwoord op de problemen maar heeft wel een belangrijk effect: het legt de zwakke kanten van het ‘denken maar niet doen’ bloot: analyses moeten leiden tot daden zoniet blijven ze onvruchtbaar. Het meetbare resultaat blijft de beste graadmeter voor om het even welk beleid. Zoals DIT België er vandaag zowel institutioneel als maatschappelijk aan toe is, stemt niet hoopvol voor de toekomst. Het ziet er eerder naar uit dat Rik Van Cauwelaert gelijk zal krijgen; ik citeer: dat we zoals de mandarijn van weleer op de oever zullen moeten wachten tot de lijken voorbij drijven.
Pjotr
16 januari 2009
Defensie heeft oud materieel én oud personeel
Analyse van de defensiepolitiek inzake het materieel
Onder de titel ‘Solden bij het Leger’ wijdt De Morgen een artikel aan de verkoop van totaal verouderd militair materieel. Prof L Devos, historicus en docent aan de KMS en KUL verklaart: “het leger had lang de neiging om materieel te kopen dat niet honderd procent voldeed en het dan eindeloos te verbouwen”. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om nog eens – en terecht – de compensatiepolitiek te hekelen: “eigenlijk had het geld voor die aankopen moeten worden afgetrokken van de budgetten van de ministeries van economie en werk”.
Kees Homan, defensiespecialist van het Clingendael instituut zegt: “Jullie zullen het leger nooit genoeg kunnen moderniseren of zelfs maar op niveau brengen van de andere Europese landen”.
Is deze kritiek gegrond, dan nog blijft het een vrijblijvende oefening en is er vooral nood aan een analyse inclusief een aanzet tot een betere materieelpolitiek.
De vastlegging van de behoefte, de eerste stap in de verwerving van nieuw materieel, is in de loop van het Flahaut tijdperk grondig gewijzigd. Kwantitatief is men afgestapt van een ‘reserve’ zodat voor de nieuwe hoofdmateriëlen (gevechtsvoertuigen, -vliegtuigen, …) er geen ‘sustainability’ meer is. Geen logistieke reserve meer en evenmin een operationele reserve voor oefeningen en zelfs niet voor vredesoperaties. Elk verlies van een voertuig/vliegtuig/… moet daarom gecompenseerd worden door een nieuwe aankoop. Indien dit al mogelijk is in vredestijd dan nog zal het snel één of meer ja(a)r(en) duren vooraleer de vervanging een feit is. Door deze politiek voldoet men niet meer aan de NAVO verplichtingen.
Inzake kwaliteit is er de permanente druk vanuit de Belgische (vooral Waalse) industrie om mee te kunnen profiteren van elke aankoop. Hoewel Verhofstadt op een bepaald ogenblik de compensaties wou afbouwen, werd het een van zijn loze beloften. Maar er is nog een ander probleem dat minder aan bod komt: de onverklaarbare behoefte van zowel de militaire autoriteiten (generaals) als de technische diensten om geen genoegen te nemen met een bestaand materieeltype (aankoop ‘on the shelf’ zonder Belgische tierelantijntjes) waarvan de kwaliteiten en gebreken gekend zijn. Voor de technici is deze drang nog begrijpelijk want zo rechtvaardigen ze grotendeels hun bestaan, maar wat de generaals bezielt om geen genoegen te nemen met materieel dat in dienst is in de krijgsmachten van de grote partners (Europese of Amerikaanse) is totaal onbegrijpelijk. Of worden ze daartoe verplicht door de politici?
De vervanging van het bestaande materieel veroorzaakt twee problemen waarvoor nooit een degelijke oplossing werd gevonden:
- de financiële middelen waren altijd ontoereikend om het materieel op het einde van een ‘optimale’ levensduur te kunnen vervangen. Gevolg: de logistieke kosten swingen de pan uit en het schaarse geld voor de tewerkstelling (waaronder de training) gaat naar zinloos onderhoud. Inclusief hoge stockeringskosten.
- Het verouderd materieel kan niet meer verkocht worden aan een redelijke prijs, soms omdat de USA haar toelating weigert, maar vooral omdat geen enkel land het materieel nog wil. Tenzij een of ander regime dat behoefte heeft aan enkele exemplaren voor het nationaal defilé.
Is er dan geen oplossing mogelijk?
