18 augustus 2009

Waar Rudy Aernoudt aan voorbijgaat

Economische diplomatie

In een reactie op de voorgaande artikels over onze (economische) diplomatie pleit Rudy Aernoudt voor een unitair België en wil hij alles herfederaliseren onder de noemer efficiënt bestuur. Dit wijst erop dat zijn artikel in De Standaard vooral geschreven is vanuit zijn politieke overtuiging en niet vanuit zijn vermelde referenties in de krant.

Rudy Aernoudt heeft overschot van gelijk als hij stelt dat de economische competitieve positie van een land van doorslaggevend belang is voor de export. Dat België marktaandeel verliest heeft vooral daarmee te maken en nauwelijks met de regionalisering van de buitenlandse handel. Diplomatie kan geen product beter maken dan het is, noch de kostprijs drukken. Er zijn ook argumenten voor het gebruiken van een regionale ‘brand’ of merknaam, zoals een lezer duidelijk maakte in zijn reactie op Aernoudt zijn artikel.

In zijn unitaristisch pleidooi gaat Aernoudt echter voorbij aan de dieperliggende malaise: het onvermogen van België om een gemeenschappelijke buitenlandse politiek te ontwikkelen. De gewesten en gemeenschappen hebben zelfs voor het buitenlands beleid, duidelijk afwijkende visies en doelstellingen. Verder wil ik erop wijzen dat België unitair was en zo slecht werkte wegens de ‘chronische en ongeneeslijke’ Belgische ziekte (zie het Coudenberg rapport van 1987), dat men overgestapt is naar een federaal staatsbestel. Een democratisch antwoord op het ‘Belgique à papa’, waar hij blijkbaar nog van droomt. Moeten we de federalisering terugschroeven? Als hij daarvan overtuigd is kan hij als Waalse kandidaat politicus alvast campagne voeren in Wallonië en Brussel met als voorstel de herfederalisering van de wapenexport. En waarom niet, de herfederalisering van het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk gewest en een federale kieskring zonder vooraf gereserveerde plaatsen voor Franstaligen of Vlamingen.

Dat er teveel ‘merkvertegenwoordigers’ zijn klopt. De oorzaak hiervan is echter te zoeken in de politisering van de publieke tewerkstelling, die schering en inslag is in alle federale departementen en helaas zo besmettelijk, dat ook de gewestelijke en gemeenschapsbesturen zich hieraan bezondigen. Wil men de efficiëntie echt opkrikken, zou de federale economische ondersteuning (in feite is de ganse diplomatie aan een vernieuwend personeelsbeleid toe) georganiseerd moeten worden in functie van de behoeften en niet in functie van partijpolitieke proliferatie en volgens een taalaanhorigheid waaraan vooral Franstaligen zich vastklampen. Toevallig in de periode van de aflossing van de wacht tussen De Gucht en Leterme werden Nederlandsonkundige contractuele diplomaten aangeworden, wegens een gebrek aan Franstalige tweetalige kandidaten . Efficiëntie?
Gezien Vlaanderen zorgt voor 80 % van de export zouden er veel meer Vlaamse economisch gevormde medewerkers (of tenminste Nederlandstaligen die de capaciteiten en noden van de Vlaamse industrie kennen) moeten aangeworven worden om de export te ondersteunen. Vlaanderen mag dus best een beetje assertiever worden en meer steun eisen van de federale diplomatie. Mocht men afstappen van dit onefficiënte personeelsbeleid in het departement buitenlandse zaken, zou de vraag naar eigen Vlaamse vertegenwoordigers vanzelf minder relevant worden.

Iedereen is voor goed bestuur. Alleen blijkt men het niet eens te worden wat dat inhoudt. Als het op samenwerking aankomt zou men zich alvast kunnen spiegelen aan een leidraad die zowel in een internationale omgeving als in een nationale context zinvol is:

Goed bestuur, is datgene samen doen waarover men het eens is, en elkaar voldoende vrijheid geven als dat niet het geval is.

