24 februari 2015

Waarom de journalistiek ongeloofwaardig werd



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN



 
Naar aanleiding van het artikel over de falende ‘kwaliteits’-media  vroegen enkele lezers mij waar ze terecht konden met hun klachten. Daarvoor is er toch een Raad voor de Journalistiek, dacht ik.


Twee klachten

Er zijn twee steeds weerkerende klachten over de ‘kwaliteitspers’ en dito televisie (VRT/Canvas): dat sommige informatie onderbelicht blijft of zelfs genegeerd wordt en dat de lezers/kijkers vinden dat de informatie veelal eenzijdig (politiek en maatschappelijk gekleurd) is. Deze twee klachten, die duidelijk leven bij veel lezers en kijkers, blijven onbeantwoord en vertalen zich in een steeds verder dalende geloofwaardigheid van de media. Dat laatste is geweten want gemeten.

Over deze twee klachten kan u meer lezen in een ‘Open brief aan de ombudsman van DS’ en ‘Waarom de kwaliteitspers faalt’ Een recent voorbeeld van selectieve berichtgeving door de Vlaamse media, TV en kranten, was te lezen op Newsmonkey (hier lezen).

Directe aanleiding tot deze analyse was de reactie van een lezeres op de laatste publicatie: ‘Wat u hier aanklaagt, klagen vele mensen al zo lang aan... Vind u het niet vreemd dat er geen enkele officiële instantie bestaat waar we onze klachten kwijt kunnen, terwijl heel veel van die media met ons geld (gedeeltelijk) gefinancierd worden?’

Daarom richtte ik mij tot de Raad voor de Journalistiek (rvdj) die zich online presenteert als een ‘onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media’. De belangrijkste opdracht staat helemaal vooraan: ‘U kan bij ons terecht met vragen en klachten over de journalistieke beroepsethiek.’ Hier ben ik dus aan het juiste adres.


Een ontgoochelende ervaring



De rvdj werd opgericht door de Vlaamse journalistenverenigingen, de uitgevers en de mediahuizen. Zelfregulering dus door een orgaan dat enkel bestaat bij de gratie van de oprichters. Het kan daarom moeilijk anders – ook mijn eigen ervaring  - dat de rvdj niet onafhankelijk genoeg is.

Op mijn schriftelijke vragen kreeg ik als reactie dat men liever mondeling antwoordde, omdat ‘een gesprek meer kans tot nuancering’ geeft. Dat gesprek kwam er, maar wat hij vertelde was blijkbaar enkel bedoeld voor mezelf en mocht ik met niemand delen. Dat dergelijke reactie mijn vertrouwen niet bepaald opkrikte, behoeft geen verder commentaar. Na enkele ongeruste telefoontjes omdat ik de informatie toch wilde verspreiden, kreeg ik te elfder ure nog een schriftelijk antwoord op mijn vragen.   

Vragen aan de raad van de journalistiek (rvdj)



‘De kranten publiceren veel opiniestukken waarvoor ze geen verantwoordelijkheid nemen. Dat is begrijpelijk vermits een opiniestuk goedkoper is en per definitie de mening is van de auteur waarvoor anderen niet verantwoordelijk kunnen gesteld worden. Niettemin heeft de redactie de keuze om een opinie al of niet te publiceren en betekent een publicatie dat men oordeelt dat het opiniestuk kan, ook al voldoet het niet aan de deontologische regels waaraan bijdragen geschreven door journalisten wel moeten voldoen. Daarom heb ik enkele vragen:
 Hoe ziet u de niet-toepassing van deze deontologische regels wanneer een journalist een opiniestuk schrijft?
Is hij op dat moment geen journalist maar enkel een 'opiniemaker' waarvoor deze regels niet gelden?
Schrijft hij deze opinie tegen betaling of maakt deze opinie deel uit van zijn werk waarvoor hij betaald wordt als journalist?
En wat met een hoofdredacteur die zichzelf 'opiniërend hoofdredacteur' noemt (cfr De Standaard)? Ook in dit geval  heb ik dezelfde vragen als hiervoor gesteld.’


De reactie van de rvdj



Hoewel ik uit het mondeling gesprek begrepen had dat er wel een zekere normering was om het onderscheid tussen opinie en analyse duidelijk te maken aan de lezers, bleek uit het schriftelijk antwoord dat de journalistieke code hierover slechts algemene principes bevat: “De Raad voor de Journalistiek geeft wel de algemene principes weer, en journalisten en media kunnen bij de toepassing daarvan rekening houden met hun eigen aanpak en specifieke format.” Voorts is er ook geen exclusieve verplichting om opiniestukken (van journalisten) expliciet via een vermelding van ‘opinie’ te onderscheiden van hun analyses, duiding of commentaar. Met ander woorden de krant en de journalisten hebben alle vrijheid om te kiezen hoe ze hun lezers daaromtrent al of niet informeren.