Absoluut wel. Een eerste belangrijke beslissing moet ervoor zorgen dat voor het hoofdmaterieel enkel nog types gekocht worden die bestaan en hun deugdelijkheid hebben bewezen, ZONDER technische aanpassingen die niet alleen duur maar soms ook onbetrouwbaar zijn. Betrouwbaarheid is in veel gevallen belangrijker dan het laatste technologisch snufje dat meestal zeer veel kost (altijd meer dan ingecalculeerd) en soms (dikwijls) niet geeft wat de wapenfabrikanten beloven.
Verder is, wegens de kleinschaligheid en de dure aankoopkosten, een efficiënt en betaalbare materieelpolitiek enkel nog mogelijk door operationeel en logistiek samen te werken met andere EU/NAVO partners. Het afstemmen van onze materieelpolitiek op Nederland ligt voor de hand. Alleen zijn er de bekende ‘communautaire’ meningsverschillen en gebeurt er niets.
Maar ook de meest adequate materieelpolitiek zal altijd gebukt gaan onder de onevenwichtige verdeling van de krappe financiële middelen. Het essentiële – bijna existentiële - probleem voor defensie is het teveel aan (te oud) personeel. Defensie is het enige ministerie waar men functies creëert niet omwille van de werklast maar omwille van het overtollig personeel.
Voor dit acuut probleem zijn drastische ingrepen nodig, waarvoor – ook vandaag - de politieke moed ontbreekt. Het gaat niet enkel om het wegsturen van oudere medewerkers, maar om een herziening van de ganse personeelspolitiek, inclusief vorming, training en inzetpotentieel. Wie zal het aandurven om dat op tafel te leggen?
Aanmodderen kan iedereen.
Pierre Therie
Kolonel SBH bd
Onder de titel ‘Solden bij het Leger’ wijdt De Morgen een artikel aan de verkoop van totaal verouderd militair materieel. Prof L Devos, historicus en docent aan de KMS en KUL verklaart: “het leger had lang de neiging om materieel te kopen dat niet honderd procent voldeed en het dan eindeloos te verbouwen”. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om nog eens – en terecht – de compensatiepolitiek te hekelen: “eigenlijk had het geld voor die aankopen moeten worden afgetrokken van de budgetten van de ministeries van economie en werk”.
Kees Homan, defensiespecialist van het Clingendael instituut zegt: “Jullie zullen het leger nooit genoeg kunnen moderniseren of zelfs maar op niveau brengen van de andere Europese landen”.
Is deze kritiek gegrond, dan nog blijft het een vrijblijvende oefening en is er vooral nood aan een analyse inclusief een aanzet tot een betere materieelpolitiek.
De vastlegging van de behoefte, de eerste stap in de verwerving van nieuw materieel, is in de loop van het Flahaut tijdperk grondig gewijzigd. Kwantitatief is men afgestapt van een ‘reserve’ zodat voor de nieuwe hoofdmateriëlen (gevechtsvoertuigen, -vliegtuigen, …) er geen ‘sustainability’ meer is. Geen logistieke reserve meer en evenmin een operationele reserve voor oefeningen en zelfs niet voor vredesoperaties. Elk verlies van een voertuig/vliegtuig/… moet daarom gecompenseerd worden door een nieuwe aankoop. Indien dit al mogelijk is in vredestijd dan nog zal het snel één of meer ja(a)r(en) duren vooraleer de vervanging een feit is. Door deze politiek voldoet men niet meer aan de NAVO verplichtingen.
Inzake kwaliteit is er de permanente druk vanuit de Belgische (vooral Waalse) industrie om mee te kunnen profiteren van elke aankoop. Hoewel Verhofstadt op een bepaald ogenblik de compensaties wou afbouwen, werd het een van zijn loze beloften. Maar er is nog een ander probleem dat minder aan bod komt: de onverklaarbare behoefte van zowel de militaire autoriteiten (generaals) als de technische diensten om geen genoegen te nemen met een bestaand materieeltype (aankoop ‘on the shelf’ zonder Belgische tierelantijntjes) waarvan de kwaliteiten en gebreken gekend zijn. Voor de technici is deze drang nog begrijpelijk want zo rechtvaardigen ze grotendeels hun bestaan, maar wat de generaals bezielt om geen genoegen te nemen met materieel dat in dienst is in de krijgsmachten van de grote partners (Europese of Amerikaanse) is totaal onbegrijpelijk. Of worden ze daartoe verplicht door de politici?