Het wordt tijd dat men deze intellectuele oefening maakt, want goed bestuur is het sterkste en meest efficiënte wapen ter ondersteuning van de export én het aantrekken van internationale organisaties en bedrijven.

Pierre Therie
Gewezen defensieattaché

05 augustus 2009

Waarom de Belgische (economische) diplomatie faalt

Na de polemiserende opiniestukjes in DS eindelijk twee inhoudelijk onderbouwde artikels: het eerste van Jonathan Holslag, onderzoeker aan de VUB, (DS 4/08) over de Belgische diplomatie. Hierin pleit hij voor een herfederalisering van de buitenlandse handel.

In DS (08/08) reageert David Criekemans, Universiteit Antwerpen en Koninklijke Militaire School onder de titel ‘Het merk Vlaanderen’, waarbij hij concludeert dat er naast het merk België ook een merk Vlaanderen, Wallonië en Brussel kan ontwikkeld worden.

Even Anders bekijken

De ‘sluiting van OPEL Antwerpen’ als een mislukking van de Vlaamse economische diplomatie beschouwen (J Holslag) is heel kort door de bocht. Immers, het was premier Van Rompuy zelf die zich voor dit dossier inzette en Angela Merkel hierover persoonlijk sprak. Helaas, OPEL is duidelijk een kwestie van nationalisme, waartegen geen zalvend kruid gewassen is. Ook een zalving door christelijke leiders als Angela en Herman helpt niet.

Twee belangrijke vaststellingen:
De diplomatie wordt geregeld tussen staten en zolang de gewesten niet onafhankelijk zijn zullen ze nooit een volwaardige diplomatie kunnen ontwikkelen. Zolang Vlaanderen geen eigen ambassadeurs en diplomatieke diensten heeft is het praktisch onmogelijk om een eigen ‘brand’ te promoten via de diplomatieke kanalen. In de huidige institutionele context hebben de gewesten de federale diplomatie nodig ook al zijn sommige beleidsdomeinen geregionaliseerd.
De Belgische federale economische diplomatie is zonder de inbreng van gewesten en gemeenschappen een lege doos. Ze kan maar efficiënt zijn als ze ten dienste staat van de gewesten en gemeenschappen conform de gemaakte politieke afspraken.

Vooraleer dieper in te gaan op deze twee uitgangspunten zou ik toch het belang van de economische diplomatie willen relativeren. Het belangrijkste is en blijft wat men te bieden heeft en het globaal imago van het land of de regio. Bij voorbeeld, het feit dat België lid is van de EU is op zich al een sterk punt.

Tegen het licht van de huidige situatie moet men aan gewestelijke zijde – alle bedenkingen en opmerkingen zijn van toepassing op de drie gewesten – durven in eigen boezem kijken: de nieuwe gewestelijke bevoegdheid heeft de gewesten aanvankelijk aangezet om in de ontworsteling aan het Belgisch kader teveel afstand te creëren tussen hun vertegenwoordigers en de federale diplomatie, waardoor de samenwerking in de ambassades moeilijker werd. Het is aangewezen om deze begrijpelijke kinderziekte met enig pragmatisme aan te pakken.

Anderzijds heeft de federale diplomatie niet altijd aandacht gehad voor de economische dossiers van de gewesten. Vooral de interesse van de Franstalige ministers van Buitenlandse zaken, onder meer Louis Michel, was niet zo bijster groot voor deze materie. Louis Michel zorgde vooral voor een persoonlijke politieke profilering en had vooral interesse voor (Franstalig) Midden Afrika. Het heeft ook te maken met verschillen in beleidsvisie zoals bleek toen de Franstaligen eisten en bekwamen dat de exportlicenties voor wapens geregionaliseerd werden.