De rvdj is enkel bekommerd om het onderscheid tussen de feiten en het commentaar en niet om het onderscheid tussen de eigen mening (opinie) van een journalist en een waarheidzoekende analyse of afstandelijke duiding: “Een voorwaarde is wel dat het onderscheid tussen feitelijke berichtgeving en commentaar of opinie voor het publiek voldoende duidelijk is. Dat onderscheid kunnen media op verschillende manieren duidelijk maken. Het kan door de opiniebijdragen in een aparte rubriek onder te brengen of een specifiek label te geven, zoals bijvoorbeeld standpunt, opinie of column. Maar ook met een ander label of zonder een specifiek label kan het duidelijk zijn dat het gaat om standpunten, opiniebijdragen of columns. Overigens kan een journalist ook binnen één bijdrage zowel feitelijke informatie als een mening geven, als het onderscheid tussen beide maar duidelijk is. Hij kan dat op vele manier duidelijk maken door bijvoorbeeld stijlkenmerken, tussentitels, enz. Of het onderscheid voldoende duidelijk is, moet geval per geval beoordeeld worden.”

De volledige tekst van de journalistieke code kan u hier lezen. Artikel 8 heeft het specifiek over dit onderwerp: “8. – Als auteur van een opiniebijdrage, een column of cartoon geniet de journalist een grotere mate van vrijheid om zijn mening te geven en om conclusies te trekken uit de feiten dan in zijn feitelijke berichtgeving.”

Hieruit kan ik enkel besluiten dat de lezer zelf moet uitmaken of de bijdrage journalistiek werk is of de mening van een opiniemaker. Wanneer de lezer de verkeerde conclusie trekt - dat wil zeggen een andere dan de redactie of de journalist - dan  is dat zijn fout en hoeft hij dus niet naar de rvdj te stappen.


Geloofwaardigheid is ook onze doelstelling



Tijdens het gesprek hadden we het eveneens over de lage geloofwaardigheid van de media. Hij deelde mijn bekommernis en verklaarde dat het verbeteren ervan ook een doel was van de rvdj. Maar uit de ontvangen antwoorden kan ik enkel concluderen dat de rvdj zich niet bevoegd verklaart voor de twee grootste oorzaken van dit gebrek aan geloofwaardigheid. Redacties en individuele journalisten die zelf mogen beslissen waarover ze niet schrijven (zelfcensuur) of zonder enige aanwijzing waarheidzoekende journalistiek ruilen voor het zoveel gemakkelijker eigen commentaar.

Het is treurig om vast te stellen, maar -  als het over het inhoudelijke gaat -  meer dan lippendienst bewijzen aan de oprichters doet de Raad van de Journalistiek niet. Deze instelling is al te zeer onderdeel van het ‘ons-kent-ons’-systeem om geloofwaardig te kunnen zijn.


Maak van kwaliteit de norm



Kwaliteitsjournalistiek kan nochtans een belangrijk verkoopsargument zijn. Dat bewijst onder meer de Neue Zürcher Zeitung dag na dag. Ook sommige journalisten beseffen dat kwaliteit voorop zou moeten staan. Oosterbaan en Wansink, twee Nederlandse beroepsjournalisten, schreven in 2008 hierover een boek ‘De krant moet kiezen’. Daarin houden ze een pleidooi voor meer kwaliteit. Omdat enkel kwaliteit de geloofwaardigheid kan verbeteren. Investeren in kwaliteit kost helaas geld en rendeert slechts op langere termijn. Blijkbaar heeft de pers geen van beide op overschot.   

Het zou alvast getuigen van minder arrogantie mochten de redacties en journalisten zichzelf durven in vraag stellen en geen ombudsman betalen om de lezers te paaien. Hoofdredacteur van DS, Bart Sturtewagen verklaarde ooit (Doorbraak, september 2010) dat hij nooit zou toegeven dat het vroeger beter was. En ook de rvdj is overtuigd dat het nu beter is; dank zij de talrijker commentaren, analyses en opiniebijdragen.

Het was gewezen hoofdredacteur van DS, Peter Vandermeersch, zelf die het probleem kernachtig weergaf (DS 15 okt 2003):

‘Media zijn dus al lang geen neutrale toeschouwer in het maatschappelijk debat (…) Ze zijn daarenboven niet de minste speler. Want ze maken het spel moeilijker en ondoorzichtiger omdat ze, sedert de ontzuiling van de media, niet langer een herkenbaar shirt aan hebben’.

Ik kijk alvast met spanning uit naar controleerbare argumenten die bewijzen dat dank zij de ‘onherkenbare’ journalisten de kwaliteit zou verbeterd zijn. Overigens, hoe onafhankelijk zijn journalisten die aanpappen met politici? Of waarvan een naast familielid aangeworven werd als kabinetsmedewerker van een socialistisch minister? Is het niet mogelijk dat persoonlijke aversies van journalisten ten aanzien van sommige politici of partijen de berichtgeving beïnvloeden? Natuurlijk wel, en waarom zouden ze zich inhouden, want blijkbaar niemand bekommert zich nog terdege om de kwaliteit.

Wanneer kranten opiniemakers aan het woord laten (dat doen ze vooral omdat het goedkoper is dan kwaliteitsjournalistiek) kan de lezer uit de tegenstellingen inderdaad iets leren. Op voorwaarde dat er een evenwicht is in de opiniebijdragen. Ook dat is echter niet het geval - zoals de ombudsman van DS ooit zelf toegaf. Waaraan dat te wijten is, kan men afleiden uit een universitair onderzoek (UGent) waaruit blijkt dat er een groot onevenwicht bestaat inzake de politieke overtuiging van de individuele journalisten (overwegend ‘Links’). Dat de pers het label van ‘Links’ krijgt is dus niet uit de lucht gegrepen. Het beeld van media als het speeltje van een politiek-correct groepje blijft hangen. Daarbij lijkt de opdracht als kritische ‘Vierde Macht’ eerder vervelend dan een bron van inspiratie.

