10 september 2015

Mediakritiek, a never ending story


Media en politiek  anders gelezen


Op de bijdrage ‘Waarvoor Vlaanderen een zware prijs zal betalen’, kwamen heel wat positieve reacties. Zou het mogelijk zijn dat bij steeds meer mensen de ogen open gaan en ze zich afkeren van de politiek-correcte indoctrinatie door de nieuwe media-profeten? 
Lezer D.A. liet mij het volgende weten: “Wat De Standaard betreft gaat het van kwaad naar erger. Voor de schijn publiceren ze af en toe nog wel eens een andere mening, maar er wordt over gewaakt dat het ofwel verdronken wordt tussen de ‘correcte’ meningen, het wordt achteraan geplaatst, belachelijk gemaakt, en de auteurs zijn vanzelfsprekend extreem rechts of erger nog conservatief. en reeds gezien in gezelschap van een notoire Amerikaanse Republikein" Enfin, ook voor mij is de maat nu vol.
Deze reactie deed mij terugdenken aan het artikel van de ombudsman (op zijn blog) die beweerde dat ook de lezers grenzen stellen aan de extreme meningen. Het zou dus wel eens kunnen dat ze daardoor vooral lezers verliezen. Hun geloofwaardigheid zijn ze bij weldenkende Vlamingen al langer kwijt. En dat DS redactie eveneens in de greep zit van het  ‘bange blanke man’ syndroom, wordt door deze uitspraak van de ombudsman  alleen maar bevestigd.

Het profiel van De Standaard lezer


Blijkbaar is de redactie van DS (waarvan we gemakshalve aannemen dat ze nog autonomie heeft inzake de bladvulling) overtuigd, dat de doorsnee DS lezer behoort tot de oppervlakkige politiek correcte soort. En als er dan een ‘buitenbeentje’ de kans krijgt om zijn gedacht kond te doen, volgt daarop een lawine van gekwetste zieltjes. Een zelfverklaarde kwaliteitskrant die alleen nog mikt op gelijkgestemden behoeft zelfs geen kwaliteit. Een bandbreedte voor anorexiapatiënten volstaat.

Abou Jahjah valt binnen de bandbreedte van De Standaard


 “http://www.standaard.be/cnt/dmf20150625_01748822  (26 juni maar nog steeds prominent online): Abou Jahjah 'Samen als het kan, apart als het moet' (over zijn debat met  de Zwitserse intellectueel en islamoloog Tariq Ramadan in Rotterdam)citaat: “Ramadan was tegen islamitische scholen, ik was voor noch tegen, maar zei dat gezien de discriminatie die er heerst het normaal is dat die zouden ontstaan. Ramadan was tegen een eigen moslimpartij, ik was voor noch tegen want zich organiseren is een recht, en gezien de manier waarop bestaande politieke partijen omgaan met moslims was het een kwestie van tijd voor alternatieven zouden ontstaan. Ramadan veroordeelde de opstand van de jongeren in de banlieues vanuit zijn islamitische insteek als moreel verwerpelijk, ik onthaalde die opstand als een daad van verzet in de beste traditie van de Franse Revolutie.”
Zijn boodschap die dus door DS gepropageerd wordt is duidelijk: Samen, als jullie onze regels aanvaarden, apart wanneer jullie de islam en de sharia niet omarmen.
Verzonnen racisme valt buiten de bandbreedte van DS

Eddy Daniëls, kernredactie De Bron onderzocht de bewering van Meyrem Alamaci (Groen!) inzake ‘bewezen racisme bij aanwervingen’ die gretig werd overgenomen door diverse progressieve poco media. Daniëls: “Dat 'bewezen' racisme bij aanwervingen, zou gebleken zijn uit een SERV-studie (vooral Meyrem Almaci pakt daar mee uit). Ik heb toen de SERV gecontacteerd. Er bleek nooit een SERV-studie in die zin te zijn uitgevoerd, maar wel een vermelding over de mogelijkheid van racisme in een soort bezweringsformule. Zij verwezen wel, via de Koning Boudewijn Stichting, naar een Gentse masterthesis met mystery calls. Ik heb die auteur dan gecontacteerd. Toen bleek dat zijn steekproef zo laag was, en zijn resultaten zo diffuus dat je er niets mee kon aanvangen. Het is verbazend dat zulk een paper door een universiteit zelfs maar geaccepteerd wordt, maar hij kreeg wel de nodige complimenten in de pers. Ook daar zwaait Almaci mee rond.”
Wat we hier opnieuw meemaken is de negatie van het weten. Onderzoek is niet meer nodig om de Vlamingen van racisme te beschuldigen. Staat er dan geen straf op valse beschuldigingen? Wie De Bron leest zal vaststellen dat er aandacht is voor het bestaande racisme, maar men er ook kan lezen dat er heel terechte bezorgdheden zijn bij het aanwerven van allochtonen. Een standpunt dat vloekt met de geloofsleer van de progressieve kerk en dus nooit de ‘kwaliteitskrant’ zal halen. 