Eén opmerkelijk voorbeeld om het gebrek aan visie en het verschil tussen België en Frankrijk te illustreren: toen vooral Franstalig politiek België (Michel en Flahaut) zich met veel verbaal geweld keerden tegen Oostenrijk in 2000, omdat men daar een regering gevormd had met de partij van Haider (FPÖ), kreeg de ambassade te Wenen een hele reeks boze brieven en ook afzegging allerhande; van vakantiereizen, tot boycot van Belgische producten, …. Toen ik de Franstalige ambassadeur hierover sprak, onder meer omdat de Vlaamse vertegenwoordiger mij brieven en cijfers had getoond die toch wel aangaven dat het niet ging om verwaarloosbare reacties en vooral Vlaamse bedrijven en het kusttoerisme hieronder leden, verklaarde de ambassadeur boutweg dat dit op ‘macro-economisch niveau’ onbelangrijk was.
Dat Flahaut alle contacten met de FPÖ minister van Defensie verbood terwijl mijn Franse collega – tegen de felle publieke taal van president Chirac in – de opdracht kreeg om vooral de contacten met de FPÖ minister van defensie te onderhouden en afstand te nemen van de ‘publieke’ officiële lijn om economische redenen. Frankrijk dong toen mee naar een aankoop van militaire helikopters. Met andere woorden, op het terrein zijn zowel de federale als de gewestelijke vertegenwoordigingen soms het slachtoffer van de binnenlandse proliferatie waarbij in België ook het communautair aspect soms heel manifest aanwezig is.

Dat Karel De Gucht, als 'Vlaamse' buitenlandminister meer belang hecht aan de economische diplomatie en via een economische adviesraad de situatie wil verbeteren is lovenswaardig. Daar moet Yves Leterme verder werk van maken. Maar zolang België er niet in slaagt om een consensus te vinden op institutioneel vlak zal dat wel zorgen voor enig soelaas, maar ten gronde weinig opleveren. Vooral niet met beleidsadviseurs die moeite hebben om rekening te houden met de politieke én maatschappelijke realiteit.

De idee (van Criekemans) dat er naast een Belgische ook een Vlaams merk kan gepromoot worden is correct maar ik vrees ook een beetje theoretisch. Het strookt wel met de decentralisatie van de bevoegdheden. Hoe leg je in het buitenland uit dat de ‘Port of Antwerp’, ‘the Belgian coast’ …, in eerste instantie een Vlaams merk is en geen Belgisch? Of dat de Kredietbank Vlaams is maar zijn hoofdzetel heeft in een ander gewest dat het merk Brussel promoot?
Waarom zou een federale diplomaat geen Vlaams merk kunnen promoten? Het doet toch geen afbreuk aan de federale samenwerking, of wel soms? Bij voorbeeld: laat ook de federale diplomaten spreken van de ‘The Flemish port of Antwerp’.

Wat Criekemans uiteindelijk voorstelt, de éénmaking van de economische (FIT) en de (politieke) internationalisering van Vlaanderen (FI) is zonder meer een versterking van de regionalisering en een inperking van de federale bevoegdheden. Wie consequent is moet ook institutionele aanpassingen doorvoeren in die zin.

Enkele mogelijke ingrepen

Hoe kan men de samenwerking bevorderen? In de eerste plaats door een pragmatische samenwerking af te spreken, waarbij de federale diplomatie een rol van ‘primus inter pares’ speelt en de gewesten ondersteunt in al hun economische (diplomatieke) doelstellingen.

Een handicap voor het merk Vlaanderen is de actuele officiële promotie van België als Franstalig land. Dat gebeurt onder meer door de deelname van de premier aan de samenkomsten van de ‘Pays francophones’, de mondiale francofonie, waardoor hij impliciet erkent dat België ondanks zijn meerderheid Nederlandssprekende bevolking een Franstalig land is. Dat zou niet mogen en de premier zou tenminste op elke bijeenkomst publiek moeten aangeven dat België een Nederlandstalig land is, weliswaar met een belangrijke Franstalige minderheid die zowel politiek als cultureel gelijkwaardige rechten heeft (dank zij een oververtegenwoordiging in de besluitvorming). Beter zou zijn dat enkel de minister-president van de Franstalige gemeenschap hieraan deelneemt.