Bij zoveel kritiek kreeg ik toch ook signalen dat het wel kan: verschillende lezers zijn overgestapt naar De Tijd en vinden die krant kwalitatief beter. Minder trivialiteiten, maar wel beursnoteringen die even gemakkelijk online te raadplegen zijn.


Kiezen voor alternatieven


Beste lezers, mag ik u één goede raad geven: lees vooral online nieuwssites die aan ‘slow journalism’ doen. Burgerjournalisten die de tijd nemen om hun bijdragen te onderbouwen met degelijke argumenten. Die zichzelf niet overschatten en daarom hun bijdragen eerst laten nalezen door anderen vooraleer ze te publiceren. Daar wordt nog een poging gedaan om aan ‘waarheidszoekende’ journalistiek te doen. Ook al zijn het maar ‘burgerjournalisten’.  

Mocht u echter toch nog geloven dat de kranten bereid zijn om uw klachten ernstig te nemen, dan moet u vooral één ding doen: Zeg uw abonnement op. Dat is de enige taal die een uitgever verstaat en de rvdj overbodig maakt.


Pjotr

10 februari 2015

Waarom de kwaliteitspers faalt




MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

De commotie rond twee belangrijke maatschappelijke problemen, de opmars van de fundamentalistische Islam en de controverse over de klimaatevolutie, toonde duidelijk aan dat de kwaliteitsjournalistiek faalt in haar opdracht.

Paternalisme troef


 

Volgens de redenering van de redactie van De Standaard mag iedereen aan bod komen, maar is er een dosering nodig (lees hier). Een dosering die niet bepaald wordt op basis van kennis maar van wat de redactie denkt dat belangrijk is voor zijn lezers. Op Canvas kwam Bjorn Soenens, hoofdredacteur van Het Nieuws, nogmaals herhalen dat de kijkers niet alles moeten kunnen zien. Anders gelezen: Wij bepalen wat belangrijk is en aandacht verdient. Deze visie houdt twee gevaren in: dat de media omwille van commerciële overwegingen een onvolledige selectie maken en dat journalisten het nieuws selecteren op basis van hun eigen overtuiging.
 
Het is evident dat het overweldigend aanbod aan nieuws verplicht tot selectie. Maar wanneer ik zie hoeveel publicatieruimte in kwaliteitskranten zoals De Standaard en De Morgen verspild wordt aan trivialiteiten, dan is het duidelijk dat dit argument slechts een drogreden is om de maatschappelijk veel belangrijker informatie te weren op basis van redactionele (of commerciële) voorkeuren. 
 
Deze twee gelijklopende visies, waar alle politiek-correcte media aan meedoen, getuigen in elk geval van een paternalisme dat te vergelijken valt met de houding van de pastoors in de vorige eeuw. Nu er geen pastoors meer zijn en ook de onderwijzers nauwelijks nog opmerkingen mogen maken bij wangedrag van de jongeren, vullen onze journalisten dit gat op met een soms veel erger betutteling.
 
Waaraan ligt dat? Misschien heeft het te maken met de jachtigheid van ‘het nieuws’. Elke dag iets nieuws ‘moeten’ brengen met tussendoor nog eens instant-nieuws online, dat valt moeilijk te behappen voor kranten die uiteindelijk bedrijven in nood zijn, afhankelijk van staatsteun en daarom meer in termen van markering denken dan goed is voor hun informatieopdracht.
 
Maar dat verklaart niet alles. Even alarmerend is de vaststelling dat de kwaliteitskranten zijn verworden tot opinieblaadjes. Alles wat enigszins controversieel is wordt uitbesteed aan ‘opiniemakers’ die al of niet tegen betaling hun gedacht mogen zeggen. Nochtans zijn het precies de controversiële onderwerpen waar nood is aan meer afstandelijke duiding, wars van elke vooringenomenheid die eigen is aan elke opinie. Zo kan het dat wanneer het Vlaams parlement zijn oor leent voor de onderzoeksresultaten inzake de multiculturele samenleving (de radicalisering) van de Nederlandse Marion Van San, er ook een bericht staat in de krant. Maar vermits haar onderzoek niet het resultaat opleverde dat past in de visie van de krant, krijgen we minstens één reactie, meestal meer, die haar conclusies aanvecht. Dat die kritiek soms kant noch wal raakt, of gewoon voorbijgaat aan de boodschap van Van San is helemaal niet belangrijk. De twijfel is er en meer moet dat niet zijn.