De vervanging van het bestaande materieel veroorzaakt twee problemen waarvoor nooit een degelijke oplossing werd gevonden:
- de financiële middelen waren altijd ontoereikend om het materieel op het einde van een ‘optimale’ levensduur te kunnen vervangen. Gevolg: de logistieke kosten swingen de pan uit en het schaarse geld voor de tewerkstelling (waaronder de training) gaat naar zinloos onderhoud. Inclusief hoge stockeringskosten.
- Het verouderd materieel kan niet meer verkocht worden aan een redelijke prijs, soms omdat de USA haar toelating weigert, maar vooral omdat geen enkel land het materieel nog wil. Tenzij een of ander regime dat behoefte heeft aan enkele exemplaren voor het nationaal defilé.
Is er dan geen oplossing mogelijk?
Absoluut wel. Een eerste belangrijke beslissing moet ervoor zorgen dat voor het hoofdmaterieel enkel nog types gekocht worden die bestaan en hun deugdelijkheid hebben bewezen, ZONDER technische aanpassingen die niet alleen duur maar soms ook onbetrouwbaar zijn. Betrouwbaarheid is in veel gevallen belangrijker dan het laatste technologisch snufje dat meestal zeer veel kost (altijd meer dan ingecalculeerd) en soms (dikwijls) niet geeft wat de wapenfabrikanten beloven.
Verder is, wegens de kleinschaligheid en de dure aankoopkosten, een efficiënt en betaalbare materieelpolitiek enkel nog mogelijk door operationeel en logistiek samen te werken met andere EU/NAVO partners. Het afstemmen van onze materieelpolitiek op Nederland ligt voor de hand. Alleen zijn er de bekende ‘communautaire’ meningsverschillen en gebeurt er niets.
Maar ook de meest adequate materieelpolitiek zal altijd gebukt gaan onder de onevenwichtige verdeling van de krappe financiële middelen. Het essentiële – bijna existentiële - probleem voor defensie is het teveel aan (te oud) personeel. Defensie is het enige ministerie waar men functies creëert niet omwille van de werklast maar omwille van het overtollig personeel.
Voor dit acuut probleem zijn drastische ingrepen nodig, waarvoor – ook vandaag - de politieke moed ontbreekt. Het gaat niet enkel om het wegsturen van oudere medewerkers, maar om een herziening van de ganse personeelspolitiek, inclusief vorming, training en inzetpotentieel. Wie zal het aandurven om dat op tafel te leggen?
Aanmodderen kan iedereen.
Pierre Therie
Kolonel SBH bd
09 januari 2009
Nieuwjaarswensen voor de Eerste Minister
Zeer Geachte Heer Herman Van Rompuy ,
Mijn oprechte en hartelijke gelukwensen met uw aanstelling als eerste minister van België. Ik hoop dat u erin zult slagen om dit jaar vol te maken en een grote stap te zetten naar beter bestuur; opdat België niet enkel een voorbeeld zou zijn voor oorlogsgebied of conflictregio’s.
Het is u wellicht ook opgevallen dat de ‘christelijke’ Premiers van België één ding gemeen hebben: ze houden van voetbal. Jean Luc als fervente supporter van FC Brugge, Yves, uw voorganger, die de tribune van Standard de Liège onveilig maakt en nu u, als discrete supporter van RFC Anderlecht. Ik weet niet of u met dezelfde overgave als uw voorgangers supportert, maar in elk geval worden de kansen dat Anderlecht dit jaar kampioen speelt, groter. Het zal geen toevalstreffer zijn want in het verleden bleek reeds uw (commerciële) waarde: immers, sinds uw jaarlijkse retraite in de abdij van Affligem bekend raakte, is de Affligem Tripel verkozen tot het beste Patersbier ter wereld en dat is al even straf als de reclamestunt van Yves die ervoor zorgde dat de Sixtus uit West-Vleteren tot het beste trappistenbier werd uitgeroepen. Alleen al daarom toast ik graag op uw promotie met een Patersvat!
Net voor het jaar begon werd u tot nieuwe Premier ‘gekroond’. Of dat nu echt tegen uw goesting was weet ik niet, maar het zal wel een drukker leven worden dan dit van voorzitter van de Kamer. Zo gezien had u ongetwijfeld gelijk om liever voorzitter te blijven. Maar eenmaal Premier, wilt u dat blijkbaar zo lang mogelijk blijven, zelfs al moet u daarvoor uw eigen overtuigging over samenvallende verkiezingen afvallen. Niet erg, want ook een intellectueel begaafd politicus mag al eens veranderen van gedacht.
