26 mei 2015

Mijn wereld



Graag deel ik met u de stilte van deze mijmering, neergeschreven door mijn vriend


Paul Van Camp

Ooit militair, oud-vakbondsafgevaardigde en nog zoveel meer.
 
Veel leesplezier,
Pierre 'Pjotr' Therie
 
                         Mijn wereld                           
Ik heb toch al wat gezien
en meegemaakt
mijn deel gehad
van het goede
en het kwade.
Mensen die hun leven gaven
voor hun evenmensen
mensen die hun evenmens
hebben bestolen en bedrogen.
Opgelet, ik leef al lang
Heb de slechtgelovigen
Op de brandstapel gezien
zo lang geleden
en zie nu
De andersgelovigen
met duizenden uitmoorden.
Ik zag mensen onderwijzen
en uit de ongeletterdheid halen.
Ik zag ze meesterwerken maken
en zag deze ook  stelen of vernietigen.
Ik zag verplegers en religieuzen
zieken opnemen en verzorgen
Ik zag ze ook kinderen
verduisteren
omdat ze in zonde verwekt waren.
Ik zag weeskinderen opnemen
met onnoemelijke liefde
maar zag ze ook soms
 als slaaf behandelen.
Ik zag het God-zijn
en diens boodschap
met  overtuiging en geestdrift
verkondigen
en ook verkondigers en boodschappers
de boodschap vernielen.
Ik zag medemensen zwoegen
ten bate van vrouw en kind
en toch sterven in armoede
en ellende
maar zag   er ook
die zich verzamelden
om het lot van deze mensen
te verbeteren
en te zorgen voor een waardig bestaan.
Ik zag leiders die hun volk
met beloften stil hielden
en zich verrijkten
zonder schaamte.
Ik zag ze, verkozen door hun volk
verglijden
van verraad naar verraad.
Ik zag de rechtvaardigen
smeken het volk te redden
uit zijn diepe val
en het gebeurde niet.
Ik hoorde een triomfantelijke kreet
dat de leeuw geen tanden had,
en de kreet was juist.
Degene die zong
dat hij voor geen vreemde zou buigen
ziet zijn nazaten
de hielen likken
van bezetters die me belagen
met woord of geweld
want ik ben bekrompen en kneuterig
enggeestig en zelfs racistisch
als ik durf zeggen
waar het op staat.
Misschien is de kering nabij
maar ik twijfel
want weinig leiders en pennen
zijn moedig
Mijn naam is Vlaanderen
Mijn waarden zijn Westers.




16 mei 2015

In mei legt Jan Jambon een ei



 

MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN


 

Jan Jambon, N-VA-minister van Binnenlandse Zaken op bezoek bij de Cercle de Wallonie, vond dat het tijd werd om opnieuw een ei te leggen. Het was al van de vorige meimaand (verkiezingstijd) dat hij zijn laatste ei legde. Eens dieper graven.

Volgens Christophe Leroy, journalist van het magazine Le VIF (7 mei), verklaarde Jan Jambon voor de Cerlce de Wallonie het volgende:

On doit sécuriser cette politique de centre-droit dans la Belgique si c'est possible, mais dans la Flandre si nécessaire. Notre but n'est pas de changer la Constitution. Le but est d'améliorer le bien-être de nos enfants et petits-enfants. La réforme de l'Etat n'est qu'un moyen pour y parvenir." Interrogé sur le maintien futur du programme communautaire de la N-VA si les transferts financiers Nord-Sud venaient à cesser d'ici quelques années, le nationaliste flamand a répliqué : "Les transferts Nord-Sud, ça nous aide juste pour le marketing. Mais en fait, ça ne nous intéresse pas."