Tijd en kennis


 

De oorzaak van deze selectieve ‘oogkleppen’journalistiek ligt onder meer in het ontbreken van de tijd en een diepgaande kennis binnen de redacties. Dat is geen verwijt maar gewoon een kwestie van te weinig investeringen in kennis. De verschuiving van duiding naar opinie had nog een ander gevolg dat minder opvalt maar daardoor juist gevaarlijker is. De verantwoordelijke voor de opiniebladzijden – de journalist(e) die kiest wat in de krant komt of niet – werd veel belangrijker. Zelfs belangrijker, zo lijkt het bijwijlen, dan de hoofdredacteur. Want wie anders dan deze verantwoordelijke evalueert de inzendingen?
 
Opinie is vandaag zo vanzelfsprekend voor de kranten dat het gelijkgesteld wordt met goede afstandelijke journalistiek. Opmerkelijk dat zelfs de hoofdredacteur van DS het nodig vond om zichzelf de titel aan te meten van ‘Opiniërend hoofdredacteur’. Waarmee hij zich als hoofdredacteur niet meer hoeft te houden aan de journalistieke deontologische regels. Hoe vindingrijk kan men toch zijn om het eigen falen te camoufleren.

Goed kunnen schrijven volstaat niet


 

Deze evolutie is mij opgevallen omdat, tegelijk met de teloorgang van de afstandelijke duiding in de pers, het lezerspubliek uit pure frustratie zelf de pen ter hand nam en zich uitleefde in de burgerjournalistiek. Niet via de vluchtige sociale media, maar blogs en e-nieuwssites en -magazines die diepgravende bijdragen afleveren. Terwijl journalisten vooral goed kunnen schrijven en men van hen verwacht dat ze ook over elk onderwerp zinnige dingen kunnen schrijven, zorgen gespecialiseerde burgerjournalisten en bloggers voor dieper gravende bijdragen. Dat de lezers daarbij wel eens minder fraai taalgebruik moeten accepteren, doet niets af aan de inhoudelijke kwaliteiten van hun artikels. En ook inzake taalgebruik  is er een merkbare vooruitgang.
 
Maar het grote verschil tussen krantenredacties en burgerjournalistiek is eigenlijk nog simpeler: Journalisten moeten schrijven, elke dag opnieuw, burgerjournalisten niet, ze kunnen zich beperkten tot wanneer ze iets te zeggen hebben. Wat een luxe! Dat levert een ongeziene verscheidenheid op aan invalshoeken waartegen de kleffe  eenheidsworst van de kwaliteitskranten schril afsteekt.
 
Dat het pijn doet kunnen de klassieke media niet verbergen: terwijl journalisten dagelijks berichten uit andere kranten copy-pasten of herkauwen om hun eigen edities te vullen, wordt de interessante informatie die te lezen valt op de nieuwe nieuwskanalen doodgezwegen. Bang als ze zijn dat hun lezers de weg zouden vinden naar (meestal gratis) informatiekanalen waar geen paternalisme noch zelfcensuur in de weg staat van analyses en achtergrondnieuws. Daarmee doen de kranten niet alleen zichzelf tekort, maar vooral hun lezers. Het belet de journalisten nochtans niet om ook daar de mosterd te halen voor hun artikels en ‘vergeten’ deze als referentie te vermelden.

De boekskes en kwaliteitsjournalistiek


 

Deze paternalistische houding leidt dan tot een andere vaststelling: Door de zelfcensuur negeert men stemmen die nochtans belangrijk zijn. Het wordt een beetje lachwekkend wanneer die (ocharme) ‘boekskes’ met interviews komen die de zelfcensuur van de poco-pers niet overleven. Een voorbeeld:
De kranten schonken alle aandacht aan hun uitverkoren woordvoerders van de moslims, Meyrem Almaci, Selahattin Koçak en Co, die ons verzekeren dat die terroristen geen uitstaans hadden met de islam. Dat het losgeslagen figuren waren en jawel, opgegroeid zonder kansen, sukkelaars dus. Om te eindigen bij het dogma: de moslims lijden onder het onnoemelijk onrecht dat wij hen aandoen. Die nagel moet erin geklopt worden, want volgens sommigen net zo erg als de concentratiekampen waar miljoenen joden en andere ‘minderwaardigen’ werden uitgeroeid.
 
Dat het een leugen is kunnen we alleen lezen in de ‘boekskes’ waarop de zogenaamde kwaliteitskranten neerkijken. In Humo van 27 januari werd een interview gepubliceerd over drie volle pagina’s waarin de Franse islamoloog Rachid Benzine komaf maakt met die afgezaagde excuusproza: ‘Ik zie ze op TV, ik lees ze in de kranten: de vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap die koppig blijven volhouden dat de terroristen en die figuren van de Islamitische Staat niet in naam van de islam handelen, dat die mensen geen moslims zijn en niets met de islam te maken hebben. Het is gewoon niet waar., dat gebeurt wél in naam van de islam. Het heeft geen zin om te beweren dat de islam de religie van de vrede is, of die van het geweld. De islam is het allebei.’
 
Wanneer ik dat lees dan denk ik: wanneer zullen de poco-media inclusief de VRT eens stoppen met leugens verkopen?

Heeft DS het begrepen?