Over vluchtelingen en asielzoekers 


DS 1 sep: “De directrice van Vluchtelingenwerk Vlaanderen beaamt wel dat het belangrijk is hen aan werk te helpen. ‘Waar ik wel mee akkoord ga: hoe vroeger ze een échte job hebben, hoe beter. Uit een onderzoek blijkt dat 1 op de 4 asielzoekers al tijdens de asielaanvraag aan het werk gaat. Dat stijgt tot 55 procent in de vier jaar na de erkenning als vluchteling. Amper 25 procent van de erkende vluchtelingen hangt na 4 jaar nog af van een leefloon. Het beeld dat sommigen geven van de asielzoekers klopt dus niet. Sommige politici hebben een probleem gemaakt van iets wat geen probleem was.” 
Het dooreenhaspelen van de begrippen ‘vluchteling’ en ‘asielzoeker’ getuigt niet van een wetenschappelijke zorgzaamheid. Er zijn (meestal economische) migranten en er zijn vluchtelingen. Alleen vluchtelingen hebben volgens de Conventie van Geneve recht op asiel. In  het rapport (Samenvatting pag. 5) vinden we een tabel waaruit blijkt dat er 108.856 asielzoekers waren tussen 2001 en 2010. Daarvan waren er 71.768 in de leeftijdsgroep van werkzoekenden en 4.869 vluchtelingen (maar enkel in de periode 2003 - 2006). Hoe men voor verschillende periodes toch conclusies kan trekken is niet duidelijk.
Maar blijkbaar volstaat het voor Vluchtelingenwerk Vlaanderen om het beleid van staatsecretaris Theo Francken niet alleen op een democratische manier (via het parlement) aan te vallen, neen, meteen stappen ze naar de Raad van State. Blijkbaar is België het land geworden waar alles en iedereen ter discussie staat en enkel nog rechters bekwaam zijn om aan politiek te doen.

De doordenkers van Knack


In Knack online verscheen in de reeks ‘Doordenkers van Knack.be’  een artikel van Olivier Pintelon (actief bij de denktanks Poliargus en Tripalium)  waarin hij aan de hand van twee concrete voorbeelden bewijst dat de herverdeling niet ten goede komt aan de lagere middenklasse maar wel de happy few.
 
Een van die concrete voorbeelden gaat over de grote transfer in de vastgoedsector. Lees rijken betalen minder voor huisvesting dan armen. Daarom pleit hij voor meer staatsinterventie: “Ook hier kijken de meeste commentatoren in richting van meer herverdeling door staat - denk maar aan huursubsidies voor de lage inkomens. We kunnen echter structureel meer doen. We kunnen opteren voor het uitbreiden van de publieke huurmarkt om ze zo ook toegankelijk te maken voor de brede middenklasse. Steden als Amsterdam en Wenen wijzen daarbij de weg. Ongeveer de helft van het stedelijk patrimonium is er in publieke handen. Dat weegt op het herverdelende vermogen van de markt, aangezien het toegenomen aanbod van betaalbare woningen de positie van de huurder structureel versterkt.”
Dat Pintelon Wenen als voorbeeld neemt, bewijst alvast dat hij weinig vertrouwd is met de lokale geplogenheden en de ware politieke reden waarom Wenen inderdaad een groot aantal woningen (meestal appartementsblokken) bezit. De werkelijkheid is dat deze woningen vooral de macht van de regerende politieke partijen diende te bestendigen. In de goede traditie van het Westeuropese communisme dat de Oostenrijkse politiek sinds zijn onafhankelijkheid in 1958 kenmerkte, zorgde de politiek niet enkel voor werk (elke ambtenaar moet een partijkaart hebben) maar ook voor onderdak; de regerende partijen verdeelden die woningen in openbaar bezit onder de partijsoldaten. Dat gebeurde volgens een proportioneel verdelingsmechanisme: de grootste partij kreeg een evenredig groot aantal jobs (ambtenaren) en beschikbare woningen toegewezen. Werk, brood en onderdak, alles in handen van de twee partijen die sinds 1958 tot 2000 de koek onder elkaar verdeelden: socialisten en christendemocraten. En toen kwam Jorg Haider en zijn Freiheitliche Partij Österreich (FPÖ)mee aan de macht.
Het resultaat was niet enkel goed bemande overheidsdiensten, maar ook een groot overtal aan ‘hoge ambtenaren’, kwestie van velen goede promotiekansen te geven. Het resultaat mocht er zijn: bij defensie meer dan tweehonderd generaals (meestal met een christendemocratische partijkaart) en nog iets meer hogere ambtenaren (met een socialistische partijkaart) bij binnenlandse zaken (en de politie). Is dat het systeem dat Pintelon wil voor België?

Pjotr

23 augustus 2015

Waarvoor Vlaanderen een zware prijs zal betalen


Media en politiek  anders gelezen

 
De waterdragers van de macht doen er alles aan om de publieke opinie dom te houden. Het ontslag van Karl Drabbe is slechts een onderdeel van deze stille evolutie waarvoor Vlaanderen een zware prijs zal betalen.

Uiteverij Pelckmans, de bange blanke man


Naar aanleiding van het ontslag van Karl Drabbe als uitgever van het boekenfonds van Uitgeverij Pelckmans werden ‘online’ heel wat verontwaardigde reacties gepubliceerd.
Wat de precieze reden was voor het ontslag is niet duidelijk en dat komt de uitgeverij die een zwijgplicht oplegde, goed uit. Maar of het nu was omwille van Drabbes Vlaamsnationale gezindheid of omwille van ‘een boek dat niet paste in het aanbod (lees de politiek correcte mainstream), voor Thom Pelckmans was het in elk geval voldoende om hem wandelen te sturen. Het politiek correcte blazoen van zijn uitgeverij, waarbij alle controverse gemeden wordt, is belangrijker.
Wat Thom Pelckmans bezielde om Drabbe te ontslaan kunnen we afleiden uit een voorval dat zich voordeed in 2007. Toen Gerard De Beuckelaer hem voorstelde om zijn boek ‘Vlaanderen sterft’ uit te geven. De Beuckelaer stuurde mij het antwoord met de weigering die hij toen kreeg van Thom Pelckmans. Maar uit respect voor de familie vroeg hij mij om zijn antwoord niet in extenso te publiceren. Na lezing waren we het erover eens dat dit antwoord heel duidelijk maakt dat Thom Pelckmans - in tegenstelling met zijn vader - een ‘bange blanke man’ is.
Waar het dus in 2007 en nu opnieuw in 2015 op neer komt, is dat de angst om ‘de gevestigde macht’ voor het hoofd te stoten, belangrijker was en is dan het aanklagen van mistoestanden. Pelckmans geeft in zijn antwoord immers toe dat ‘de beschreven toestanden niet kunnen en zouden moeten veranderen’. Maar ze publiek maken is duidelijk te veel gevraagd.