Wie de federale logica van J Holslag volgt moet ook consequent zijn en rekening houden met het feit dat Vlaanderen 80 % van de export realiseert en dus meer ondersteuning voor haar buitenlandse handel nodig heeft dan een gewest dat nauwelijks enkele procenten bijdraagt. Het lijkt mij dan aangewezen om de personeelsbezetting in de centrale federale diensten én de diplomatieke posten aan te passen aan de noodwendigheden van de gewesten en hun realisaties. De actuele taalverhoudingen in het departement volgen deze logica niet en zijn negatief voor Vlaanderen.

Wie de huidige bevoegdheidsverdeling aanvaardt moet ook aanvaarden dat de gewesten effectief betrokken worden bij het federale beleid. Daarom is er nood aan een permanente coördinatie te Brussel voor alle beslissingen die de gewesten kunnen aanbelangen: personeelsbezetting en bevoegdheden in de posten, openen en sluiten van posten en consulaten, … .

Men zou de federale diplomaten jaarlijks moeten informeren over de strategie van elk gewest en de doelstellingen voor hun accreditatiegebied. De beoordeling van de federale diplomaten zou dan eveneens moeten rekening houden met de resultaten die ze bereiken in dit domein.

Ten gronde

Hoe graag sommigen ook de gedecentraliseerde bevoegdheden als oorzaak zien van het probleem en de gewestelijke vertegenwoordigers denigrerend behandelen, het is slechts een symptoom van een bredere problematiek: namelijk het gebrek aan een gemeenschappelijke visie inzake het buitenlands beleid in al zijn aspecten, ook de economische zoals de regionalisering van de wapenexport duidelijk maakte. Of zoals P Vandermeersch onlangs nog schreef in DS: België dat zijn twee landen.

De Belgische ‘brand’ wordt veel meer dan de diplomatie ooit vermag, beïnvloed door het (negatieve) beeld dat België dikwijls oproept wegens zijn ronduit slecht politiek beheer en schandalen allerhande. De Belgische ziekte is gewoon onuitroeibaar en ons imago lijdt daar onvermijdelijk onder. Dat het falend beleid vooral de Vlaamse buitenlandse belangen schaadt lijkt geen argument te zijn. Dat Franstaligen zich wenden tot het buitenland om het imago van de Vlamingen te besmeuren ook al gaat het om de uitvoering van besluiten door de hoogste gerechtsinstanties is ongehoord en getuigt van een manifest gebrek aan solidariteit. Dat Holslag dit aspect negeert is een spijtige tekortkoming.

Hoe kunnen bij voorbeeld de diplomaten en zelfs de federale regering op een geloofwaardige manier de kandidatuur van Vandenbrande voor een belangrijke EU functie steunen als Franstalige toppolitici zijn kandidatuur aanvechten en er zelfs niet voor terugdeinzen om Europese instanties openlijk te vragen om hem NIET te benoemen. Kan het schizofrener?

Holslags bewering dat er jobs verloren gaan door de decentralisatie van de buitenlandse handel, klopt niet als men het hele plaatje bekijkt. Het is om dezelfde reden al even onterecht om te beweren dat de oorzaak van de falende economische diplomatie veroorzaakt wordt door een gebrek aan efficëntie van de gewestelijke vertegenwoordigingen.

Het onvermogen van België om een nationaal gevoel te cultiveren en ten minste naar buitenuit eendrachtig te zijn is het belangrijkste probleem. Niet de regionalisering noch de kwaliteit van de diplomaten en de vertegenwoordigers van de gewesten.