 

Wellicht is DS-redactie helderziende want, net nu ik dit artikel schrijf, sturen ze mij volgende gepersonaliseerde mail:
 
‘Beste Pierre Therie,
Acht journalisten zijn een halfjaar hun job kwijt. Hun gewone job toch.
Want ze krijgen maar één opdracht: focussen op één groot maatschappelijk vraagstuk. Ze mogen er de tijd voor nemen, zodat zij zich grondig kunnen verdiepen. Om terug te komen met antwoorden die u nieuwe, zinvolle inzichten verschaffen.
Voor deze 'Correspondenten van De Standaard' sparen we ons het brood uit de mond. We investeren in journalistiek die tijd, geduld en concentratie vraagt. Waardoor u straks dossiers en reportages voorgeschoteld krijgt die u nooit eerder las. Met nieuwe onthullingen die uw blik op de grote thema's van deze tijd verruimen. En die u inspireren.’
 
Oei, moet ik nu mijn artikel herschrijven? Heeft de redactie het eindelijk begrepen?
 
Helaas de ontnuchtering volgde bij het lezen van de grote maatschappelijke thema’s die aan bod zullen komen:
Over robotica en artificiële intelligentie
Over suiker
Over voeding en politiek (jawel in deze combinatie)
Over het perfecte kind
Over rechtvaardige belastingen
Over het nieuwe Europa.
 
Was er een betere reden om mijn artikel toch te publiceren?
 
Pjotr

 

05 februari 2015

Open brief aan de ombudsman van DS






MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

Geachte heer Naegels,
 
Ik las met aandacht uw commentaar 'Onder professoren - of toch niet', (DS 4/02) op het eerder gepubliceerde artikel van Dominique Minten,  waarbij u tot de conclusie komt dat het beter ware geweest om de kritiek op klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele de Strihou door zeven ondertekenaars niet zo prominent in de krant te zetten. Ik vond twee uitspraken opmerkelijk en heb er vragen bij.

Wie mag in de krant? 


 

(1) Ik ben het met Dominique Minten eens dat klimaatsceptici (af en toe) hun plaats in de krant mogen krijgen, omdat ze dan misschien geen rol spelen in het wetenschappelijke, maar wel in het politieke en maatschappelijke debat, en ook daar bericht een krant over.
Eerst het antwoord van een lezer (al even onbekend als de uwe, maar waarvan ik u kan verzekeren dat hij een top academicus is in meer dan één exact-wetenschappelijke discipline en daarenboven vertrouwd is met economische beleidsprocessen):
Zijn reactie:'Dat is het hem nu juist: ze spelen wel een rol in het wetenschappelijk en net niet in het politiek debat. Het is niet omdat een bende charlatans de goegemeente heeft wijsgemaakt dat een in wezen politiek debat wetenschap zou zijn dat het ook zo is. Maar ik weet het: postmodernisme. De dingen zijn wat wij allemaal samen zeggen dat ze zijn, en dat geldt ook voor wetenschap. Hoe infantiel!'
 
Zelf las ik de afgelopen weken heel wat over de wetenschappelijke achtergrond van dit dossier en ik kwam tot de vaststelling dat het klimaatdebat gaat over een zeer complex fenomeen dat zich uitstrekt over meerdere wetenschappelijke domeinen. Een klimatoloog, zoals van Ypersele, die respect heeft voor deze complexiteit zou op zijn minst moeten luisteren naar andere specialisten. Want ook van Ypersele is immers als klimatoloog sterk afhankelijk van die andere disciplines (mv), waarover hij zelf niet voldoende kennis in diepte heeft, om de draagwijdte van het probleem volledig te kunnen bevatten.  Daarenboven is het argument om niet te discussiëren wegens 'het wordt toch een dovemansgesprek'  een dooddoener van jewelste. Totaal onwetenschappelijk waardoor van Ypersele de Strihou terecht de kritiek krijgt om aan politiek te doen en niet aan wetenschap.
 
En wat bedoelt u juist met 'af en toe in de krant komen'? Net genoeg om de kritiek te vermijden dat DS een cordon sanitaire heeft ingesteld, maar niet zo veel dat deze (volgens u) 'sceptici', ook zouden kunnen geloofwaardig worden? Hoe weten wij (u en ik) als volslagen leken in die disciplines wat juist is en wat niet? Het zou vanwege de redactie van De Standaard onverantwoord en zelfs gevaarlijk zijn wanneer onbevoegden de macht krijgen om te beslissen over welke kennis hun lezers al of niet dienen geïnformeerd te worden. Aan dat fenomeen, waaraan ook De Standaard zich bezondigt, zou de Raad van de Journalistiek eens een debat mogen wijden.   

Recht op kennis 


 

(2) Bovendien staan veel lezers wantrouwig tegenover het pensée unique-gehalte van het klimaatverhaal. Zonder daarom onzin voor waarheid te verkopen om een vals gevoel van evenwicht te creëren, mogen hun sceptische vragen best open besproken worden in de kolommen van De Standaard.
Over die pensée unique liet Rob Lemeire, redactielid van De Bron, die actief is in deze problematiek mij volgende weten: ‘Pensée unique zorgt nu eenmaal voor een stille massa, groepen mensen die niets meer durven zeggen. Zelf heb ik contacten met verschillende bekende Vlaamse wetenschappers die debatmoe zijn, die zich ooit negatief hebben geuit tegenover de klimaatconsensus, maar ondertussen niet meer naar buiten willen/durven komen. Dan hebben we het nog niet over de vele wetenschappers die nooit hun mond hebben durven te openen.’
 