Deze uitspraak van  Jambon, bevat twee interessante elementen:

Vertaald naar het toekomstig regeringsbeleid begrijpen we dat de voortzetting van het actuele centrumrechtse federaal beleid moet verder gezet worden. Pas wanneer dat niet kan moet Vlaanderen zijn eigen beleid kunnen voeren (zonder daarvoor de grondwet te veranderen?). Of anders gelezen, communautaire eisen zijn niet aan de orde wanneer het huidig federaal beleid met N-VA kan verdergezet worden. 

Het tweede idee is dat N-VA geen graten ziet in de transfers, maar deze wel nuttig zijn voor het communautair electoraal discours.

Bij N-VA was de eerste reactie nogal verward. Deed hij het of deed hij het niet? Daarom vroegen we journalist, Christophe Leroy van LeVif of zijn bericht wel klopte. Zijn reactie was duidelijk: “Malheureusement pour la N-VA, j’ai effectivement enregistré intégralement l’intervention de M. Jambon, dans lequel cette phrase est bel et bien prononcée, sans aucune coupure dans l’énoncé tel qu’il a été écrit. Il n’y a donc aucune « invention » de la rédaction concernant tous les passages évoqués par M. Jambon ce soir-là.»

Hij nam dus alles op en om mij te overtuigen stuurde hij mij de opname zodat ik die zelf kon controleren. Daarenboven liet hij op mijn vraag nadien (14/05) nog weten dat de woordvoerder van minister Jambon gevraagd had om schrapping van deze passage met de belofte dat de N-VA-boycot tegen Le Vif zou opgeheven worden. Het is dus meer dan waarschijnlijk dat Jambon pas nadat Le Vif geweigerd had, ook intern toegegeven heeft dat hij deze woorden uitgesproken had.

Gevraagd naar de juiste lezing van Jambons uitspraken verduidelijkte N-VA-woordvoerder Joachim Pohlmann deze als volgt: Bedoelde Jan Jambon daarmee dat de transfers alleen maar een marketing-truc zijn? Nee. Hij doelde er op dat de transfers ons natuurlijk helpen om aan te tonen dat enorme constructiefouten in het Belgische systeem zitten. De transfers zijn een symptoom van een veel groter probleem. En dat zijn de staatsstructuren. Maar door de transfers wordt dat probleem wel tastbaar en concreet voor de Vlamingen. Willen wij dat structureel oplossen, moeten wij naar een confederaal systeem gaan, waarbij de deelstaten zelf de volledige fiscale autonomie hebben, en er een transparant en tijdelijk solidariteitsmechanisme is. Jan Jambon benadrukte tevens dat indien de transfers omgekeerd mochten verlopen, hij zich daar ook zou tegen verzetten. Ieder moet zijn eigen potje koken.” Hij betreurde deze uitspraak wel: ‘Jan heeft zich zeer ongelukkig uitgedrukt in het Frans. Lost in translation, zoals dat in het Engels heet.’ Waarvan akte.


Nadat Jambon in verkiezingstijd ook al het Vlaams electoraat op het verkeerde been zette (werklozen hun huis afnemen), is een nieuw communicatie-incident zeker geen “#Helfie”. Voor het communicatieteam van N-VA is er dit jaar hopelijk maar één meimaand.

Niettemin lijkt het al te kort door de bocht om – zoals Doorbraak schrijft - hier opnieuw over een partijbocht te spreken, wat eerder wel het geval was met de ‘bocht van Bracke’. Maar dat het Vlaamsgezinde electoraat blijkbaar wantrouwig is en dergelijke uitschuivers (?) niet kan appreciëren, zou de N-VA-top wel ernstig mogen nemen.

 

Terwijl andere media vooral focussen op de uitspraken in verband met de transfers, lijkt mij de eerste boodschap veel belangrijker, namelijk dat de voortzetting (dus na 2019) van een centrumrechts beleid ook al volstaat voor N-VA. Deze uitspraak spoort overigens met een eerdere verklaring door Sander Loones, ondervoorzitter N-VA, die tijdens een interview voor RTL voorhield dat zorgen voor een goed beleid voor de mensen het doel is, niet het splitsen van het land (opgetekend door Mark Grammens in ’t Pallieterke nr 19).