Pierre Therie
Gewezen defensie-attaché

27 juli 2009

Mia Doornaert

Diplomatie en polemiek

Ondertussen zal wel duidelijk zijn dat Mia barones Doornaert heel wat controverse oproept. Daarvan getuigden de talrijke reacties op haar vertrek bij De Standaard – dat er geen is – en waarvan u een selectie kunt lezen in mijn nieuwsbrief op http://anders-nieuws.blogspot.com/

Voor alle duidelijkheid: ik lees sinds de jaren 80 met veel aandacht de zeer goed geschreven artikels van Mia Doornaert en vond haar argumentatie altijd interessant, zonder haar daarom steeds te volgen in de conclusies. Ik ervoer de laatste jaren echter een evolutie die niet meer in stijgende lijn liep en werd kritischer dan voorheen.

Men is ervoor of ertegen en dat heeft ze vooral te danken aan haar ‘polemische pen’ zoals P. Vandermeersch schrijft. Dat dit absoluut geen goede eigenschap is in de diplomatieke wereld zal onze buitenlandminister Yves Leterme als nieuweling wellicht ontsnapt zijn. Het is zelfs een beetje contradictorisch dat zij een beter beleidsadvies zou kunnen geven dan die talrijke ervaren diplomaten waarover het departement beschikt. Waarover ze met zoveel lof schrijft en niet te vergeten, waaraan ze een niet onbelangrijk deel van haar kennis dankt. Voor de diplomaten betekent deze personeelsingreep van Leterme alvast geen blijk van vertrouwen.

De laatste tijd hebben we Mia Doornaert anders leren kennen dank zij de ruime aandacht die zij aan haar eigen persoon mocht wijden in DS: dat ze als eerste journaliste een ‘democratische’ adellijke titel kreeg (wat fout is want journaliste Maria Rosseel was haar voor) – dat ze indertijd in monokini aan de stranden van de Côte d’Azur lag te zonnebaden – dat ze een afkeer heeft van provincialisme omdat ze als jong, welopgevoed en begaafd meisje (haar eigen woorden) toch niet aanvaard werd door de bekrompen bourgeoisie in Harelbeke – dat ze een hekel heeft aan al wat niet strookt met haar eigen gelijk – dat ze alvast mag rekenen op supporters Peter Vandermeersch en Tom Naegels.

Alleen denk ik nog wat Anders.
Als ze haar opinie in alle onafhankelijkheid mag blijven ventileren in DS, kan ik een glimlach niet onderdrukken. Stel je voor dat ze, zoals in het recente verleden, dezelfde aanval op die Vlaamse boerkes in diplomatieke dienst zou lanceren. Dat zou wel eens heel anders kunnen gelezen worden door Kris Peeters en Co. Maar geloof me, zover zal het wel niet meer komen want, hoe graag en scherp ze ook andermans ‘bekrompenheid want niet mijn gedacht’ doorprikt, nu ze officieel mee uit de staatsruif mag eten, zal snel blijken dat geld inschikkelijk maakt, net zoals een adellijke titel. En voor Yves Leterme is dat alvast een goede zaak, want één journalist minder om op zijn kap te zitten als hij zijn eerste fout maakt. Zelfs Tom Naegels vindt hem nu een toffe pee.

Haar volgende column ‘Doorgeprikt staat netjes’ zal ongetwijfeld beginnen met: Toen ik vorige week in Port Moresby sprak met de eerste minister …

Dat haar bijdragen in DS hoofdzakelijk opiniestukjes zijn zal de aandachtige lezers ondertussen wel beseffen. Haar uitgesproken mening is de laatste tijd wel een beetje voorspelbaar geworden. Er zit nog weinig nieuws in en nauwelijks evolutie in haar denken en argumentatie. Zoals velen negeert ze in haar commentaren al wat niet past en gebruikt ze enkel de goede argumenten die haar overtuiging moeten bevestigen. Net dezelfde fout maken de lezers die het met haar eens zijn en applaudisseren omdat ze in haar opiniestukjes hun eigen gelijk bevestigd zien. Wie echter de intellectuele moed heeft én de tijd neemt om haar argumentatie met enige kritische ingesteldheid te analyseren en daarbij ook aandacht heeft voor wat ze niet schrijft – de weggelaten argumenten die afbreuk doen aan haar redenering – komt al snel tot de vaststelling dat haar opiniestukjes weliswaar met vermelding van degelijke argumenten, niet zo sterk onderbouwd zijn als op het eerste zicht lijkt. Vooral de nuance van de diepgravende journalistiek verdween en men kreeg de indruk dat het ging om het ‘berijden van stokpaardjes’, haar eigen gelijk: pro het conservatisme de USA en Israël en contra de Palestijnse visie, pro la douce France en het Belgisch nationalisme, maar contra Vlaams nationalisme, pro de christelijke beschaving en contra de islamwereld, pro het feminisme dat ze als een zelfverklaarde moderne volgelinge uitbazuint...