La trahison des clercs


In een van de vele reacties op het ontslag van Drabbe, refereert Dirk Rochtus naar de uitspraak van Sam Van Rooy die het boek van zijn vader Wim bestempelt als een moderne versie van La Trahison des clercs'. Rochtus verwijst hierbij naar de betekenis die de Franse auteur en filosoof Julien Benda gaf aan dit verraad: “Het 'verraad van de klerken' gaat over die intellectuelen die eeuwige waarden zoals de rede, de gerechtigheid en de democratie verraden omwille van hun geloof in de 'orde'. Benda doelde op de 'ordeherstellende' dictaturen en totalitaire regimes van zijn tijd, en als Franse jood wist hij maar al te goed hoe gevaarlijk ze voor lijf en leden waren. We zouden vandaag de dag onder 'orde' ook het politiek correct denken kunnen verstaan. De onvrijheid komt niet alleen op laarzen aangemarcheerd, maar sluipt ook als pensée unique binnen in onze maatschappij.”
Ik denk dat we hiermee aanbeland zijn bij de essentie van een uitermate groot probleem voor de publieke opinie in Vlaanderen. Het debat mag niet meer gevoerd worden. De zoektocht naar kennis, desnoods inclusief het bovenhalen van onwelkome waarheden, moet verhinderd worden. Nadenken is  dodelijk voor al wie het weten wil vervangen door geloof. De intellectuele vruchten van critici worden geofferd op het altaar van de nieuwe intellectuele dictatuur. De brandstapel vervangen door sociale uitsluiting; het statuut van paria. Daar zal Vlaanderen een zware prijs voor betalen.

De bandbreedte van De Standaard


Ook Tom Naegels, ombudsman van De Standaard en progressief columnist, gebruikte het ontslag van Karl Drabbe om zijn visie kond te doen via zijn blog: ‘De verdringing van uitersten’.
Even citeren: “In de geschreven pers is die verdringing van uitersten niet zo erg, omdat je altijd kan zeggen: De Standaard kan niet alles doen, maar u kan met uw opiniestuk terecht bij Doorbraak, bij ’t Pallieterke, bij De Wereld Morgen, op uw eigen blog…. Tiens, zou het kunnen dat hij dit artikel, waarin hij schrijft dat het jammer is dat het boek van Van Rooy niet gepubliceerd werd, op zijn blog gezet heeft wegens niet passend bij het imago van zijn eigen krant?
Maar dat terzijde. In zijn artikel verdedigt hij de verdringing van de uitersten: “Mainstream platformen, zoals grote kranten of uitgeverijen, trachten dat ‘potentieel verscheurende’ van het debat te beheersen door de uitersten er uit te weren. Dat is iets anders dan het populaire verhaal over een ‘culturele elite’ die zijn eigen ideologie opdringt aan een onwillig volk. Wie een krant als De Standaard of de aanbiedingsfolder van Polis leest, weet dat de bandbreedte best groot is. Maar er zijn grenzen. De mainstream omarmt veel, maar is ook duidelijk (zij het zelden expliciet) over wat ze niet accepteert. Omdat ook het publiek zo is. Lezers lijken nogal op ‘de culturele elite’: voor iedereen is er een grens aan de diversiteit aan opinies die hij wil aangeboden krijgen. Dat is op zich geen probleem, zolang die extremere opinies elders terecht kunnen, bij kleinere spelers die er dan mee kunnen pronken dat zij wél durven publiceren waar ‘de elite’ zijn ogen voor sluit.”
Voor Tom Naegels is het dus best oké dat enkelingen bij DS en ook andere media zoals de  VRT, beslissen wat binnen de bandbreedte ligt en wat erbuiten valt. Abou Jahjah, Arabisch-nationalist en links socialist valt binnen de bandbreedte van DS, Van Rooy, Islamcriticus, valt erbuiten. Zo simpel kan de waarheid zijn voor een kwaliteitskrant.
Meteen wordt elk debat uitgesloten en volstaat één visie om de publieke opinie voor te lichten. Namens welke goddelijke of democratische macht of op basis van welke wetenschap wordt hier geoordeeld? Vooral dat mogen we niet weten.

Kleine spelers

 
Dat Naegels denigrerend uithaalt naar ‘kleinere spelers die pronken met hun durf om wel extremere opinies te publiceren’ is, bij gebrek aan argumenten, goedkoop. Maar goed,  laten we de proef op de som nemen en vragen aan Naegels en de lezers om te bewijzen dat volgende voorbeelden ‘extreme opinies’ zijn. Ook al zijn we zeker dat DS deze nooit zou publiceren wegens ‘buiten de bandbreedte’:
Mag ik een voorstel doen? Wij organiseren een publiek debat, tussen enerzijds de specialisten van de ‘mainstream kwaliteitskrant’ De Standaard en een team bestaande uit specialisten van de ‘kleine spelers’, Doorbraak, ’t Pallieterke, de Wereld Morgen en De Bron. Onderwerpen: de klimaatverandering, de islam, het migrantenprobleem, defensie, communautaire dossiers, … Wij verheugen ons bij voorbaat op uw instemming. Maar mocht u het debat weigeren, zou ik willen verzoeken om voortaan minder denigrerend te spreken over ‘kleine spelers’. Hun ‘slow journalism’, met vooraf lezing door gespecialiseerde reviewers, is zelfs voor een kwaliteitskrant als DS te hoog gegrepen; onbetaalbare kwaliteit.