Tussen cholera en pest


 

Dat het regeringswerk niet vlot loopt, valt ondanks de huidige rustige periode nog moeilijk te verbergen. CD&V zit dan wel in de regering, maar door het opofferen van de Zestien ten voordele van Marianne Thyssen in de Europese Commissie, heeft de partij eigenlijk gekozen voor de oppositie binnen de regering. De gepasseerde ‘premier’ maar zeer wendbare Kris Peeters had aanvankelijk moeite om te vervellen tot de staatsman met een sociaal gelaat. Alomtegenwoordige aanwezigheid in de media helpt alvast om N-VA pijn te doen. Deze ongezonde situatie zal, ondanks alle ontkenningen en ‘good news’ berichten, een blijvende kopzorg zijn voor De Wever die zichzelf opsloot op ’t Schoon Verdiep’. 

De analyse werd reeds lang gemaakt: nog eens in de oppositie gaan was voor N-VA moeilijk na de zeer goede verkiezingsuitslag. Kiezen tussen cholera en de pest. Deelnemen betekende dat De Wever als beloning niet rond zijn ‘Nationalisten van de harde lijn’ kon bij de verdeling van de ministeriële functies. Dat de nieuwkomers uiteraard weinig of geen beleidservaring hadden en enkelen gedropt werden in departementen waar ze vooraf weinig voeling mee hadden, helpt ook al niet. Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Zo doen enkele N-VA-excellenties, waaronder Theo Francken als staatsecretaris voor immigratie, het goed. Maar geschenken zullen ze niet krijgen. Dat ondervond minister Steven Vandeput onlangs nog. Hij presenteerde een interessante geostrategische toekomstvisie voor defensie, maar voor de invulling ervan kreeg hij nul op het rekest. Terug naar af, waardoor er voor defensie weinig hoop is op een verbetering ten gronde.

Kan een partij zonder beweging?


Met het aan de kant schuiven van de communautaire agenda nam De Wever een risico. Zoals ik schreef ‘in tempore non suspecto’ - N-VA, van beweging naar regeringspartij - is het zeer moeilijk om van een beweging te vervellen tot een Belgische beleidspartij. N-VA mag dan al volgens de partijtop surfen op een politiek ‘rechts Vlaanderen’, het belangrijkste bindmiddel voor een stabiel N-VA electoraat dat zowel uit linkse als rechtse kiezers bestaat, is nog altijd de Vlaamsgezinde beweging. Daarmee bedoelen we het overgrote deel van de Vlaamse beweging dat afstand genomen heeft van de gemaakte historische fouten. 

N-VA als beleidspartij zonder een Vlaamsgezinde beweging is net als een traditionele partij zonder middenveld.

Daar tegenover is de uitschuiver van Jan Jambon over de transfers slechts een futiliteit.

Pjotr


04 mei 2015

B-Fast Beschamend amateurisme


Het stopt nooit. Een drama in het verafgelegen Nepal en de media zorgen ervoor dat de regering zich opnieuw verslikt in de eigen dadendrang. Maar een spelletje zwartepieten lost evenmin iets op.

Zwarte Piet één


 

Wanneer de media zich meester maken van een drama, waar ook ter wereld, dan lijkt het wel of de politici geen keuze meer hebben. En mijnheer de minister, wat bent u van plan? Zal België hulp bieden, of …? Waarom is het B-Fast team nog niet vertrokken? Zelfs wanneer deze vragen niet expliciet gesteld worden heerst er een sfeer van ‘wij moeten erbij zijn’ anders schieten we tekort.
 
De opgejaagde minister voelt plots een onweerstaanbare drang om tot handelen over te gaan want, hij/zij kan toch niet die ‘harde tante’ zijn die zegt: Een ogenblikje, we gaan dat eerst rustig onderzoeken en de nodige contacten leggen zodat we zeker zijn dat (1) onze hulp wel nodig is en (2) we weten wat B-Fast nodig heeft om nuttig werk te kunnen leveren.
 