In dat alles ontbrak dikwijls redelijkheid. Ingehouden woedde en ergernis om 'zoveel domheid' gaven haar inspiratie en werden haar ‘leitmotiv’. Schokken om te schokken.

Dat ze niet meer behoort tot de redactie van De Standaard, waar ze het om ongekende redenen en ondanks haar bekendheid niet verder bracht dan redactrice Buitenland, maakt weinig verschil. Alleen wordt het voor DS nog makkelijker om zich ‘onverantwoordelijk’ te verklaren als de gastschrijver Doornaert nog maar eens haar eigen groot gelijk mag etaleren. Maar – ere wie ere toekomt – ze doet het altijd met een uitstekend taalgebruik. Schrijven kan ze als de beste en indien ze verder beschermd wordt door haar statuut van journaliste (kan dat in samenhang met haar opdracht als beleidsadviseur van een minister?) zullen we verder kunnen genieten van of ons ergeren aan haar controversiële opinie. In deze nieuwe situatie zal ze nog minder dan voorheen open staan voor discussie en terechte vragen van lezers. Ook dat is geen gave in de diplomatie waar een positieve ingesteldheid én openheid van geest de essentie uitmaken van een ‘diplomatenattitude’.

Wellicht zal ze vanuit de coulissen van het kabinet Leterme kunnen vaststellen dat in DIT België er zelfs geen breedgedragen visie bestaat over de buitenlandse politiek en deze enkel aaneenhangt door partijpolitiek geïnspireerde compromissen. Ze zal met haar duidelijke standpunten weinig indruk maken. “De diplomatie dient niet zozeer om problemen op te lossen maar om er mee te leren leven” (president Harry Truman)

Ik daag haar uit om aan te tonen dat er wel een coherent Belgisch buitenlands beleid mogelijk is. Misschien kan ze hierover van gedachten wisselen met Rik Coolsaet die een tijdje terug ervaring opdeed in het departement. Of nog, ze kan eens in de archieven duiken van de ambassadepost te Wenen. Daar zal ze een richtlijn vinden van toenmalig buitenlandminister Louis Michel die de ambassadeur opdroeg de relaties met de ÖVP/FPÖ regering te normaliseren (nadat drie Wijzen in 2001 hadden vastgesteld dat Oostenrijk geen probleem stelde voor de EU) en op datum van de dag erna zal ze een open brief vinden ondertekent door ALLE Franstalige socialistische ministers, zowel van de FEDERALE als de gewestelijke regering waarin onomwonden staat dat het voor hen ONAANVAARDBAAR is om de relaties te normaliseren zolang de FPÖ (Haider’s partij) deel uitmaakt van de Oostenrijkse regering. Kan het nog schizofrener?

Wat denkt u mevrouw Doornaert? Bent u bereid deze uitdaging aan te gaan? Veel succes toegewenst!

Misschien biedt deze deeltijdse overstap de gelegenheid tot een intellectuele herbronning en redelijkheid. Het zal haar helaas ook duidelijk worden dat het personeelsbeleid voor een belangrijk deel gedicteerd wordt vanuit de partijhoofdkwartieren en ze hooguit kan rekenen op Yves Leterme zolang hij buitenlandminister is. Het is daarom goed dat ze de deur van De Standaard niet volledig achter zich dichttrok.