De Standaard weigert niet het extreme, wel het debat


Het debat weigeren was precies wat DS deed in verband met de problemen van de multiculturele samenleving. ‘Men besliste’ dat kritiek hierop buiten de bandbreedte viel en dus werden alle stemmen die durfden vragen stellen bij het gedoogbeleid doodgezwegen of kwamen ze hooguit mondjesmaat aan bod. Dat laatste enkel om een zweem van objectiviteit te behouden. Meer zelfs, iedereen die het multiculturele geloof niet volgde was een moderne ketter: een racist. Ze beseffen zelfs niet dat ze zo het Vlaams Blok groot hebben gemaakt. Hun schuldig verzuim hebben veel mondige Vlamingen gelukkig niet gepikt.
Eenzelfde fout begaan zij met het doodzwijgen van alles wat niet Islam-vriendelijk is. De ketters van dienst zijn ditmaal de islamofoben. Even terzijde, zou het omwille van haar rechts en Islam-kritisch gedachtengoed zijn dat Mia Doornaert, ondanks een ‘track record’ dat ver boven dat van andere journalisten van DS uitstak, nooit promoveerde tot verantwoordelijke voor de rubriek Buitenland?
Wat bezielde Tom Naegels toen hij in DS klimaatsceptici (wetenschappers notabene) bestempelde als wetenschappelijk niet relevant? Op basis van welke criteria besliste hij dat? Er zijn heel valabele geostrategische argumenten om fossiele brandstof zoveel mogelijk aan te vullen met andere minder vervuilende of hernieuwbare  brandstoffen. Maar willen we nu eens stoppen met het gedaas dat CO2 en dus de mens de oorzaak is van de klimaatverandering? De enige onwelkome waarheid is dat bij de huidige stand van de wetenschap er geen conclusies kunnen getrokken worden. Niet door de alarmisten van Greenpeace en het VN-panel (IPCC), noch door de sceptici. Maar voor de herauten van het politiek correcte denken is weten ook in dit dossier geen punt. Geloven moeten we, geloven zullen we en vooral heel veel geld stoppen in de nieuwe industrie. Na de oliebaronnen is het kassa kassa voor de luchtballonnen en de zonnekoningen.
Maar het meest relevante in zijn artikel vond ik zijn verwijzing naar de lezers die volgens hem – net zoals de intellectuele elite - niet meer geïnteresseerd zijn in andere meningen. Lezers die enkel nog willen lezen wat ze zelf geloven. Dat is precies waar Vlaanderen aan zal kapot gaan: een groeiende schare volgelingen van de politiek correcte leer – de pensée unique - die niet meer nadenken. Een kudde volgzame schapen, meer heeft de dictatuur van de onwetendheid niet nodig.

De prijs die Vlaanderen betaalt


Hoewel er nog heel wat bijdragen roepen om een tegenwoord wil ik het hierbij laten. Laat mij de cirkel sluiten door terug te keren naar het begin, het boek van De Beuckelaer. Over de auteur die ik goed heb leren kennen weet ik één ding: ondanks de vele verstandige vrienden en bekenden is hij met stip nummer één inzake ‘gebeten om te weten’. Met zijn brede belangstelling en zijn indrukwekkende wetenschappelijke en internationale ondernemerservaring is hij een van de mensen waar we iets kunnen van leren. En ondanks zijn ongezouten kritiek las ik vooral zijn liefde voor Vlaanderen. De vader die de roede niet spaart, maar open staat voor elke onderbouwde mening en uitnodigt tot een debat ten gronde.
De inhoudstafel omvat zowat alle pijnpunten van onze hedendaagse Vlaamse gemeenschap. Van ‘La Belgique à papa’ over de collaboratie en repressie, de communautaire problemen, migrantenprobleem, het klimaat en ga zo maar door. Ook de politieke partijen en de democratie krijgen geen goed rapport. Taal, cultuur, onderwijs, het gerechtelijk apparaat en de administratie ontsnappen evenmin aan zijn onderzoek.
Na lezing van het boek besefte ik hoeveel belangrijke zaken in Vlaanderen taboe zijn. Blijven smeulen wegens nooit uitgepraat. Elk van die thema’s schreeuwen om een publiek debat. De kranten en weekbladen zouden bladzijden te kort komen. Nu staan ze vol met trivialiteiten waardoor van de weeromstuit de mensen nog minder belangstelling hebben voor wat wel belangrijk is. Het besluit van de VRT om dan maar het aanbod te verminderen spreekt boekdelen. Het dieptepunt is nog niet in zicht.

‘Vlaanderen sterft!, ISBN 9789089730183 uitgeverij AristoScorpio; http://www.aristoscorpio.com/boeken2/nonfictie/9789089730183-2.html

Pjotr

19 augustus 2015

Ambtenaren, over het kind en het badwater



MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


Recentelijk sprak ik met enkele professoren en politici over de vervanging van vast benoemde ambtenaren door tijdelijke. Dat een vaste benoeming de efficiëntie in de weg staat, kon echter niemand bewijzen. Een analyse.

Vooraf


Twee ideologische visies bepalen hoe men een staat organiseert. De keuze voor een sterke staat (etatisme) waarbij de staat heel veel opdrachten toebedeeld krijgt en waarvoor een omvangrijke en sterke administratie nodig is. Een sprekend voorbeeld hiervan is Frankrijk. Voor de kwaliteit van de administratie staan de afgestudeerden van de ‘Grandes Ecoles’ borg en samen met een sterk politiek (presidentieel) systeem dat minder last heeft van het NIMBY-syndroom, delen alle Franse politieke partijen, liberalen evengoed als socialisten, deze visie. Daar tegenover is er de visie die de staat wil terugdringen tot een beperkt aantal kerntaken, veiligheid, justitie, … en daarvoor zo weinig mogelijk middelen wil inzetten. Het zijn vooral, maar niet alleen, de adepten van deze laatste visie die het moeilijk hebben met vast benoemde ambtenaren.
Waar we het hier niet over zullen hebben is de specifieke complexiteit van de Belgische staatstructuur. Geen verdeling van homogene bevoegdheden tussen de bestuursniveaus maakt het voor de uitvoerende diensten niet gemakkelijker. Wie meer efficiëntie verwacht van de ambtenaren hoeft dus niet lang te zoeken: kuis de Belgische koterij op.
Confederalisme wordt dan een oefening in efficiëntie.