Op basis van zelf beleefde ervaringen kan volgend scenario zich afgespeeld hebben. De buitenlandminister laat zijn administratie weten dat het B-Fast team zal ingezet worden en dat ze moeten zorgen voor de nodige toelatingen. Daar horen ook de toelatingen bij voor het overvliegen van (of tussenlanding) sommige landen, zoals Oostenrijk, met een militair vliegtuig. Ondertussen wordt de ambassadeur of consul ter plekke opgedragen om de goedkeuring te vragen van de lokale (in dit geval Nepalese) regering. Of de toelating gegeven werd is mij nog niet bekend maar ik kan mij perfect voorstellen dat op zo’n moment de Nepalese regering wat anders te doen heeft dan ‘aangeboden’ hulp weigeren.
 
In heel dat politiek besluitvormingsproces zijn ondergeschikte vragen zoals wat B-Fast daar zal mogen en kunnen doen, niet aan de orde. Eerst beslissen en dan zich afvragen of het wel goed is: dat heet in België de primauteit van de politiek. En als blijkt dat ze er niets kunnen doen of zelfs niet gewenst zijn (zoals af te leiden valt uit een artikel in Knack online) is het kot te klein en begint men een spelletje zwartepieten.

Zwarte Piet twee


 

In een eerste parlementair debat legde Dirk Van der Maelen (sp.a) buitenlandminister Reynders het vuur aan de schenen. Die reageerde op zijn gekende onderkoelde manier, met de verklaring dat de Nepalese regering België expliciet om hulp had gevraagd. Lees: niet de Belgische maar de Nepalese regering is in de fout gegaan (Zwarte Piet twee).
 
Het ontgaat de minister blijkbaar dat een arm land in een onherbergzaam gebied dat geconfronteerd wordt met dergelijke grootschalige ramp andere zorgen heeft dan een ongeduldige Belgische minister tegen te spreken. Mag het gezegd worden dat in deze omstandigheden het niet verboden is voor de Belgische regering om zelf na te denken, vooraleer tot actie over te gaan?
 
Die expliciete goedkeuring zou ik overigens graag eens bevestigd zien door de officiële correspondentie, want het hierboven aangehaalde scenario betekent nog niet dat de Nepalese regering zijn vraag om hulp expliciet tot België richtte. Laat staan dat de Nepalese autoriteiten op dat moment konden weten welke noden het belangrijkst zouden zijn op het ogenblik dat het B-Fast team zou kunnen aankomen. Of dacht onze Buitenlandminister dat het vliegveld van Kathmandu gereserveerd kon worden voor de Belgen?
 
Dat er na gemarchandeer toch nog een beetje werk was voor het B-Fast team, doet helemaal niets af van het amateurisme dat aan de basis ligt van de geannuleerde opdracht. Het is ‘schone schijn’ en dient enkel om zowel zwarte piet één als twee vrij te pleiten. Mocht dat niet volstaan is er nog altijd de VN om de Zwarte Piet toe te schuiven.

Zwarte Piet drie  


 

Al snel doken berichten op dat B-Fast veel te laat ter plekke kwam om nog effectief ingezet te kunnen worden voor het zoeken van overlevenden in het puin. B-Fast, Zwarte Piet nummer drie. Er was zowaar iemand die verbaasd was over de lange duur van de vlucht en de noodzaak om een tussenlanding te maken. Oh ja, dan waren er nog de piloten die in New Delhi aan hun limiet zaten en eerst dienden te rusten vooraleer opnieuw te mogen vliegen. Ook dat weet men uiteraard op voorhand. Maar goed, het leger als Zwarte Piet is altijd mooi meegenomen.