Dat de krant open staat voor 'sceptische' (waarom een woordgebruik met een negatieve connotatie?) vragen kan ik alleen maar toejuichen. Wel zou ik graag willen weten waarom DS al niet veel vroeger aandacht schonk aan deze belangrijke vragen? Ik zou alvast niet durven suggereren, zoals u doet, dat de grote meerderheid van deze vragen en invalshoeken onzin zijn en een vals gevoel van evenwicht zouden kunnen creëren.  Om daarover te oordelen volstaat mijn kennis niet en als ik even stout mag zijn, vrees ik dat ook uw kennis en deze van Dominique Minten niet volstaan  om dergelijke onwetenschappelijke suggestie te publiceren. Misschien zou DS juist het tegenovergestelde moeten doen en het pensée unique-gehalte doorbreken door over de kennis (of het ontbreken ervan) in alle wetenschappelijke disciplines, te publiceren.
 
Mijn anonieme lezer schreef mij nog het volgende:'Het is volgens De Standaard ook helemaal verkeerd ‘twijfel te zaaien’. Welnu, de wetenschap leeft van twijfels. Het zijn de politici die nooit twijfels hebben, en we weten waar we daar mee terecht komen! De klimaatalarmisten willen niet meer discussiëren ‘omdat ze toch weten dat ze op dovemans oren stuiten’. Om een beeld uit het verleden te gebruiken: Ze willen niet meer discussiëren met iemand die niet accepteert dat de zon en de planeten rond de aarde draaien. Dat is nu toch wel langzaam zo algemeen geweten – beweren ze – dat er niet meer over gediscussieerd moet worden. Déja vu: Gallilei! 
Natuurlijk mag iedereen die dat wil aan politiek doen, proberen de realiteit een beetje op te poetsen, feiten en ideeën doodzwijgen, critici ‘excommuniceren’ en commissies manipuleren. Maar noem dat dan geen wetenschap.'

Wetenschap is geen meerderheidsaangelegenheid


 

In de kranten kunnen we regelmatig lezen ‘dat de meerderheid van de wetenschappers’ de doelstellingen van het klimaatpanel van de VS (IPCC) onderschrijft en dus, zo concluderen ook de journalisten, ‘zal het wel waar zijn’. Hiermee gaat het verzameld gild van journalisten en wetenschappers die zich hierop steunen, een gevaarlijke weg op: Het ondergeschikt maken van de wetenschappelijke methodes aan de behoefte om aan ‘maatschappelijk gewenste’ oplossingen te voldoen.
 
Opnieuw had mijn anonieme lezer hierover een duidelijke mening: ‘Natuurlijk is dit probleem belangrijk. Je zou echter kunnen denken: dat is enkel maar weggegooid geld, en dus op lange termijn niet belangrijk. Het is echter met geld niet gedaan. Als dit model zich doorzet is het uit met wetenschap en innovatie. Iedere innovatie is tot hier toe begonnen als min of meer weggelachen minderheidsmening. Dat was recent nog zo met de baanbrekende ontdekking van Stanley Prussiner: de prionen. Als we nu het onderdrukken van politiek ‘onpassende’ ideeën in systeemvorm gieten zitten we terug in de middeleeuwen. Dwepen met de Verlichting en nu blind achter de meest dwaze religie van alle tijden lopen?’ Duidelijke taal waarbij ik mij gelukkig niet aangesproken voel.

Enkele vragen



Terwijl ik aan het lezen was over dit complex fenomeen werd het aantal vragen alsmaar groter. Gelukkig kon ik beroep doen op die anonieme wetenschapper  om mijn kennis bij te spijkeren. Een van de vragen die ik hem stelde ging over het feit dat algemeen wordt aangenomen dat CO2 de grote boosdoener is en de menselijke activiteit verantwoordelijk is voor de piekwaarden. Mijn vraag aan hem: hoe kan het dat vooral de mens verantwoordelijk is voor de CO2 uitstoot wanneer blijkt uit wetenschappelijke metingen dat er zo’n 340.000 jaar geleden ook al een piek was van een vergelijkbare hoeveelheid C02? Kent de redactie van De Standaard soms het antwoord?
Mijn vriend had ook een vraag voor mij die ik eveneens graag met u deel: Hoeveel meter zal de zeespiegel stijgen inden al het ijs op de Noordpool zou smelten?
Als laatste een vraag over het gebruik van ‘anonieme’ lezers en andere bronnen: Graag zou ik willen weten of uw anonieme lezer ook een onderlegde academicus is? Of is het een politicus of een vriend van u? Er zijn immers nogal wat mensen die niet-wetenschappelijke belangen hebben bij uw standpunt.
Tot slot zou ik u, meneer de ombudsman, een artikel willen aanbevelen dat twee dingen bewijst: (1) dat het mogelijk is om in verstaanbare bewoordingen hierover duiding te verstrekken en (2) dat het nooit te laat is om bij te leren. Dat laatste is uiteraard vooral voor mezelf bedoeld.  Het artikel is van een Nederlandse geoloog en kan u hier lezen.