Wat loopt er fout


De roep om het ambtenarenstatuut af te schaffen is niet nieuw. Toenmalig staatssecretaris voor ambtenarenzaken, Hendrik Bogaert, CD&V, lanceerde dit idee reeds in 2013. Daarover schreef ik een bijdrage met als titel ‘Een modern ambtenarenbeleid’. Citaat: ‘een modern personeelsbeleid vraagt veel meer dan de aanpassing van het sanctiebeleid en de invoering van tijdelijke medewerkers. Een globale visie begint met de erkenning van alle bestaande pijnpunten.’
Hieronder de belangrijkste pijnpunten die elke ernstige kans op een efficiënt ambtenarenapparaat bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken.
(1)  Wellicht het belangrijkste pijnpunt is de politisering van de topfuncties in de ambtenarij én de druk vanuit politieke partijen met een sterke vakbondsvleugel, om zoveel mogelijk ‘partijsoldaten’ aan te werven. Het enige argument voor de veralgemeende politisering van de topambtenaren is dat politici - helaas soms ook terecht - ervan uitgaan dat niet-partijgebonden ambtenaren onvoldoende betrouwbaar zijn om het beleid van ‘hun’ regering correct uit te voeren. 
(2)  Vakbonden willen vooral zoveel mogelijk personeel en zo weinig mogelijk afremmende ‘autoriteit’. Onder het motto van ‘hoe meer leden’ hoe meer invloed, werken ze elke modernisering tegen die het aantal leden zou kunnen verminderen. De dominantie van de vakbonden zorgt er ook voor dat de evaluaties van de medewerkers niet naar behoren werkt. Defensie, waar de invloed van de vakbonden minimaal is, slaagt er wel in om alle medewerkers op een ernstige manier te beoordelen en desgevallend te sanctioneren. Het is ook het departement met de minste politieke inmenging. 
(3)  Corporatisme zorgt eveneens voor een krakkemikkig ambtenarenbeleid. Elke administratie heeft vanuit een corporatistische reflex een metershoge muur opgetrokken rond de eigen administratie. Flexibiliteit is een idee dat volgens de vakbonden en andere conservatieve krachten met de grootste kracht moet bestreden worden. Terwijl flexibiliteit juist een deel van de oplossing kan zijn. 
(4)  Politici die onvoldoende ondersteund worden en daardoor bij gebrek aan kennis en ervaring, beslissingen (wetten, decreten, …) goedkeuren die problemen veroorzaken bij de uitvoering. Daarenboven leidt de regelneverij van de staat, zowel federaal als op Vlaams niveau, tot een oerwoud aan wetten. Soms onuitvoerbaar of in tegenspraak met bestaande wetgeving. ‘Ad hoc’ wetgeving verplicht dan tot nieuwe ‘reparatiewetgeving’. Wellicht het dikste boek ter wereld: het Belgisch staatsblad.
(5)  Ambtenaren die misbruik maken van hun autoriteit om zelf wetten en richtlijnen te interpreteren (dikwijls vanuit een partijpolitieke inspiratie) of nog erger, deloyaal zijn aan hun opdrachtgever, de uitvoerende macht. Een flagrant voorbeeld van een gebrek aan loyaliteit gaf Vlaams topambtenaar, Dirk Van Melkebeke (van socialistische signatuur). Hij wil vervroegd op pensioen wegens niet akkoord met het gevoerde beleid. Dat noem ik een (impliciete) eenzijdige contractbreuk, een ‘civil servant’ onwaardig.

Een efficiënte administratie


Kwaliteit van de dienstverlening en kostprijs zijn de twee parameters die voorop moeten staan bij de evaluatie van de efficiëntie. Als de hierboven vermelde pijnpunten iets aantonen, dan is het enerzijds een schrijnend gebrek aan een politieke wil om hieraan (de kwaliteit) iets te doen en anderzijds een bescherming van de individuele ambtenaar die voorrang krijgt op de efficiëntie van de dienstverlening.
In België, meer nog dan in andere Europese landen, wordt de ambtenarij al te veel gezien als een hefboom voor de tewerkstelling. Het is mede oorzaak van de hoge overheidsbestedingen, en verklaart deels waarom de belastingen hoger liggen dan in andere landen. In dergelijke omstandigheden is het niet verwonderlijk dat de maatschappij niet hoog oploopt met de prestaties van de administraties.
De realiteit van een dure en inefficiënte overheid wegwerken, zou een van de belangrijkste prioriteiten moeten zijn van elke regering. Maar de tegenkrachten zijn zo sterk dat zelfs nieuwkomers, zoals de N-VA, er niet in slagen om de wantoestanden weg te werken. Deels omwille van de weerstand van de traditionele partijen die hun ‘partijsoldaten’ willen beschermen, maar ook omwille van een gebrek aan durf om ‘nieuwe visies’ op tafel te leggen.
Maar dat  het statuut van de ambtenaren de oorzaak zou zijn van een gebrek aan efficiëntie werd nog door niemand bewezen.
Er is trouwens iets zeer onduidelijk aan het statuut van tijdelijke contractuelen: namelijk de tijdelijkheid. Ik zou niet graag de tijdelijke ambtenaren eten geven die hun ganse leven in de administratie blijven en zelfs in het vooruitzicht van hun pensioen overgeheveld worden naar het vast benoemd kader. 