Voorkom amateurisme


Wij zijn sterk in het zoeken (en vinden) van Zwarte Pieten. Maar eenmaal iedereen witgewassen is, valt iedereen opnieuw in slaap en kan alleen nog een parlementair zwartepieten-spel tussen oppositie en meerderheid zorgen voor enige mediabelangstelling.
 
Nochtans is het enige waar er belangstelling zou moeten voor zijn de vraag hoe we in de toekomst dergelijk amateurisme kunnen voorkomen. De vraag stellen is ze ook beantwoorden.
 
Het is aan de regering (de politiek) om te beslissen of België deelneemt aan humanitaire operaties, zoals deze in Nepal. Maar eenmaal deze principiële beslissing genomen, zouden ze hun handen moeten afhouden van de voorbereiding ervan. Pas wanneer de planning door specialisten klaar is en men zicht heeft op de haalbaarheid (en de kostprijs) ervan kan de regering haar uiteindelijk fiat geven voor de uitvoering. Op die manier heeft iedereen een duidelijke verantwoordelijkheid en behoud de politiek zijn primauteit. Vooral wanneer men het heeft over rampenbestrijding is het spreekwoord ‘haast en spoed is zelden goed’ van toepassing. Het is een blijk van amateurisme.
 
Iedereen met ervaring in humanitaire operaties – onder andere bij defensie - weet dat al heel lang. Waarom kunnen veel landen zo’n operaties wel aan en België niet? Hier zoekt men geen oplossing, alleen Zwarte Pieten.

Pjotr

28 april 2015

Bart De Wever en Etienne Vermeersch over legerdienst




MEDIA EN POLITIEK  ANDERS GELEZEN




Voorafgaande opmerking:
Naar aanleiding van mijn brief aan John Crombez kreeg ik een reactie die ik u niet wil onthouden: Pieter Knapen; baas van de Raad voor de Journalistiek (RvdJ) liet mij weten dat ik in mijn brief aan John Crombez ons gesprek over de geloofwaardigheid van de media verkeerd weergaf. Ik schreef : "dat de RvdJ zeer bekommerd is over de geringe geloofwaardigheid van de media." Volgens Knapen zou hij dat niet gezegd hebben maar wel "dat de Raad voor de Journalistiek en ikzelf uiteraard groot belang hechten aan de geloofwaardigheid van de media." 

Hiermee toont meneer Knapen opnieuw aan dat de RvdJ heel gevoelig is voor mogelijke kritiek vanwege zijn opdrachtgevers die uiteraard niet willen geweten hebben dat de media weinig betrouwbaar zijn. Een onwelkome waarheid.

________________________________
 
 Het hoogstaand debat over nationaliteitsbeleving tussen Bart De Wever en Etienne Vermeersch (Canvas) leerde veel over de noodzaak aan burgerschap/burgerzin. Ik vroeg hen of een legerdienst daar ook bij hoort.
 
Wat Bart De Wever en Etienne Vermeersch denken over de legerdienst is vooral interessant wanneer we hun mening kaderen in een globale analyse. Daarom deze poging om het personeelsbeleid van defensie te beoordelen als een onderdeel van hun gedeelde visie over burgerschap en burgerzin.
 
Defensie is toe aan een grondige evaluatie en minister Vandeput (N-VA) heeft de opdracht om een blauwdruk voor de toekomst te schrijven. Een van de aandachtspunten zal ongetwijfeld de personeelsproblematiek zijn. Het was een gelegenheid om – zij het ongevraagd – via een reeks artikels enkele aanbevelingen te doen; onder meer over het personeel. Deze bijdrage hoort bij deze reeks.