Wat ik mij de laatste tijd dikwijls afvroeg bij het lezen van de soms rake reacties op haar opiniestukjes: Zou ook een begaafd mens bij wijlen niet twijfelen aan zichzelf en het eigen gelijk?

Pjotr

15 juli 2009

ONS mensen

Not only the City boy

Nu de meeste mensen met verlof zijn biedt Canvas heel interessante documentaires aan; gemaakt door echte grote zenders. Dinsdagavond ging het over de Cityboy, een toptrader in de ‘City of London’ die steeds meer morele problemen had met zijn werk en dan maar klokkenluider werd. Zijn onthullingen over dit wereldje zijn schokkend voor wie nog een beetje rechtvaardigheidsgevoel heeft. Het is een hot item dat een betere programmering verdiende.

Beurspeculanten moeten het hebben van kennis en weetjes, van liegen en bedriegen. Het zijn ongetwijfeld slimme mensen maar daarom blijkbaar nog geen schone mensen en hun nietsontziende jacht naar snel geldgewin maakt hen waarschijnlijk ook niet gelukkig. Alleen, het passeert en de karavaan trekt verder.

In de weekendeditie van De Tijd spreekt Herman Van Rompuy over de macht van de politici: “Ik moet glimlachen als men spreekt van machtsspelletjes. Er is waarschijnlijk nog nooit zo weinig macht geweest in de politiek als vandaag. Het gevoel van macht bij veel politici is eerder een gevoel van machteloosheid. En ja, de macht is herleid tot politieke spelletjes. Ik benoem u en u niet.’"
De ultieme machtsspelletjes, de macht over anderen in een zichzelf voedende carrousel van postjes en geldgewin. Ondertussen zijn de politieke partijen hun kabinetsmedewerkers aan het selecteren, want zo stond in DS: Het kan toch niet dat in het kabinet van een minister (F Vandenbroucke) mensen werken die de partijvoorzitter (C Gennez) niet kende! De les geleerd van Fientje Moerman wiens medewerker (R Aernoudt) klokkenluider werd én met zijn aanklacht gelijk kreeg?
Hier stopte de karavaan wel.

Deze machtsspelletjes worden niet alleen gespeeld aan de top. Op alle niveau’s zit de politieke verzuiling ingebakken in onze maatschappij. Dan lijkt de ‘eigen volk eerst’ mentaliteit toch niet zo erg te zijn. Onlangs vernam ik dat ook in mijn gemeente dezelfde redenering nog altijd opgeld doet: “we moeten aan ONS mensen denken” … simpel gezegd, dat we ONZE mensen aan een job bij de gemeente of aanverwante publieke diensten moeten helpen. Dat men daardoor niet beter bestuurt of gewoon oneerlijk is? Misschien zouden we beter elke meerderheid slechts één termijn gunnen; kwestie van iedereen eens te laten spelen met de macht.
Maar helaas, ook dat passeert en de karavaan trekt verder.

H Van Rompuy inspireert mij telkens met een of andere verrassende invalshoek, ook in dit artikel: ‘In een van mijn boekjes heb ik geschreven: je komt in de politiek door persoonlijke ambitie. Maar je blijft er niet in door persoonlijke ambitie. Dan word je gevaarlijk. Of er zo niet veel zijn? Misschien wel.’ (smalend) ‘Maar de meesten hebben onvoldoende talent om gevaarlijk te zijn."
Hij baalt van gedrevenheid en voluntarisme (in het oppervlakkig Vlaanderen): “In de politiek staat dat voor mij gelijk met la politique gesticulatoire. Gemolenwiek als wapen op zich. Het resultaat interesseert me. Ik ben te veel mensen tegengekomen die extreemgedreven zijn, maar nooit iets gerealiseerd hebben."

Weet u wat ik dan Anders denk? Dat het niet zo moeilijk moet zijn om tevreden te zijn als je zoveel talenten meekreeg. Over het resultaat kan men altijd verschillen van mening.

Een beetje cynische humor helpt.

Pjotr