Argumenten pro afschaffing


Het voornaamste aangehaalde argument voor de afschaffing, is dat dit statuut geen flexibiliteit toelaat en de staat opzadelt met meer mensen dan nodig is. Tijdelijke krachten kunnen na hun kortlopend contract afgedankt worden en bieden de overheid meer soepelheid om in te spelen op de wijzigende personeelsbehoeften. Dit nadeel is niet in elke administratie even voelbaar. Administraties waar er veel belastend werk (operationele opdrachten door militairen, politie en andere veiligheidspersoneel, …) moet geleverd worden, zullen sneller met een overschot aan ongeschikt vast benoemd personeel zitten, dan administraties met minder zware vereisten.
En dan zijn er uiteraard de hiervoor aangehaalde pijnpunten, kwalen waaronder de administraties lijden. Politisering, overdreven bescherming van het personeel, een conservatief en corporatistisch personeelsbeleid, … belemmeren dat de administraties efficiënter worden.

Argumenten contra afschaffing


Stabiliteit en continuïteit zijn belangrijke factor voor de efficiëntie van een bestuur. De opbouw en het behoud van kennis en ervaring wordt ook in elke privébedrijf gewaardeerd. Door de toenemende complexiteit – denk maar aan de stortvloed aan nieuwe wetgeving – kan een efficiënt beleid niet zonder deze gespecialiseerde kennis en permanente bijscholing. Denken dat men dezelfde kennis en efficiëntie kan bereiken met tijdelijk personeel (en het inherent groter verloop van medewerkers) is fout. Wie pleit voor tijdelijk personeel zal minder belang hechten aan de kwaliteit van de dienstverlening en zoekt vooral besparingen.
Het is evenmin denkbeeldig dat door de afschaffing van de werkzekerheid de politieke bescherming van de ambtenaar door (en zijn afhankelijkheid van) politieke partijen nog zal toenemen.

Alternatieve oplossingen


Het omvormen van de administraties is geen werk van korte adem. Het is een complex probleem dat best niet besmet wordt door populistische prietpraat over ‘ambetantenaren’.
Uit de voorgaande overwegingen en argumenten kunnen we toch iets leren. Namelijk dat efficiënte administraties slechts mogelijk zijn wanneer  men de pijnpunten durft aan te pakken. Dat kan door onder meer een goede mixt van vast benoemd personeel (dat de ruggengraat vormt) en tijdelijk personeel (dat de schommelingen inzake personeelsbehoeften moet opvangen) in te zetten. Maar er is meer nodig en mogelijk.
Mijn pleidooi voor meer flexibiliteit in ruil voor stabiliteit (vaste benoeming) heb ik reeds uitvoerig toegelicht in een bijdrage over defensie. Daarin pleit ik voor flexibiliteit door de muren tussen de administraties te slopen en het aanwerven van vast benoemde ambtenaren te koppelen aan de verplichting om beschikbaar te zijn voor meerdere publieke diensten. Mits deze vereiste contractueel te voorzien stelt deze oplossing geen enkel juridisch probleem. Wel is het nodig dat deze flexibiliteit geldt voor alle vast benoemde ambtenaren van hetzelfde niveau en bij voorkeur voor alle niveaus.
Bij wijze van voorbeeld zou defensie gemakkelijk duizenden goed opgeleide (maar te oude) militairen kunnen missen zonder dat de operationele capaciteiten aangetast worden. In tegendeel, door minder oud personeel te moeten betalen komt er meer budgettaire ruimte om jonger personeel aan te werven. En via dergelijke flexibiliteit kan dit ouder, maar daarom nog niet onbekwaam, personeel ingezet worden in andere administraties.
Mogen we hoopvol zijn, nu N-VA, de partij die pleit voor minder staat en meer efficiëntie, de minister levert die bevoegd is voor het ambtenarenbeleid?
Pjotr

12 augustus 2015

Het leed van rolstoelgebruikers



 

MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

Voor gehandicapten die effectief minder mobiel zijn of rolstoelgebruikers, is het een steeds weerkerende frustratie: volzette parkeerplaatsen. Hoog tijd voor een ingrijpende ommekeer in het parkeerbeleid voor gehandicapten.
Voor een goed begrip

Toen het Nederlandse dagblad De Telegraaf een artikel publiceerde met als titel “Belgen sjoemelen met invalide parkeerkaarten” kregen onze weinig kritische media opeens belangstelling voor dit al jarenlang aanslepend probleem. Stel u voor, sommigen – dat zijn er zo’n 200.000 - gebruiken parkeerkaarten van overledenen. Mentaal gehandicapten, inderdaad.
Maar even verder denken zat er ook bij onze politici niet in. Vincent Van Quickenborne, burgemeester van Kortrijk (Open Vld), had al direct een oplossing gevonden. Een waarvan vooral de leveranciers van dure scanners rijk zullen worden. Dat had ook de bevoegde staatssecretaris Elke Sleurs (N-VA) niet onmiddellijk door, want ze zou zijn voorstel meenemen in haar op stapel staande wijziging van haar beleid ter zake. Dat stemt mij als dagdagelijkse mantelzorger voor een rolstoelpatiënt helemaal niet hoopvol.
Parkeerplaatsen voor minder mobiele mensen zijn nodig om aan hun speciale behoeften te voldoen. De afstand tussen parkeerplaats en bestemming (openbare gebouwen, winkels, instellingen, …) beperken én de gehandicapte de mogelijkheid bieden om gemakkelijk in en uit te stappen. Vandaar dat deze parkeerplaatsen veel breder zijn dan de gewone plaatsen. Wanneer men deze kenmerken in aanmerking neemt, dan is het duidelijk dat de ‘bevoorrechte personen’ in eerste instantie mensen zijn die hun rolstoel naast de wagen moeten kunnen plaatsen. De werkelijkheid is echter dat de overgrote meerderheid van de ‘bevoorrechten’ deze brede parkeerplaatsen helemaal niet nodig hebben. En in de meeste gevallen zijn de ander parkeerplaatsen niet of hooguit enkele meters verder gelegen.