Gemeenschapszin


 

Het debat tussen De Wever en Vermeersch ging uiteraard veel breder dan defensie. Ondanks al die hooggestemde overwegingen kunnen we echter niet anders dan vaststellen dat de gemeenschapszin tegen een hoog tempo afbrokkelt en elke individuele inspanning afgewenteld wordt op ‘de overheid’. Er ontwikkelde zich een geloof in de zaligmakende staat en tegelijk groeide de nood aan een efficiëntere staat, wegens onbetaalbaar. Maar dat is slechts een surrogaat voor de solidariteit die we gelukkig nog wel terugvinden bij de vele vrijwilligers die zich inzetten in diverse organisaties en vrijwillig doen wat politici niet meer durven eisen van iedereen.
 
Wanneer we dus een vraag stellen over de legerdienst, dan staat deze vraag en de antwoorden erop ook voor een veel omvangrijker maatschappelijk fenomeen.

 

Het antwoord van N-VA voorzitter Bart De Wever

 

Hoewel een legerdienst zeker een gemeenschapsvormend aspect in zich draagt, ben ik geen voorstander van een herinvoering van de dienstplicht.
 
Allereerst uit financiële overwegingen. Het Belgische leger heeft de laatste decennia geleden onder een enorme besparingsdrift. Een dergelijke capaciteitsverhoging kan het momenteel niet aan. Bovendien werd de legerdienst toentertijd door Leo Delcroix ook afgeschaft omwille van die budgettaire meerkost. Al speelde het einde van de Koude Oorlog ook een rol.
 
Maar vooral: wij hebben nood aan een professioneel leger dat klein en wendbaar is, maar zeer goed uitgerust en onmiddellijk inzetbaar. Willen wij onze internationale slagkracht verhogen en de binnenlandse veiligheid garanderen, hebben wij nood aan gemotiveerde, professionele militairen die hun vak kennen en een bijzondere expertise hebben.

 

Het antwoord van professor Em. Vermeersch

 

In een wereld waar zinvolle wensen werkelijkheid worden, zou ik het heel positief vinden mochten alle jonge mensen m/v opgeroepen worden om gedurende een bepaalde periode, van een half tot een geheel jaar een burgerdienst te verrichten. Een gedeelte van dat contingent zou een militaire opleiding kunnen krijgen en een ander gedeelte (o.m. de ‘gewetensbezwaarden’) een andere dienst op het vlak van gezondheidszorg en andere zinvolle bijdragen tot het maatschappelijk leven.
 
Ik zeg ‘in een ideale wereld’ omdat ik vrees dat een dergelijk project in de huidige context niet meer politiek (zeg maar ‘electoraal’) haalbaar is. Ikzelf heb 15 maanden legerdienst gedaan als brancardier en tijdelijk verpleger in het militair hospitaal. Ik heb daar heel veel geleerd. Ik denk dat de meeste jonge mensen dat niet meer zien zitten.
 
Denk bv. aan de mensen die niet gaan stemmen en zelfs aan degenen die - eenmaal in hun leven – weigeren te zetelen in een stemlokaal. Niets belet echter die gedachte nu en dan te verspreiden in de hoop dat er ooit een kentering komt.

De omgekeerde wereld


 

Kijkend naar de evolutie van de gewapende conflicten waar ook Belgische militairen aan deelnamen, kunnen we alleen maar vaststellen dat de rol van niet-militairen in deze conflicten crescendo gaat. In bepaalde bloedige conflicten staat de wereld zelfs helemaal op zijn kop: burgers die mekaar met alle mogelijke wapens naar het leven staan en militairen die proberen de gemoederen te bedaren om de vrede al of niet gewapenderhand te herstellen. Militairen die gebonden zijn door de Conventie van Geneve (het oorlogsrecht), maar wel blootgesteld worden aan de niets en niemand ontziende brutale verkrachting van diezelfde regels door gewapende burgers en huurlingenbenden. De genocide in Rwanda waar onze Para’s onmachtig dienden toe te kijken, was zo’n verschrikkelijke ervaring.
 