In uw boek, “Op zoek naar wijsheid”, las ik onder meer uw bijdrage over ‘een christelijke politiek’. Daarin schrijft u, ik citeer “… Voor een reeks van problemen bestaat er geen typisch ‘christelijke’ oplossing, bij voorbeeld de splitsing van BHV”. Mag ik toch hopen dat u de regels van onze parlementaire democratie aanvaardt en weigert een prijs te betalen voor de splitsing? Omdat cultuurimperialisme géén territoriale (uitbreidings)eisen rechtvaardigt en onchristelijk is, want gestoeld op een gebrek aan respect. Maar vooral omdat de Franstaligen Vlaanderen niet langer zouden zien als een electoraal wingewest. U weet nog veel beter dan ik, dat een ‘christelijke’ pacificatie tussen de gemeenschappen pas succes kan hebben als de Franstaligen hier geen stemmen meer kunnen ronselen. Ik heb daarom een groot vertrouwen in uw christelijke keuzes. Daarop wil ik u – samen met de burgemeesters uit Vlaams Brabant en heel veel weldenkende Vlamingen - op het einde van de rit afrekenen.
Ik las verder, “Het is ook mogelijk dat christelijke politici zich als persoon of als groep bezondigen aan corruptie, favoritisme, vriendjespolitiek. Het is ook mogelijk dat ze gewoon niet bekwaam zijn”. Het laatste kan ik niet zo goed plaatsen, het lijkt nogal op een onchristelijke sneer, maar ik vermoed dat het nu beter zal gaan met u en een, laten we zeggen, minder electoraal geïnspireerde ploeg. Voorwaar een bijzonder belangrijke opgave voor een politicus wiens waarachtigheid en authenticiteit voor het eerst zo prominent op het spel staat.
Geachte Heer Eerste Minister,
Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zal nemen wanneer ik met dezelfde kritische ingesteldheid als voorheen, over uw doen en laten zal berichten. Precies omdat ik u waardeer en wat u zegt en doet relevant is.
Ik hoop dat u het mij evenmin kwalijk zal nemen dat ik een fiere Vlaming ben en om het met de woorden te zeggen die de burgemeester van Vilvoorde mij toestuurde: “weet dat wij dezelfde idealen nastreven en dezelfde bezorgdheid hebben mbt onze Vlaamse eigenheid. Dit heeft niets te maken met arrogantie t.a.v. andere talen en/of culturen, maar vloeit voort uit een normale fierheid over onze eigenheid, taal en cultuur, die voortdurend en alsmaar meer in verdrukking komt, en waar wij op velerlei terreinen moeten vaststellen dat o.m. sommige politici en media bitter weinig respect hebben voor het Nederlandstalig karakter van onze regio”.
Maar Mijnheer de Eerste Minister, het is ook een beetje jammer dat u premier werd, eigenlijk zelfs dubbel jammer, want,
omdat u in de zestien zit kan uw zoon niet meer vrijuit spreken, zoals hijzelf laat weten. Jammer voor Peter die ik leerde kennen op een bijeenkomst waar hij een goede indruk naliet. Hij zal nu zijn protest tegen (onder meer) een federale kieskring niet meer mogen/kunnen verkondigen. Valt ‘free speech’ werkelijk niet te rijmen met de zestien?
Maar het is ook jammer voor mij, want ik vermoed dat u nu niet meer zult antwoorden op mijn vragen?
Mag ik alvast hopen dat u toch nog deze nieuwjaarsbrief van een vertrouwen zoekende Vlaming zult willen lezen?
Van harte succes toegewenst!
Pjotr
Mijn oprechte en hartelijke gelukwensen met uw aanstelling als eerste minister van België. Ik hoop dat u erin zult slagen om dit jaar vol te maken en een grote stap te zetten naar beter bestuur; opdat België niet enkel een voorbeeld zou zijn voor oorlogsgebied of conflictregio’s.
Het is u wellicht ook opgevallen dat de ‘christelijke’ Premiers van België één ding gemeen hebben: ze houden van voetbal. Jean Luc als fervente supporter van FC Brugge, Yves, uw voorganger, die de tribune van Standard de Liège onveilig maakt en nu u, als discrete supporter van RFC Anderlecht. Ik weet niet of u met dezelfde overgave als uw voorgangers supportert, maar in elk geval worden de kansen dat Anderlecht dit jaar kampioen speelt, groter. Het zal geen toevalstreffer zijn want in het verleden bleek reeds uw (commerciële) waarde: immers, sinds uw jaarlijkse retraite in de abdij van Affligem bekend raakte, is de Affligem Tripel verkozen tot het beste Patersbier ter wereld en dat is al even straf als de reclamestunt van Yves die ervoor zorgde dat de Sixtus uit West-Vleteren tot het beste trappistenbier werd uitgeroepen. Alleen al daarom toast ik graag op uw promotie met een Patersvat!