De oorzaken van het falend beleid


Wie een coherente oplossing wil voor het probleem van de parkeerkaarten moet alle problemen in kaart brengen. En dat is veel meer dan het misbruik van valide parkeerkaarten van overledenen.

Te weinig parkeerplaatsen voor gehandicapten
Sommige winkels voorzien op hun parking te weinig plaatsen al moet gezegd worden dat er een vooruitgang merkbaar is. Maar ook de overheid faalt soms door te weinig parkeerplaatsen voor gehandicapten te voorzien op publieke parkings aan winkelcentra. Eén parkeerplaats voor een Aldi (Middelkerke) is absoluut onvoldoende. Voor een Delhaize (Denderleeuw) zijn twee parkeerplaatsen al even onvoldoende. Men beseft wellicht nog niet dat recentelijk gehandicapten weggedrongen worden door de haastige klanten tijdens de piekuren en daarom meestal tijdens de daluren gaan winkelen. De daluren worden voor gehandicapten piekuren.
Is hiervoor een strengere regelgeving nodig? Neen, een beetje gezond verstand van de lokale autoriteiten en het (aanporren van het) eigenbelang van winkeliers zou moeten volstaan.
Even terzijde, het is een beetje vreemd dat in sommige steden parkeerplaatsen voor gehandicapten gratis zijn en in andere niet. Of steden zoals Aalst waar parkeren met een gehandicaptenkaart gratis is op elke plaats (behalve in afgesloten parkings).

Parkeerkaarten voor gehandicapten die wel nog mobiel zijn
Op basis van mijn dagelijkse ervaringen heb ik de stellige indruk dat er heel veel parkeerkaarten toegekend worden aan gehandicapten die eigenlijk geen speciale parkeerplaats nodig hebben. Waar ik ook kwam, rolstoelpatiënten zijn slechts een minderheid. Nochtans is het vooral voor hen bijzonder nuttig om een brede parkeerplaats te hebben, dicht bij de ingang van een winkel. Immers, het in- en uitstappen en de verplaatsing is voor hen tijdrovend en bij regenweer helemaal vervelend.
Dit probleem dient in elk geval grondig onderzocht te worden. Is er nood aan een verfijning door een rekening te houden met de graad van de beperking inzake mobiliteit?  In elk geval, wanneer men deze parkeerfaciliteiten gemakkelijk toekent moeten er veel meer parkeerplaatsen komen. Plaatsen die tijdens de piekuren ongebruikt blijven. 
Misbruik van geldige parkeerkaarten
Een veel voorkomend misbruik van geldige parkeerkaarten dat ergernis wekt wordt veroorzaakt door mentaal gehandicapten. Mensen die de geldige kaart van een minder mobiel familielid voor zichzelf gebruiken. Om dit moreel verval tegen te gaan volstaan geen controles maar een lik-op-stukbeleid. Het is mij al meermaals overkomen dat ik met vragen in de ogen kijk naar iemand die  gezwind uit de wagen stapt en dan een boze blik terugkrijg met een korzelige reactie ‘ja, ik heb een parkeerkaart’. Het overkwam mij zelfs dat een jong meisje zich parmantig parkeerde aan de ingang van een shopping centrum in Brussel en op mijn vraag waarom ze een parkeerplaats voor gehandicapten bezette, zonder verpinken verklaarde dat ze er werkte en geen tijd had om een gewone parkeerplaats te zoeken. Zelfs dreigen met politie was aan haar niet besteed.   
Maar ook dit probleem is niet altijd eenduidig. Het kan best zijn dat men de gehandicapte eerst afzet (bvb aan de ingang) om vervolgens de auto te parkeren op een parkeerplaats voor gehandicapten in de omgeving. 
Ongeldig gebruik van ‘verlopen’ parkeerkaarten
Het misbruiken van parkeerkaarten van overleden gehandicapten, zoals in De Telegraaf stond, komt ongetwijfeld voor, maar ik durf te betwijfelen of dat het meest voorkomende misbruik is. Emotioneel nieuws dat goed verkoopt, maar werd de omvang van dergelijk misbruik reeds onderzocht? Veel van die parkeerkaarten worden gewoon weggegooid omdat men de moeite niet doet om ze binnen te brengen. Ik kan zelfs, gezien de omstandigheden,  begrip opbrengen voor deze ‘luiheid’, zo lang ze maar niet meer gebruikt worden. Hiervoor de grote hamer boven halen is een al even emotionele reactie en getuigt niet van veel inzicht. Er zijn andere mogelijkheden om deze misbruiken te voorkomen.
Anders is het wanneer men een parkeerkaart gebruikt waarvan de geldigheidsperiode is overschreden. Maar ook dat is geen eenduidig verhaal. Het overkwam mij tijdens een routinecontrole van de politie die vaststelde dat de limietdatum overschreden was. Inderdaad, want hoewel ik een verlenging reeds meer dan zes weken voor de limietdatum had aangevraagd, was de nieuwe kaart nog altijd niet afgeleverd. Vervelend en zelfs pijnlijk voor een gehandicapte waarvan met zekerheid geweten is dat de handicap onomkeerbaar is. Het zou dus fout zijn om alleen maar ‘tijdelijke’ kaarten uit te delen om te vermijden dat er misbruiken zijn met parkeerkaarten van overleden gehandicapten.
 Parkeren zonder parkeerkaart
Voor de haastige, gestresseerde mensen is een lege parkeerplaats voor gehandicapten heel verleidelijk. Er is niemand en ik zal er niet lang gebruik van maken,  volstaat dan als excuus om deze plaats in te palmen. Vooral als de parking al aardig vol staat en men anders honderd meter zal moeten stappen.
Hier moet het beleid dringend maatregelen nemen om het moreel verval tegen te gaan. Uitzonderlijke controles en enkel een geldboete zal niet volstaan om dit maatschappelijk verval om te buigen.