Tegenover wereldwijd verspreide conflicten waar iedereen soldaat is, staat een moreel ontwapend West-Europa (dat geldt nog niet in dezelfde mate voor de ex-Warchaupact landen) waar niemand nog soldaat wil zijn. Aan de ene kant een leger van jonge vrijwilligers die van heide en verre komen om voor hun godsdienst te vechten. Aan de andere kant ons groot gebrek aan burgerschap/burgerzin waar zowel De Wever als Vermeersch nochtans belang aan hechten.
 
Oh ja, we hebben nog gemotiveerde vrijwilligers om universele waarden te verdedigen: de vrijwilligers van Artsen zonder Grenzen, van het Rode Kruis, van de talrijke niet-gouvernementele organisaties die soms met meer moed dan kennis een rol spelen in bloedige burgeroorlogen. Maar toen de krijgsmacht opdracht kreeg om naar Somalië te trekken had men zelfs moeite om voldoende (beroeps)militaire geneesheren te vinden die ‘wilden meegaan’. Wat dacht u wel: ze konden niet gemist worden in het ziekenhuis waar ze, ondanks hun volle wedde als militair geneesheer, het grootste deel van hun tijd werkten.
 
Maar toegegeven, voor jongeren zoals Bart De Wever, die het soldatenleven niet zelf beleefden, zijn dergelijke overwegingen misschien oubollig. Het klinkt eigentijdser om onze veiligheid uit te besteden aan een gespecialiseerde firma. Zo lang het maar niet te veel kost.
 
We sturen de militairen wel nog naar conflictengebieden, zolang ze onze pret niet bederven op de Kortrijkse Paasfoor, de Antwerpse Sinksenfoor of de Gentse Feesten. ‘Ze’ worden er goed voor betaald en dat mag volstaan. Trouwens, zonder dit manna zou snel blijken dat bij velen ook hun enthousiasme en burgerzin niet volstaan. En dat is terecht, want het zijn tenslotte ‘onze jongens’ niet meer. Misschien zou het nog efficiënter zijn om onze defensie gewoon uit te besteden aan een privéfirma, zodat we zelfs geen bodybags meer hoeven te vrezen, hooguit werkongevallen. En nu we toch aan de toekomst denken, waarom geen resultaatsverbintenis eisen, no cure, no pay? De realiteit kan soms zo cynisch zijn.

 

Strategische keuzes


 

Na de publicatie van een artikel over de keuze tussen legerdienst en ‘civil servants’ - waarin ik opteer voor een oplossing met ‘civil servants’ - kreeg ik enkele reacties die het grote belang van een legerdienst voor de persoonlijke ontwikkeling en het gemeenschapsgevoel benadrukken. Ook in de antwoorden van De Wever en Vermeersch valt het op dat dit aspect niet onbelangrijk is. Maar in de zakelijke aanpak van De Wever weegt dat voordeel duidelijk minder zwaar.
 
Men mag beweren dat de herinvoering van de legerdienst electoraal niet meer haalbaar is, het tegendeel is evenmin bewezen. Tegenover de gelatenheid van Vermeersch staat de dadendrang van De Wever die kiest voor een andere weg en dat ook duidelijk zegt. Over die visie kan en moet het debat gaan. Maar dit valt buiten het bestek van dit artikel. Daarvoor verwijzen we naar het dossier op De Bron
 
Het is evident dat een veralgemeende legerdienst zeer duur is. Het past al helemaal niet in de strategische keuze van het Westen (de VS) die vooral gericht is op minder bodybags. De inspanningen van de wapenindustrie focussen op technologische wapens die direct vijandelijk contact moeten voorkomen; het risico maximaal verminderen. Informatie verzamelen (meestal door eigen of gehuurde burgers) en uitschakelen van de doelwitten van op een veilige afstand, zijn de belangrijkste nagestreefde capaciteiten geworden voor het leger van de toekomst. Tot de potentiële tegenstanders evenwaardige capaciteiten ontwikkeld hebben, waarna de wapenwedloop een volgend rondje kan draaien.