Hoogachtend,

 

Pierre Pjotr Therie

28 januari 2015

Islamofobie of cultureel reveil

 

MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN



 

Wanneer een krant niet alleen reclame voert met de vermelding ‘verwacht het onverwachte’ maar die ook waarmaakt, had de verslaggeving en het verhoopte debat na de aanslagen in Parijs heel anders gelopen.

Politiek correcte verslaggeving verlamt debat



Het was zo voorspelbaar wat sinds 7 januari 2015 in Parijs gebeurde. Eerst een explosie van medeleven en grote verontwaardiging die resulteerde in een massale protestmars. Vervolgens, kwam de duiding met de nadruk op streng repressief optreden tegen het islamistisch geweld. Toen ook dat gezegd was, hadden de media tijd nodig om even adem te halen. Vanaf dan was het bij alle politiek correcte media zoeken naar een uitleg die de ‘gematigde moslims’ uit de wind diende te zetten. Meer zelfs, eigenlijk waren zij slachtoffers van ‘losgeslagen enkelingen’, in de eerste plaats criminelen die gebruik maakten van de Islam om hun moordlust bot te vieren.


Mochten we het onverwachte gekregen hebben - zoals De Standaard zijn lezers dagelijks voorhoudt – dan hadden we eindelijk een diepgravend debat gekregen. Een discussie over de grond van het grote onbehagen tussen de Westerse cultuur en de Islam. 

Dan zou niet die godsdienst maar één hoeksteen ervan, de sharia, de kern van het debat zijn. De sharia die de scheiding tussen Kerk en Staat verwerpt.
Niet één krant noch opiniemaker durfde het aan om dit onderwerp prominent ter discussie te stellen. En de regeringen? Zij deden wat ze moesten doen, de staat van paraatheid verhogen. Maar ook hier bleef het bij tijdelijke defensieve maatregelen en blijft ook in het parlement het belangrijkste geschilpunt voor de toekomst uit. 
In plaats van het debat kregen we dus allerlei verklaringen die vooral niet mochten provoceren. Want, polarisatie zou niet helpen. Dat klopt ook, maar dat is géén reden om het debat te weigeren. Is het islamofobie wanneer men oproept tot een cultureel verzet tegen de regelrechte aanslag op onze scheiding van Kerk en Staat?


Zo ging het



In de krant van 16 januari besluit Guy Tegenbos zijn commentaar met: ‘Het gaat ook niet over islamterreur, maar over terreur die misbruik maakt van de islam.’ Dat was dus in de traditie van DS niet onverwacht, hoewel ik moeilijk kan geloven dat hij dat ook echt meent. Blijkbaar zit de schrik voor veralgemening en polarisatie er bij de politiek correcte media danig in dat ze het nodig vinden om de werkelijkheid geweld aan te doen.


Een week later, op 27 januari, schrijft Herman Van Goethem, hoogleraar UA en ­conservator Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en mensen­rechten het volgende over de terroristen: ‘De daders van de aanslagen bij ‘Charlie Hebdo’ en de joodse supermarkt waren niet gek. Ze waren geïndoctrineerd door een ideologie die onvrijheid predikt, net als de nazi’s die zeventig jaar geleden in Auschwitz duizenden joden uitroeiden ‘voor de goede zaak’. Academici (van de linkerzijde wel te verstaan) mogen blijkbaar wat eigen journalisten niet mogen of durven.


Ontkenning helpt niet



Zou de ‘ideologie’ waar Van Goethem naar verwijst iets anders kunnen zijn dan de fundamendalistische Islam? Van waar dat ontkennen van deze gevaarlijke ideologie door een ervaren journalist als Tegenbos? Het doet mij denken aan een verklaring die ik ergens las over afspraken die journalisten maakten om de waarheid niet ‘volledig’ te vertellen. Vandaag lijkt het er opnieuw sterk op dar het verenigd gild van politiek-correcte journalisten als de dood is om de lezer onbevooroordeeld te informeren. Het kan nochtans, de lezers over alles informeren zonder zich te ‘verlagen’ tot kwetsende uitspraken. 


In ‘Reyers Laat’ kwam de nieuwe hoofdredacteur van ‘Het Journaal’, Björn Soenens, vertellen dat hij een andere journalistiek wil: constructieve journalistiek. Daarmee bedoelt hij dat niet alleen de feiten maar ook de omstandigheden moeten verteld worden. Bij voorbeeld: Wanneer gesproken wordt over terroristen in Afrika moet men er ook bij zeggen hoe verstoken ze wel zijn van een menswaardig leven. Dat ze een reden hebben om te moorden zei hij net niet.  
Op het feest van burgemeester Walter De Donder in Affligem wist eregast Miet Smet dat die terroristen allemaal één ding gemeen hadden: ze hadden vroeger allemaal al in de gevangenis gezeten. Het klonk bijna alsof ook dat niet hun maar onze schuld was. En zo zei ze met enige spijt in haar stem: ‘Ze zullen niet meer weggaan. Hoe moeilijk het ook is, we zullen ermee moeten leven’. Stilte in de zaal. 
In Knack online (18/01) mocht Selahattin Koçak reageren op de uitspraak van Bart De Wever die beweerde dat je de radicalisering niet los kan zien van de islam. Waarop hij reageerde met een (zucht) en: ‘Zever in pakskes. Hij weet beter dan wie ook dat de voorbije jaren separatisme en nationalisme aan de basis liggen van het merendeel van de aanslagen in Europa’. Toen de journalist hem voor de voeten wierp dat de terroristen in Parijs wel moorden in naam van Mohammed reageerde hij: "De Noorse massamoordenaar Anders Breivik wou de christelijke waarden beschermen en Europa zuiveren van vreemde invloeden. Wordt hij omschreven als een christenterrorist? Neen. Als het over een witte terreurdaad gaat, spreken we over een eenzame gek. 
Hiermee verraadt Koçak zichzelf, want, daarmee erkent hij dat deze moslimsterroristen moorden in naam van hun islamistische waarden. Dat er nog andere slechteriken zijn kan bezwaarlijk gelezen worden als een verdediging voor de ‘eigen’ terroristen.