Kordaat en maatschappelijk aanvaard beleid 


Staatssecretaris Elke Sleurs (N-VA) die bevoegd is om het falend beleid aan te pakken zal dus meer moeten doen dan enkel ervoor zorgen dat de parkeerkaarten van overleden gehandicapten niet langer kunnen gebruikt worden.
Laten we alvast zelf niet de fout maken om dé oplossing aan te bieden. Maar vanuit mijn dagdagelijkse ervaringen moet het wel mogelijk zijn om de krachtlijnen van een passend beleid aan te duiden. Daarom aandacht voor de achterliggende ideeën en argumenten voor een beleid dat vooral faalt wegens laksheid. Want ook het parkeerbeleid is aangetast door een veralgemeende maatschappelijke laksheid. Een gedogende overheid die de moed niet heeft om moreel verfoeilijk gedrag kordaat aan te pakken, en dan maar via dure technologische oplossingen vooral haar gebrek aan morele standaarden etaleert. Het kan anders. Het moet anders.

Essentiële vragen, eenvoudige oplossingen

Toekenning van de kaarten: de eerste vraag die de staatssecretaris moet beantwoorden, is wie er recht heeft op een parkeerkaart voor gehandicapten.
Hier stelt zich de verantwoordelijkheid van de medici. Blijkbaar onbetrouwbaar en dus voorziet men in een controleorgaan dat soms maanden nodig heeft om de aanvraag goed te keuren. Waarom individuele dokters en de Raad van Geneesheren niet voor hun verantwoordelijkheid stellen? Of tekenen ook zij voor onbetrouwbaar?
Tenslotte en eigenlijk de essentie: zou het niet aangewezen zijn om voorrang te geven aan personen die echt een brede parkeerplaats nodig hebben? Want met de toenemende stijging van de levensduur zal ook het aantal echte behoeftigen die niet zonder rolstoel kunnen, toenemen. Zorg dat zij die het werkelijk nodig hebben er ook gebruik van kunnen maken.
Een tweede vraag is hoe misbruik van parkeerkaarten kunnen voorkomen worden en desnoods voorzien kan worden in afschrikwekkende sancties.
Een eerste gratis maatregel is om de gebruikers te verplichten om de kaart op het dashboard te plaatsen met de foto zichtbaar voor controle. De grijnslach van misbruikers die nu de kaart  zonder zichtbare foto tonen, kan dan onmiddellijk ontmaskerd worden. En het zou getuigen van kordaatheid om hier niet opnieuw toe te geven aan een totaal misplaatste privacy die zich verzet tegen het tonen van een foto. Denk u dat er één werkelijk gehandicapte daar moeite mee heeft, wanneer iedereen zijn/haar handicap toch kan zien bij het uitstappen? Dat argument vind ik alvast totaal misplaatst, want het beschermt enkel de sjoemelaar. Stop dat gedoogbeleid.
Waarom de administratieve molen niet vereenvoudigen door de lokale besturen de middelen te geven om  soepel in te spelen op de echte noden. Stop nu eens met een foto te vragen (ook voor de identiteitskaart). Met een webcam die minder dan 50 euro kost kan elke gemeentebeambte een digitale foto maken die voor alle documenten kan gebruikt worden.
Als er één categorie is die absoluut behoefte heeft aan nabijheid van bestuur en dienstverlening, dan zijn het wel gehandicapten die meestal ook nog met andere problemen te kampen hebben.
En over de technologie kan ik alleen maar vaststellen dat de openbare diensten na decennia geklungel er blijkbaar nog altijd niet in geslaagd zijn om databanken te laten communiceren met elkaar. En dan wil Van Quickenborne scanners gebruiken. Waarom? Misschien kan hij ook eens vertellen hoe hij een kaart zal scannen achter een vuile ruit, met reflectie van het zonlicht en met een barcode die scheef ligt? Zeer dure 3D scanners: de aanbieders wrijven zich reeds in de handen. 
In elk geval is een efficiënt beheer van databanken met individuele informatie noodzakelijk om ook de situatie inzake parkeerkaarten te kunnen opvolgen. Hopelijk zal de inertie in dit domein geen drogreden zijn om enkel wat oppervlakkige correcties aan te brengen, waarvoor opnieuw de gehandicapte en zijn omgeving zal aangesproken worden.
Straffen die men voelt
Wie het moreel verval dat aan de basis ligt van de misbruiken wil tegengaan, zal uit een ander vaatje moeten tappen dan enkel maar geldboetes opleggen. Bij wijze van voorbeeld: Wie onterecht een parkeerplaats voor gehandicapten inneemt, zal het veel meer voelen wanneer hij/zij de auto moet in bewaring geven voor enkele dagen. Af te leveren aan het opgegeven depot en de bewaringskost zelf te betalen bij teruggave.
En voor de vaststelling van misbruiken van de kaart (vervaldatum, geen kaart, …) kan men onder andere de ijverige parkeerwachters gebruiken die nu ook al foto’s nemen, maar enkel voor wie geen parkeergeld betaalde. En ook de winkeliers zouden hierin een ontradende rol kunnen spelen.
Sta ik alleen met mijn overtuiging dat er een maatschappelijk draagvlak is voor kordaat bestuur, mits dat ook duidelijk te communiceren?
Pjotr