Net voor het jaar begon werd u tot nieuwe Premier ‘gekroond’. Of dat nu echt tegen uw goesting was weet ik niet, maar het zal wel een drukker leven worden dan dit van voorzitter van de Kamer. Zo gezien had u ongetwijfeld gelijk om liever voorzitter te blijven. Maar eenmaal Premier, wilt u dat blijkbaar zo lang mogelijk blijven, zelfs al moet u daarvoor uw eigen overtuigging over samenvallende verkiezingen afvallen. Niet erg, want ook een intellectueel begaafd politicus mag al eens veranderen van gedacht.
In uw boek, “Op zoek naar wijsheid”, las ik onder meer uw bijdrage over ‘een christelijke politiek’. Daarin schrijft u, ik citeer “… Voor een reeks van problemen bestaat er geen typisch ‘christelijke’ oplossing, bij voorbeeld de splitsing van BHV”. Mag ik toch hopen dat u de regels van onze parlementaire democratie aanvaardt en weigert een prijs te betalen voor de splitsing? Omdat cultuurimperialisme géén territoriale (uitbreidings)eisen rechtvaardigt en onchristelijk is, want gestoeld op een gebrek aan respect. Maar vooral omdat de Franstaligen Vlaanderen niet langer zouden zien als een electoraal wingewest. U weet nog veel beter dan ik, dat een ‘christelijke’ pacificatie tussen de gemeenschappen pas succes kan hebben als de Franstaligen hier geen stemmen meer kunnen ronselen. Ik heb daarom een groot vertrouwen in uw christelijke keuzes. Daarop wil ik u – samen met de burgemeesters uit Vlaams Brabant en heel veel weldenkende Vlamingen - op het einde van de rit afrekenen.
Ik las verder, “Het is ook mogelijk dat christelijke politici zich als persoon of als groep bezondigen aan corruptie, favoritisme, vriendjespolitiek. Het is ook mogelijk dat ze gewoon niet bekwaam zijn”. Het laatste kan ik niet zo goed plaatsen, het lijkt nogal op een onchristelijke sneer, maar ik vermoed dat het nu beter zal gaan met u en een, laten we zeggen, minder electoraal geïnspireerde ploeg. Voorwaar een bijzonder belangrijke opgave voor een politicus wiens waarachtigheid en authenticiteit voor het eerst zo prominent op het spel staat.
Geachte Heer Eerste Minister,
Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zal nemen wanneer ik met dezelfde kritische ingesteldheid als voorheen, over uw doen en laten zal berichten. Precies omdat ik u waardeer en wat u zegt en doet relevant is.
Ik hoop dat u het mij evenmin kwalijk zal nemen dat ik een fiere Vlaming ben en om het met de woorden te zeggen die de burgemeester van Vilvoorde mij toestuurde: “weet dat wij dezelfde idealen nastreven en dezelfde bezorgdheid hebben mbt onze Vlaamse eigenheid. Dit heeft niets te maken met arrogantie t.a.v. andere talen en/of culturen, maar vloeit voort uit een normale fierheid over onze eigenheid, taal en cultuur, die voortdurend en alsmaar meer in verdrukking komt, en waar wij op velerlei terreinen moeten vaststellen dat o.m. sommige politici en media bitter weinig respect hebben voor het Nederlandstalig karakter van onze regio”.
Maar Mijnheer de Eerste Minister, het is ook een beetje jammer dat u premier werd, eigenlijk zelfs dubbel jammer, want,
omdat u in de zestien zit kan uw zoon niet meer vrijuit spreken, zoals hijzelf laat weten. Jammer voor Peter die ik leerde kennen op een bijeenkomst waar hij een goede indruk naliet. Hij zal nu zijn protest tegen (onder meer) een federale kieskring niet meer mogen/kunnen verkondigen. Valt ‘free speech’ werkelijk niet te rijmen met de zestien?
Maar het is ook jammer voor mij, want ik vermoed dat u nu niet meer zult antwoorden op mijn vragen?
Mag ik alvast hopen dat u toch nog deze nieuwjaarsbrief van een vertrouwen zoekende Vlaming zult willen lezen?
Van harte succes toegewenst!
Pjotr
Abonneren op:
Posts (Atom)