Een abaya dragen is geen religieuze verplichting



Maar het hoeft ook niet allemaal zo geweldig te zijn. In DS (27/01) mocht vaste columnist Lorin Parys (N-VA) het verhaal vertellen van zijn poetsvrouw die niet was komen opdagen voor een babyborrel. De reden: ze dacht dat de andere gasten zouden bang zijn voor haar, wegens haar Marokkaanse afkomst. Nochtans is ze helemaal niet extremistisch want ‘ze werkt al jaren voor twee getrouwde mannen en heeft daar niet de minste problemen mee’. Neen dus, er was niemand die bang van haar zou zijn. Enkel ingebeeld wegens een incident in de trein waar enkele dagen voordien jonge vrouwen haar gevraagd hadden of ze onder haar ‘abaja’, een gewaad met hoofddoek uit één stuk, een bom droeg. Dit incident is dan de aanzet voor Parys om te veralgemenen. Alle  moslims worden behandeld alsof ze allemaal terroristen zijn. Zo schrijft hij: ‘Maar de vraag (van die jonge vrouwen op de trein) was vooral achterlijk omdat ze erop wijst dat we met beide voeten in de val trappen die terroristen voor ons spannen. De val die erin bestaat om een scheidingslijn te trekken waar er geen is, een tussen moslims en niet-moslims.’  


Anders gelezen is het passend om hier een kromredenering recht te zetten: Parys vergelijkt een moslima die een abaja draag met moslima’s die niet opvallen door hun kledij. Moslima’s die vestimentair onherkenbaar zijn maar even vrome moslims kunnen zijn. Want voor alle duidelijkheid, volgens de religieuze regels van de Islam wordt ook de poetsvrouw van Parys niet verplicht om zich te hullen in een abaya. Waardoor haar kledij ook kan gezien worden als een signaal van ‘niet gewone moslima’. Gelukkig nog steeds  uitzonderingen, al neemt ogenschijnlijk de dwang of vrije wil tot het dragen van dergelijke religieus geïnspireerde kledij, toe. 
Nog vervelender is de vaststelling dat Parys de schuld legt bij die dames op de trein die schrik hadden. Is het dan te hoog gegrepen voor een volksvertegenwoordiger om in te zien dat zijn poetsvrouw mits een heel klein beetje empathie, deze islamofobie had kunnen voorkomen door haar abaja voor één keer thuis te laten. Dan hadden ook zijn vrienden op de borrel geen schrik hoeven te hebben. Helaas, zoveel verdraagzaamheid had de jonge dame niet. Daardoor wijst haar gedrag op een gevaarlijke vorm van fundamentalistische godsdienstbeleving. Daar tegenover moeten wij ons niet laten afschrikken maar er een cultureel reveil tegenover plaatsen: Wij nemen die onterechte beschuldiging niet meer.

Pleidooi voor een debat over de sharia



Waar Parys wel een punt heeft is dat het gevaar van veralgemening bestaat, maar dan wel in beide richtingen. In beide richtingen, omdat er zoals hiervoor aangetoond wel degelijk een scheidslijn bestaat tussen onze cultuur en de sharia – ook al weigert hij die te zien. Om hierover duidelijkheid te krijgen, volstaat een bezorgde opiniemaker niet. Precies daarover hebben we een tegensprekelijk debat nodig tussen moslims en niet-moslims.


Misschien moet Parys bij de volgende gelegenheid eens uitleggen aan zijn poetsvrouw wat wij verstaan onder de verworven ‘scheiding van Kerk en Staat’ en haar vragen of ze bereid is om deze ook toe te passen als moslima? Ik kijk dus uit naar een volgende column waarin hij bevestigt dat zijn poetsvrouw de sharia verwerpt omdat deze niet in overeenstemming is met onze democratische rechtsorde zoals het Europees Hof in 2003 en 2004 al heel duidelijk maakte. Dat is toch wel een belangrijk aspect van een geslaagde multiculturele samenleving.
 

Dat hij aandringt op een genuanceerd oordeel deel ik volmondig. Maar dan moet hij bereid zijn om zijn blikveld te verruimen door bij voorbeeld eens te lezen wat ex-moslims vertellen over hun ervaringen (lees hier en hier).
 

Weten hij en de politiek-correcte elite wel wat er allemaal in de sharia staat? Voor wie wil nuanceren op basis van kennis, raden we alvast volgende bijdrage aan.




Pjotr