Vrede als streefdoel voor de toekomst van defensie


 

Bij deze evolutie waar ook N-VA voor kiest, zijn echter twee bedenkingen te maken:
 
De dominantie van de partij die zonder zelf gevaar te lopen de tegenstander kan uitschakelen zorgt voor een enorme frustratie en zet aan tot al even ‘lafhartige’ acties: terreur door onherkenbare daders tegen onschuldigen. Daar kan zelfs het best uitgeruste leger niet tegen op. Nochtans zou de VS uit het Vietnam-debacle kunnen geleerd hebben dat een overmacht aan ‘gunpower’ niet volstond om de Vietcong-guerilla klein te krijgen. Daarenboven zit er een contradictie in deze evolutie: terwijl het minder riskant wordt voor militairen neemt het gevaar voor burgerslachtoffers (door terreur) zelfs in eigen land toe.
 
Laat mij een voorbeeld geven van hoe belangrijk een moedig militair optreden kan zijn: Onze Para’s die in het zuiden van Somalië (regio Kismayo) patrouille liepen, droegen bij momenten zelfs geen scherfwerende vest. Uit gesprekken met ‘wise elders’ (gerespecteerde ouderen) bleek dat precies dit moedig gedrag van onze para’s zorgde voor respect en minder agressie. In Mogadishu echter, waar de Amerikanen alom tegenwoordig waren werkte hun zware bewapening en allerhande beschermingsmaatregelen als een rode lap op een stier. De les die ik er leerde: Een overmacht aan wapengekletter schrikt af maar veroorzaakt tegelijk meer agressiviteit. Is het niet die wereldwijde demonstratie van hun absolute militaire dominantie die zorgt voor grote agressiviteit ten aanzien van de VS? Zal de frustratie en de terreur afnemen door deze evolutie of net niet?
 
Eveneens in Somalië stelden de Amerikanen voor om een tot ‘gunship’ omgebouwd C130 vliegtuig in te zetten in onze sector. Na een interne bespreking werd een tegenvoorstel gedaan: in plaats van raids waarna ze terug verdwenen stelden we voor om een detachement permanent ter beschikking te stellen. Einde verhaal.
 
Tijdens een toespraak in het Pentagon voor studenten van het NAVO Defensie College in 1994 verklaarde de toenmalige ‘Voorzitter van de Chef Staven’, Generaal David Shalikashvili dat na de brutale moord op een helikopterbemanning in Mogadishu de VS maar één optie meer hadden: overal de absolute overmacht hebben. Desnoods een compagnie op elk kruispunt.
 
De tweede bedenking is moeilijker te omschrijven. In conflicten zoals we die de laatste tijd kennen moet elke militaire inzet niet noodzakelijk gericht zijn op het behalen van een tactische overwinning, maar afgemeten worden aan het nut voor het bereiken van het uiteindelijk doel: vrede. En dat doel wordt niet noodzakelijk sneller en gemakkelijker bereikt door hypergesofistikeerde wapens en ‘zero bodybags’. Het zou daarom gepast zijn om in het debat over de toekomst van defensie eveneens te discussiëren over vredesopbouwende capaciteiten.
 
Daar is ongetwijfeld een rol weggelegd voor burgers om samen met gewapende militairen datgene te doen wat helaas alle Westerse legers tot op heden al te zeer nalieten te doen. Hun snelle kortstondige interventies met heel veel machtsvertoon maar zonder een exit strategie zorgen meestal alleen voor chaos nadien en in sommige gevallen voor nog meer ellende dan voordien. Kunnen we in een democratisch debat over defensie ook daarover praten? Kunnen deze gecombineerde capaciteiten de vredesactivisten verzoenen met een degelijke militaire organisatie, die het uiteindelijk strategisch streefdoel niet opoffert voor een tactische overwinning? Laat staan voor de grootheidswaan van militaire strategen en de belangen van het militair-industrieel complex.
 
Pjotr